RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/710600 / JE RK 26-1414
Datum uitspraak: 10 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. P. Minkes uit Amsterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 augustus 2026;
- de brief van de advocaat van de moeder met bijlagen van 9 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam] en een collega als toehoorder namens de gecertificeerde instelling.
2 De feiten
[de minderjarige] is erkend door de vader.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij zijn vader en heeft een zorgregeling met de moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 september 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 16 september 2026.
3 Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Pas sinds 1 juni is er een vaste jeugdbeschermer betrokken. Het gezin is – in verband met de woonplaats van betrokkenen- toebedeeld aan de regio Leiden, maar hier was geen jeugdbeschermer beschikbaar. Hierdoor bevindt de ondertoezichtstelling nog in de beginfase en is er de afgelopen periode nog onvoldoende zicht verkregen op de actuele opvoedsituatie bij beide ouders, de veiligheid binnen de thuissituaties en de ontwikkelingsbehoeften van [de minderjarige] . Daarbij was de start ook moeizaam, doordat de vaste jeugdbeschermer precies betrokken raakte op het moment dat de rechter uitspraak deed over onder meer de zorgregeling, wat voor veel extra spanning tussen de ouders zorgde. Op dit moment is er nog onvoldoende sprake van een gezamenlijke en stabiele opvoedsituatie en de ouders verschillen in visie over de opvoeding, de zorgen en de inzet van hulpverlening. In het verleden is hulp daardoor ook niet van de grond gekomen. Er ontbreekt een ouderschapsplan en de samenwerking en communicatie tussen de ouders verloopt moeizaam. Volgens de gecertificeerde instelling is het daarom belangrijk dat zij betroken blijven. Zij maken zich op dit moment zorgen dat de ouders niet in staat zijn om samen zelf de juiste hulp in te zetten voor [de minderjarige] . Daarbij heeft de vader ook zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder en haar middelengebruik. Verder geeft [de minderjarige] ook zelf aan behoefte te hebben aan ondersteuning bij het verwerken van de ingrijpende gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt en signaleert school nog steeds zorgen over zijn gedrag en sociaal-emotionele ontwikkeling. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat [de minderjarige] heel erg bevestiging kan zoeken bij de leerkracht. Daarnaast kan hij moeite hebben met het reguleren van zijn emoties en kan hij fysiek zijn richting andere kinderen. Daarbij geeft de school aan dat zij meer rust zagen op het moment dat [de minderjarige] volledig bij de vader woonde. Sinds de zorgregeling is hervat, zien zij meer spanning en onrust. De gecertificeerde instelling ziet signalen dat [de minderjarige] tussen de ouders in zit, maar heeft te weinig tijd gehad om dit nader te onderzoeken. De gecertificeerde instelling wil graag inzetten op hulp voor [de minderjarige] , zodat hij bij een neutraal iemand zijn verhaal kwijt kan.
4 De standpunten
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzochte. Volgens de moeder wordt niet voldaan aan het wettelijk criterium van een ondertoezichtstelling. Mocht de situatie dermate urgent zijn dan had de gecertificeerde instelling wel eerder actie ondernomen. Daarbij ziet de moeder ook zelf in dat [de minderjarige] hulp nodig heeft en volgens haar zijn de ouders het daar ook over eens. De moeder is ervan overtuigd dat de ouders dit zelf kunnen regelen, zonder ondertoezichtstelling en dat het verkrijgen van hulp juist alleen maar langer duurt door de ondertoezichtstelling. Daarnaast ziet de moeder niet in dat de verhouding en communicatie tussen de ouders, waar de moeder zelf ook zorgen over heeft, gaat veranderen met een ondertoezichtstelling. De vader heeft immers aangegeven niet open te staan voor hulp vanuit Cardea en de vader kan niet gedwongen worden door de ondertoezichtstelling tot hulp in contact met de moeder. Verder is volgens de moeder overleg over praktische zaken wel mogelijk, maar zien hun onderlinge geschillen op evidente zaken, zoals de zorgregeling en een financiële regeling, waarover uiteindelijk een rechter een knoop zal moeten doorhakken. De moeder ziet dat de spanning rondom de procedures en de aanwezigheid van een ondertoezichtstelling het contact tussen de ouders geen goed doet. Daarbij is er volgens de moeder ook vanuit [de minderjarige] zelf weerstand om in gesprek te gaan met de jeugdbeschermer. De vrouw hoopt en verwacht dat als de druk van de ondertoezichtstelling eraf is het contact tussen de ouders makkelijker zal gaan.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij erg teleurgesteld is in de jeugdzorg en de recente uitspraak van de rechter inzake de zorgregeling. De vader heeft het idee dat het niet uit maakt wat hij zegt. De afgelopen anderhalf jaar is er geen hulp van de grond gekomen. De vader heeft zich heel erg ingezet om het weer beter te maken voor [de minderjarige] , maar nu moet hij alsnog terug naar de moeder, terwijl er geen bewijs is dat het veilig is bij de moeder. De vader zou het liefste zien dat [de minderjarige] bij hem wordt ingeschreven, hij als stabiele ouder voor hem kan zorgen en hem volledig financieel ondersteunt. Volgens de vader is [de minderjarige] het meest gebaat bij rust en stabiliteit. De vader is klaar met alle procedures, zo heeft hij al eerder voor een ouderschapsplan betaald en samen met de moeder mediation gedaan. Als er nu een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, zal deze ondertoezichtstelling door moeten lopen tot aan de achttiende verjaardag van [de minderjarige] , omdat hij volgens de vader - zolang hij ook bij de moeder woont – altijd zorg nodig hebben. De vader verwacht met de ondertoezichtstelling dan ook geen verbetering of verandering. Volgens de vader klopt het niet – zoals de moeder stelt - dat de ouders op dit moment wel met elkaar kunnen communiceren.
5 De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Naar het oordeel van de kinderrechter wordt [de minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Allereerst is het spijtig om te horen en te lezen dat er pas recent een vaste jeugdbeschermer betrokken is, waardoor er afgelopen jaar feitelijk nog geen hulpverlening is ingezet en er nog onvoldoende zicht is gekregen op de opvoedsituatie van de vader en de moeder. De kinderrechter kan ook begrijpen dat dit veel frustratie oproept bij de ouders en het vertrouwen in de gecertificeerde instelling heeft aangetast. Desalniettemin moet volgens de kinderrechter de focus blijven liggen op wat het beste is in het belang van [de minderjarige] en wat hij nodig heeft om zich zo rustig en positief mogelijk te ontwikkelen. In dat licht stelt de kinderrechter vast dat de school nog steeds zorgen uit over het gedrag van [de minderjarige] . Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling ook zelf gemerkt in de gesprekken met [de minderjarige] dat de ingrijpende gebeurtenissen die [de minderjarige] heeft meegemaakt, waaronder het getuige zijn van huiselijk geweld, nog veel indruk op hem hebben. Naar het oordeel van de kinderrechter is het daarom noodzakelijk dat hij hiervoor hulpverlening gaat ontvangen. Daarnaast is de onderlinge verstandhouding en communicatie tussen de ouders niet goed. Dit is ook op zitting duidelijk zichtbaar geworden en de kinderrechter maakt zich zorgen welk effect dit heeft op [de minderjarige] en zijn ontwikkeling. Naar het oordeel van de kinderrechter is het daarom belangrijk dat de jeugdbeschermer betrokken blijft, zodat zij als onafhankelijk persoon naast [de minderjarige] kan staan, zijn belang voorop kan stellen en de juiste hulpverlening voor hem kan inzetten. De kinderrechter heeft er op dit moment gezien de verstandhouding van de ouders – anders dan de moeder heeft betoogd - onvoldoende vertrouwen in dat zij op dit moment zelfstandig in staat zijn om samen de juiste beslissingen voor [de minderjarige] te nemen en de hulp in te zetten die [de minderjarige] nodig heeft. Daarbij is het ook belangrijk dat de gecertificeerde instelling de komende periode meer zicht krijgt op de opvoedsituatie bij de moeder en de vader en waar nodig ook daar passende hulpverlening inzet. Ten slotte spreekt de kinderrechter de hoop uit dat de duidelijkheid van de beslissing over de ondertoezichtstelling en de betrokkenheid en toezicht van de gecertificeerde instelling, mogelijk gaat zorgen voor meer ruimte bij de ouders om te komen tot (een vorm van) constructief overleg over [de minderjarige] . Zij blijven immers samen de ouders van [de minderjarige] . Gezien de stappen die nog gezet moeten worden zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen voor de verzochte duur van één jaar.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 16 september 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.