ECLI:NL:RBDHA:2026:29968

Datum uitspraak
10-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/711286 / FA RK 26-8593
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking aansluitende zorgmachtiging - Wvggz

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaak- rekestnummer: C/09/711286 / FA RK 26-8593

Datum beschikking: 10 september 2026

Beschikking aansluitende zorgmachtiging

op het verzoek van de officier van justitie als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor:

[betrokkene],

hierna te noemen: betrokkene,

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats],

wonend in [woonplaats],

verblijvend in de accommodatie [zorginstelling], [plaats],

advocaat: mr. C.J.M. Dreessen uit Sittard.

ProcesverloopOp 7 oktober 2025 heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend tot en met 7 oktober 2026.

De officier van justitie heeft op 20 augustus 2026 verzocht om een aansluitende zorgmachtiging voor twaalf maanden. De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen.

De zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. Daarbij zijn gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;

- de psychiater, [naam 1];

- de arts in opleiding tot specialist, [naam 2].

Beoordeling

De advocaat bepleit aan de hand van een verweerschrift, dat aan het procesdossier is toegevoegd, namens betrokkene niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie (hierna kortweg: ovj) omdat deze niet is geslaagd in zijn plicht het verzoek en alle stellingen daarin te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet slaagt.

In artikel 5:17 van de Wvvgz is bepaald hoe het verzoekschrift voor een zorgmachtiging eruit moet zien, welke onderbouwing er tenminste in moet staan en welke stukken minimaal bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het voorliggende verzoekschrift aan deze vereisten en is het zo volledig dat de rechtbank op basis daarvan en in samenhang met wat is besproken tijdens de zitting tot een beslissing is kunnen komen.

Dat, zoals de advocaat aan dit verweer toevoegt, betrokkene als kwetsbare rechtszoekende niet voldoende inzicht zou hebben in de gang van zaken en de deelnemende procespartijen, is de rechtbank niet gebleken. Betrokkene heeft al vele jaren te maken met gedwongen opnamen die het gevolg zijn van rechterlijke beslissingen, gebaseerd op vergelijkbare verzoekschriften. Ook ter zitting liet betrokkene blijken te weten wat de bedoeling was van het huidige verzoek. Daarbij komt dat ook de wetgever uitdrukkelijk de positie van betrokkenen in Wvggz-zaken heeft willen beschermen door rechtsbijstand in Wvggz-zaken verplicht te stellen en zo mogelijk te maken dat de betrokkene over de gang van zaken met en rond het verzoekschrift èn de zitting wordt geïnformeerd, diens belangen naar voren worden gebracht, kortom wordt gezorgd voor een eerlijk en evenwichtig proces.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in deze sprake geweest.

Ten tweede wordt namens betrokkene, met een beroep op de bescherming van de art 13 en 14 jo art 8 EVRM en het 12e Protocol art 1, niet ontvankelijkheid van de ovj bepleit vanwege de misstand van het ontbreken van de mogelijkheid voor betrokkene om in hoger beroep te gaan tegen de beslissing van de rechtbank.

Ook dit verweer slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet.

Door de wetgever is bij het tot stand komen van de Wvggz bewust gekozen om de rechtsbescherming van mensen die met gedwongen zorg te maken hebben, centraal te stellen en hoger beroep uit te sluiten. Dit laatste vanuit het oogpunt van rechtszekerheid voor de betrokkene die recht heeft op een - vaak toch al erg belastende - zo kort mogelijke rechtsgang zodat snel duidelijk is wat er gaat gebeuren. Ook een reden om de mogelijkheid van hoger beroep weg te laten is dat naar het oordeel van de wetgever het volledige Wvggz-proces al goede en afdoende waarborgen kent in de voorafgaande procedure. Hierbij moet gedacht worden aan de mondelinge behandeling binnen een korte termijn, de verplichte bijstand van een advocaat, het recht op hoor en wederhoor, de toetsingscriteria van o.a. proportionaliteit, subsidiariteit en het klachtrecht.

Ook ziet de rechtbank niet in, dat de keuze van de wetgever in deze ten aanzien van de rechtsmiddelen leidt tot schending van het verbod tot discriminatie. Integendeel. De wetgever heeft juist rechtsbescherming van de kwetsbare doelgroep die valt onder de Wvggz als doel.

Wat de inhoudelijke beoordeling betreft geldt het volgende.

Uit de stukken en de zitting blijkt dat betrokkene al jaren lijdt aan een psychische stoornis, te weten een schizofreniforme stoornis en misbruik van middelen. Ter zitting is daaraan door de arts in opleiding tot specialist toegevoegd: een ongespecificeerde schizofreniespectrum stoornis met psychose-gevoeligheid.

Deze stoornissen leiden tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:

- levensgevaar;

- ernstig lichamelijk letsel;

- ernstige psychische schade;

-ernstige verwaarlozing;

-maatschappelijke teloorgang;

- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.

Betrokkene is herhaaldelijk onder invloed van verschillende soorten middelen wat zijn psychotische klachten verergert. De klachten gaan gepaard met paranoïdie, (seksuele) ontremming en gedragsproblematiek met agressie. Na terugval is er sprake van een langdurige verslechtering van zijn psychiatrische en lichamelijk functioneren. Afgelopen jaar heeft betrokkene dusdanig veel middelen door elkaar gebruikt, dat hij een excited delirium had met een gevaarlijk lage bloeddruk had waarbij het risico op overlijden aanwezig was.

Hij was een tijdlang weg van de kliniek en moest door de politie met handboeien aan weer worden teruggebracht en twee dagen in de EBK blijven. Ter zitting bevestigt betrokkene dat het toen heel slecht met hem ging. Omdat betrokkene toch daarna ook weer veel drugsmomenten had met echt heftige gevolgen, is besloten hem zes weken lang binnen te houden op de afdeling.

Sindsdien is er volgens de behandelaars echt een verbetering te zien in het toestandsbeeld van betrokkene. Hij heeft zichzelf beter in de hand en hij doet mee aan gedragstherapie. De behandelaars prijzen betrokkene ter zitting daarvoor en begrijpen het verweer van de advocaat van betrokkene niet, dat er al jaren geen sprake zou zijn van substantiële verbetering van het toestandsbeeld. Een serieus risico op overlijden is voorkomen en het gaat nu een stuk beter met betrokkene. Dat maakt dat de behandelaars de behandeling effectief, doelmatig en proportioneel noemen.

De rechtbank gaat gelet hierop dan ook niet mee in dit verweer strekkende tot afwijzing van het verzoek.

De rechtbank heeft begrepen dat indien deze stijgende lijn zich voortzet, er zelfs kans is op uitstroom van betrokkene naar een open afdeling.

Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en de geestelijke gezondheid van betrokkene te herstellen zodanig dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, heeft betrokkene zorg nodig.

Het is aannemelijk dat betrokkene zonder zorgmachtiging terug zal vallen in middelengebruik en dat hij dan heel snel weer erg psychotisch zal worden met, gelet op de vele ervaringen tot nu toe, grote kans op ernstig nadeel in de vorm van agressie. Indien betrokkene gebruikt, doet hij dit vaak in een grote hoeveelheid met veel verschillende soorten middelen door elkaar. Niet alleen ontstaat dan snel een psychotisch toestandsbeeld, ook is daarbij de kans aanwezig dat hij vanwege het soort drugs en de hoeveelheid komt te overlijden. Ondanks dat betrokkene gisteren een terugval heeft gehad, is hij de laatste periode stabieler en is hij actiever betrokken bij de behandeling. Anders dan de advocaat subsidiair heeft bepleit met erop te wijzen dat er nu geen ernstig nadeel is en niet zomaar zorgmachtiging na zorgmachtiging kan worden verleend, vindt de rechtbank het belangrijk dat de aandacht vooral uitgaat naar de positieve ontwikkeling die betrokkene de laatste weken laat zien bij de behandeling binnen het kader van de lopende zorgmachtiging. De bedoeling is dat deze stijgende lijn wordt vastgehouden en voortgezet en daarbij acht de rechtbank het noodzakelijk dat er tijdig ingegrepen kan worden indien betrokkene een terugval krijgt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verplichte zorg de komende tijd nodig is, als het moet op basis van aansluitende zorgmachtigingen nu de wet dat mogelijk maakt en aan de wettelijke vereisten daarvoor wordt voldaan.

De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken.

De rechtbank is op grond van het dossier en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de vormen van verplichte zorg zoals hierna in de beslissing zijn opgenomen nodig zijn.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De zorgmachtiging zal daarom worden verleend. Hoewel de advocaat meer subsidiair heeft verzocht om de zorgmachtiging voor verkorte duur toe te wijzen, heeft de rechtbank geen reden hiertoe dit verzoek te volgen nu ter zitting door de arts is toegelicht dat het minstens een jaar duurt voordat een verslaving in remissie is.

Beslissing

De rechtbank:

verleent een zorgmachtiging voor:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats],

inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:

- toedienen van medicatie;

- verrichten medische controles;

- beperken van de bewegingsvrijheid;

- insluiten;

- uitoefenen van toezicht op betrokkene;

- onderzoek aan kleding of lichaam;

- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;

- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;

- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

- opnemen in een accommodatie;

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 10 september 2027;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.L. Sandberg-Crommelin, rechter, bijgestaan door I. de Vroom als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 september 2026.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 27 september 2026.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »