Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: KG ZA 26-968 (voorlopige voorziening) en FA RK 26-9180 (hoofdzaak)
Zaaknummer: C/09/712227 (voorlopige voorziening) en C/09/712220 (hoofdzaak)
Datum uitspraak: 11 september 2026
Wet tijdelijk huisverbod
Uitspraak inzake:
[verzoeker] ,
verzoeker, tevens eiser,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gemachtigde: mr. S. van der Eijk te Delft,
tegen
de burgemeester van de gemeente Zoetermeer,
verweerder.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[achterblijfster] ,
achterblijfster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
IProcedure
1. Verweerder heeft op 29 augustus 2026 aan verzoeker een huis- en contactverbod opgelegd (hierna: huisverbod). Dit houdt in dat verzoeker in de periode van 29 augustus 2026 (16:05 uur) tot 8 september 2026 (16:05 uur), niet in de directe omgeving van de woning op het adres te [adres] (de woning), mag komen en geen contact mag hebben met de aldaar woonachtige [achterblijfster] , zijn partner, en haar kinderen [zoon] (zoon partner) en [dochter] (dochter partner). Verweerder heeft dit besluit op 8 september 2026 verlengd tot 26 september 2026 (16:05 uur).
2. Verzoeker heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld en verzocht een voorlopige voorziening te treffen in de vorm van een schorsing van het huisverbod.
3. De minderjarige [zoon] heeft schriftelijk zijn mening kenbaar gemaakt.
4. De voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek om schorsing tegelijk behandeld op de zitting van 10 september 2026. Verzoeker is verschenen, met zijn gemachtigde, mr. S. van der Eijk. Verweerder werd vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] . Namens Veilig Thuis was [naam 3] aanwezig. Achterblijfster is niet verschenen.
5. Omdat verzoeker voorafgaand de zitting niet alle stukken van verweerder had ontvangen, is aan verzoeker een nadere termijn verleend om op voornoemde stukken te kunnen reageren. In de reactie zijn door verzoeker geen nieuwe standpunten ingenomen, zodat de voorzieningenrechter verweerder geen nadere termijn heeft verleend om op verzoeker te reageren.
IIStandpunten
6. Verweerder heeft als reden voor de oplegging van het huisverbod gegeven dat op 28 augustus 2026 een incident heeft plaatsgevonden tussen verzoeker en achterblijfster, waarbij verzoeker als agressor naar voren kwam. Dit was niet het eerste incident dat tussen verzoeker en achterblijfster heeft plaatsgevonden. Verweerder is dan ook van mening dat sprake was van ernstig en onmiddellijk gevaar voor achterblijfster en de kinderen. Volgens verweerder is het in het belang van achterblijfster en de kinderen dat zij veilig en zonder angst in hun vertrouwde omgeving kunnen verblijven. Dit belang dient volgens verweerder zwaarder te wegen dan het belang van verzoeker. Verder heeft verweerder zich – onder verwijzing naar het bestreden verlengingsbesluit en de op zaak betrekking hebbende stukken – op het standpunt gesteld dat het huisverbod terecht is verlengd. Er waren ten tijde van de verlenging namelijk nog geen veiligheidsafspraken gemaakt, zodat het ernstig en onmiddellijk dreigende gevaar nog steeds aanwezig was. Volgens verweerder is het maken van afspraken noodzakelijk om het (vermoeden van) een zodanig gevaar weg te nemen.
7. Verzoeker is het niet eens met verweerder. Volgens verzoeker heeft er weliswaar een escalatie tussen hem en achterblijfster plaatsgevonden, maar daarbij is er geen sprake geweest van fysiek geweld tegen achterblijfster en/of de kinderen van achterblijfster. Bovendien is er volgens verzoeker geen sprake van herhalende of terugkerende incidenten. Om deze reden stelt hij zich op het standpunt dat het opleggen van het huisverbod disproportioneel was. Nu verweerder bij de belangenafweging bovendien het feit dat achterblijfster uit een gewelddadige relatie komt heeft betrokken, is deze belangenafweging niet juist gemaakt. Verder stelt verzoeker zich op het standpunt dat het huisverbod ten onrechte is verlengd. Volgens verzoeker is de verlenging disproportioneel gezien de feiten en omstandigheden van de situatie. Zoals hiervoor besproken, erkent verzoeker dat er een incident heeft plaatsgevonden. Verzoeker ziet in dat hij verkeerd heeft gehandeld en heeft hier veel spijt van. Hierbij heeft hij beloofd dat dit niet nog een keer zal gebeuren. Volgens hem is er dan ook geen sprake meer van een ernstige en onmiddellijke dreiging van gevaar die verlenging van het huisverbod rechtvaardigt. Verder geeft verzoeker aan dat het huisverbod onevenredig diep ingrijpt in het contact met de kinderen van achterblijfster. Bovendien is het niet aan verzoeker te wijten dat er nog geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt.
IIIBeoordeling
8. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
9. Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 van deze wet. Ingevolge artikel 9, eerste lid, Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ten tijde van het opleggen van het huis- en verbod sprake was van omstandigheden als bedoeld in artikel 2 Wth. Uit de overgelegde stukken en wat is besproken op de zitting, is gebleken dat er op het moment van oplegging van het huisverbod sprake was van een (fysiek) incident tussen verzoeker en achterblijfster. Verzoeker betwist dit ook niet. Verweerder was daarom op grond van artikel 2 Wth bevoegd om een huisverbod op te leggen.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid ervoor heeft gekozen om het huisverbod aan verzoeker op te leggen, omdat de dreiging van escalatie van verzoeker uitging. Daarnaast beschikt verzoeker over een eigen woonruimte. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid het belang van achterblijfster en de kinderen om veilig in de woning te verblijven, zwaarder laten wegen dan het belang van verzoeker om in de woning te verblijven. Dat verweerder daarbij ook een contactverbod met achterblijfster en de kinderen heeft opgelegd is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in lijn met doel van het opleggen van het huisverbod, namelijk om (verdere) escalatie te voorkomen en de veiligheid van achterblijfster en de kinderen te waarborgen.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder ook op goede gronden het huisverbod heeft verlengd. Er was op het moment van de verlenging van het huisverbod nog steeds sprake van een dreiging van gevaar of het ernstig vermoeden daarvan. De benodigde hulpverlening nog niet of onvoldoende opgestart en er waren ook nog geen veiligheidsafspraken gemaakt. De situatie ten tijde van de verlenging van het huisverbod was dan ook nog onveranderd ten opzichte van het moment van de oplegging van het huisverbod. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 9 Wth gebruik heeft gemaakt.
13. Ten slotte beoordeelt de voorzieningenrechter of op het moment van de zitting de situatie inmiddels zodanig was gewijzigd dat een huisverbod in redelijkheid niet meer gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter is niet gebleken van gewijzigde omstandigheden of nieuwe feiten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiervan geen sprake. Hoewel het positief is dat verzoeker spijt heeft betuigd, heeft aangegeven in te zien dat het incident niet had moeten gebeuren en dat zijn behandeling bij De Waag is geïntensiveerd, heeft zich dit nog niet vertaald in concrete veiligheidsafspraken.
14. Gezien het bovenstaande wordt het beroep tegen het besluit en de verlenging daarvan ongegrond verklaard en zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.
15. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor toekenning van de gevraagde proceskostenvergoeding. De proceskosten moeten partijen ieder voor zich dragen.
16. Ten slotte merkt de voorzieningenrechter op dat verzoeker heeft aangegeven dat hij zich vooral zorgen maakt over de kinderen. Hij heeft duidelijk aangegeven dat hij het gevoel heeft dat hij de kinderen tekort heeft gedaan. Hij zou graag contact met hen willen opnemen om zijn excuses aan te bieden en hen te vragen hoe het met ze gaat. Om deze reden is er op de zitting gesproken over de mogelijkheid om via het Crisis Interventie Team contact met de kinderen te hebben. Het organiseren van het contact tussen verzoeker en de kinderen valt onder de hulpverlening die binnen het huisverbod wordt aangeboden. Hierbij is het van belang dat eerst onderzocht wordt hoe de kinderen tegenover het contact met verzoeker staan en op welke wijze het contact in het belang van de kinderen kan worden hersteld. De voorzieningenrechter geeft verweerder in overweging om dit prioriteit te (laten) geven en daarbij het belang van de kinderen voorop te stellen.
IVBeslissing
De rechtbank:
*
verklaart het beroep ongegrond;
*
wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2026. |
Een belanghebbende – onder wie in elk geval eiser wordt begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.
Afschrift verzonden op: