RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18097
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. van Kuijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).
Inleiding 1
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 23 april 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. S. Cetinkaya-Ahmad als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1978 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In Syrië is hij zijn hele leven gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische etniciteit. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser opnieuw te worden gediscrimineerd, beledigd, uitgescholden en aangevallen vanwege zijn Koerdische etniciteit. Ook zijn eisers broer actief geweest bij de PKK2 en vreest eiser op grond daarvan risico te lopen bij terugkeer naar Syrië. Verder beroept eiser zich op de algemene veiligheidssituatie in Syrië.
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook vindt verweerder het geloofwaardig dat eiser is gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische etniciteit. Verder vindt verweerder het geloofwaardig dat de broers van eiser te linken zijn aan de PKK. Volgens verweerder leiden de geloofwaardige verklaringen van eiser echter niet tot een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië.
Uit landeninformatie volgt volgens verweerder niet dat Koerden in het algemeen een verhoogd risico lopen in Syrië. De discriminatie die eiser in Syrië heeft meegemaakt, was niet zo ernstig dat hij niet kon functioneren op maatschappelijk en sociaal gebied. Verweerder vindt eisers vrees bij terugkeer vanwege de betrokkenheid van zijn broers bij de PKK niet aannemelijk. Eisers vrees is gebaseerd op vermoedens en zijn broers hebben zich al lang geleden, in 1995, aangesloten bij de PKK. In 2014 is één van zijn broers publiekelijk genoemd als martelaar door de PKK. Dit is al 12 jaar geleden en verweerder ziet niet in dat de Syrische regering eiser bij terugkeer na zo een lange periode zal oppakken in verband hiermee. Tot slot neemt verweerder voor heel Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan, waaronder ook voor de provincie Aleppo waarin het dorp ligt waar eiser vandaan komt.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft en/of geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Verweerder concludeert ten onrechte dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft op grond van zijn Koerdische etniciteit. Verweerder verwijst naar formele ontwikkelingen, maar gaat voorbij aan de vraag of deze rechten in de praktijk ook worden nageleefd. Eiser heeft verklaard dat Koerden in de praktijk kwetsbaar bleven en geen effectieve bescherming konden krijgen. Verweerder concludeert uit het gegeven dat eiser in het verleden nog enigszins kon functioneren ten onrechte dat geen sprake is van vervolging op grond van zijn Koerdische etniciteit. Dat eiser ondanks de structurele discriminatie probeerde te overleven en naar school ging, betekent niet dat de behandeling minder ernstig was. Daarnaast moet verweerder niet alleen het verleden beoordelen, maar ook de situatie bij terugkeer.
Verweerder heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de persoonlijke omstandigheden van eiser. Eiser is herkenbaar als Koerd door zijn achternaam. Daarnaast hebben twee van zijn broers zich aangesloten bij de PKK en is dit ook bekend geworden. In de huidige Syrische context worden personen snel verdacht van banden met de PKK of de SDF3, ook zonder bewijs. Eiser heeft ook verklaard dat zijn zwager recent is ontvoerd en mishandeld. De combinatie van eisers naam, afkomst en familieachtergrond maakt dat eiser een verhoogd risico loopt.
Verweerder stelt ten onrechte dat er in Aleppo sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Verweerder gaat in het bestreden besluit te makkelijk voorbij aan de bronnen die eiser in de zienswijze heeft aangehaald waarmee eiser heeft onderbouwd dat de situatie in Aleppo nog steeds onveilig, instabiel en veranderlijk is. Eiser heeft ook gewezen op de zeer slechte humanitaire situatie. Verweerder interpreteert de rechtspraak over het betrekken van humanitaire omstandigheden bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld te beperkt. Ook stelt verweerder ten onrechte dat etniciteit geen rol speelt bij het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet goed heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
Eiser heeft van september 1997 tot maart 2000 in militaire dienst gezeten. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens zijn dienstplicht soms twee à drie dagen vast zat in een cel omdat hij per ongeluk iets in het Koerdisch had gezegd.4 Verweerder heeft deze gebeurtenis geschaard onder discriminatie en zich op het standpunt gesteld dat de discriminatie die eiser eerder heeft meegemaakt niet zo ernstig was dat hij niet kon functioneren op maatschappelijk en sociaal gebied. Maar de rechtbank concludeert dat het enkele dagen vasthouden van iemand in een cel op grond van zijn etniciteit, een daad van vervolging is. Het feit dat iemand in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging moet worden beschouwd als een duidelijke aanwijzing dat iemands vrees voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.5 Verweerder heeft dit niet als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van eisers vrees voor vervolging bij terugkeer naar Syrië. Daarnaast heeft verweerder bij de beoordeling van eisers vrees eisers persoonlijke omstandigheden onvoldoende in samenhang beoordeeld, namelijk dat hij de Koerdische etniciteit heeft, dat hij herkenbaar is als Koerd aan zijn achternaam en dat zijn broers betrokken waren bij de PKK. Deze omstandigheden moet verweerder ook afzetten tegen de meest actuele informatie over Koerden in Syrië, dus niet alleen de Algemene Ambtsberichten over Syrië van mei 2025 en januari 2026 maar ook recentere rapporten van organisaties zoals het EUAA en recente nieuwsartikelen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.6
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
-
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.