ECLI:NL:RBDHA:2026:29938

Datum uitspraak
10-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/707088 / JE RK 26-1050
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor het aangehouden deel.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/707088 / JE RK 26-1050

Datum uitspraak: 10 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

BRP-ingeschreven te [plaats], zonder feitelijke woon- of verblijfplaats,

advocaat: mr. L.P. Lagerweij uit Delft.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats].

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 25 juni 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging verleent [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 29 juni 2026 tot 25 september 2026 en heeft het verzoek voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 25 september 2026.

1.2.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 25 juni 2026 en de daarin genoemde stukken;

  • de briefrapportage met bijlagen van 26 augustus 2026;

  • het nagezonden stuk van de gecertificeerde instelling van 8 september 2026.

1.3.

Op 10 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de advocaat van de moeder;

- [naam] namens de gecertificeerde instelling.

De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2 De feiten

2.1.

Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 25 juni 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De gecertificeerde instelling handhaaft het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor de resterende duur, met dien verstande dat wordt verzocht een machtiging te verlenen tot aan het einde van de ondertoezichtstelling.

3.2.

[minderjarige] verblijft sinds 1 augustus in een pleeggezin, waar hij – mocht dit nodig zijn – in de toekomst eventueel ook langdurig kan blijven. Daarnaast is de afgelopen periode het contact opgebouwd en hebben zowel de moeder als de vader op afzonderlijke dagen los van elkaar vijf uur onbegeleid contact met [minderjarige]. De gecertificeerde instelling ziet dat het voor de ouders lastig is om de behoefte van [minderjarige] in te schatten en zij hebben hierbij aansturing en adviezen nodig. De vader lijkt deze adviezen op te pakken, bij de moeder bestaan hierover meer zorgen. Zij heeft haar eigen visie en de moeder wil hier niet vanaf wijken. De moeder vindt bijvoorbeeld dat [minderjarige] alleen nog maar melk hoeft te drinken en er wordt gezien dat hij na de contactmomenten erg dorstig en hongerig is. Ook houdt de moeder zich niet aan de slaaptijden van [minderjarige]. Verder is het contact tussen de jeugdbeschermer en de moeder de afgelopen periode ambivalent geweest. De jeugdbeschermer heeft geprobeerd om een terugplaatsingsplan op te stellen, maar de moeder wil op dit moment niet meer in gesprek met de jeugdbeschermer, waardoor zij dit plan ook niet verder met de moeder kan bespreken. De moeder wil pas in gesprek als zij een woning heeft. Verder heeft de moeder ook meerdere klachtgesprekken aangevraagd, maar zij verschijnt dan vervolgens niet op het geplande klachtgesprek. Daarnaast ontkent de moeder de signalen en (zorgelijke) gebeurtenissen zoals die door [zorginstantie] zijn gezien. Dit maakt het lastig om afspraken te maken over wat er nodig is. Verder wordt gezien dat de moeder heel wisselend kan zijn in haar gedrag en emoties. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat het voor een eventuele nieuwe plaatsing in een babyhuis noodzakelijk is dat de moeder eerst zelf een aantal stappen zet. Zo is het nodig dat de moeder in samenwerking komt en is het belangrijk dat er psychologisch onderzoek bij de moeder is afgenomen, zodat duidelijk is waar het gedrag van de moeder vandaan komt. Het lastige is dat de moeder zelf deze psychologische hulp moet aanvragen. De jeugdbeschermer kan de moeder hierin ondersteunen, maar omdat zij volwassen is, moet de moeder hier zelf actie voor ondernemen.

4 De standpunten van de belanghebbende en de informant

4.1.

Namens de moeder heeft de advocaat ter zitting te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen het langer duren van de uithuisplaatsing. Volgens de advocaat moet de komende tijd wel worden gekeken naar een concreter plan van aanpak voor een terugplaatsing bij de moeder. Het is daarbij volgens hem belangrijk dat er een psychologisch onderzoek bij de moeder wordt afgenomen. Verder dient volgens de advocaat ook gekeken te worden naar de mogelijkheden van een nieuwe plaatsing in een babyhuis. Zeker nu ook het gebrek aan huisvesting een grote rol speelt in de problematiek. Verdere hulpverlening en behandeling kunnen pas van de grond komen – los van bijvoorbeeld psychologisch onderzoek – als er sprake is van stabiliteit en huisvesting. De moeder heeft het idee dat zij niet verder komt met de jeugdbeschermer. Volgens de moeder kan zij het niet goed doen bij de jeugdbeschermer en wordt zij buitengesloten ten aanzien van [minderjarige].

4.2.

De vader ziet dat het goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin. De vader is blij met het contact dat hij heeft met [minderjarige] en hij heeft de hoop dat dit toekomst nog verder wordt uitgebreid. Daarnaast wil de vader ook in juridisch opzicht de vader worden van [minderjarige] en is hij voornemens om een procedure te starten – zo lang de moeder er niet aan meewerkt – om [minderjarige] te erkennen en het gezag over [minderjarige] te krijgen.

5 De beoordeling

5.1.

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.1

5.2.

Naar het oordeel van de kinderrechter is het noodzakelijk en het meest in het belang van [minderjarige] dat hij nog langer in het pleeggezin blijft. Het is spijtig om te zien dat het de afgelopen maanden niet is gelukt om tot verdere positieve stappen te komen. Hoewel het positief is dat zowel de moeder als de vader elke week structureel (onbegeleid) contact hebben, wordt gezien dat er nog wel veel sturing nodig is voor deze contactmomenten. Het is zorgelijk dat de moeder niet open lijkt te staan voor de adviezen rondom de invulling van de contactmomenten. Ook is het ingewikkeld dat de moeder het contact met de jeugdbeschermer afhoudt. Hierdoor is het lastig om af te spraken te maken die in het belang zijn van [minderjarige] en is het nog niet gelukt om een concreet terugplaatsingsplan op te stellen. Dit leidt ertoe dat er de afgelopen maanden nog niet concreet is gewerkt aan de zorgen die werden gezien door [zorginstantie]. Verdere hulpverlening voor de moeder – waarin zij zelf ook een verantwoordelijkheid heeft om dit op te pakken – is de afgelopen maanden nog niet van de grond gekomen. Eveneens heeft de moeder op dit moment nog geen vaste huisvesting. Daarbij is het extra zorgelijk dat de moeder de zorgen tot nu toe niet lijkt te erkennen. Hoewel de kinderrechter kan begrijpen dat de situatie voor de moeder ingewikkeld is, doet zij wel een beroep op haar om zich open te stellen voor de hulp en begeleiding van professionals. Voor een eventuele nieuwe plaatsing in een babyhuis is het – zoals de gecertificeerde instelling heeft toegelicht – ook noodzakelijk dat de moeder eerst zelf een aantal stappen gaat zetten, waaronder dat er een psychologisch/persoonlijkheidsonderzoek wordt afgenomen. Naar het oordeel van de kinderrechter kan de moeder op dit moment nog geen stabiele en veilige opvoedsituatie aan [minderjarige] bieden en blijft de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin noodzakelijk. Het is daarbij goed om te horen dat [minderjarige] in het pleeggezin op zijn plek zit en hij in principe hier kan blijven zolang als het nodig is. Gezien het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek toewijzen tot het einde van de ondertoezichtstelling.

5.3.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 september 2026 tot 25 november 2026, zijnde het einde van de ondertoezichtstelling;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026 door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »