ECLI:NL:RBDHA:2026:30184

Datum uitspraak
13-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL25.17904
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. De minister is er niet in geslaagd om het gebrek te herstellen, nu de minister het standpunt blijft innemen dat de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is. Het beroep is gegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.17904

V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

geboren op [geboortedatum] 1988, van Algerijnse nationaliteit,

(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Inleiding

1. Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 16 juli 2026 verwijst de rechtbank naar rechtsoverwegingen 1-1.8 van de tussenuitspraak.

1.1.

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om de gebreken in het besluit van 19 maart 2025 (het bestreden besluit) te herstellen.

1.2.

Bij het aanvullend besluit van 24 augustus 2026 (aanvullend besluit) heeft de minister gebruik gemaakt van de gelegenheid in het gebrek te herstellen.

1.3.

Op 22 september 2026 heeft eiser met een schriftelijke zienswijze gereageerd op het aanvullend besluit.

1.4.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 oktober 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er gebreken aan het bestreden besluit kleven. Allereerst heeft de rechtbank vastgesteld dat het referentiekader dat de minister bij het bestreden besluit heeft betrokken onvolledig is, waarbij de minister onder meer bij het referentiekader had moeten betrekken dat eiser uit een omgeving komt waarin het moeilijk is om openlijk over zijn homoseksuele gerichtheid te praten en in welke mate van eiser verwacht kan worden dat hij kan verklaren over zijn homoseksuele gerichtheid. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn eerste seksuele ervaring moet worden aangemerkt als misbruik. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister eisers homoseksuele gerichtheid ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser tijdens de opeenvolgende gehoren in een periode van zes jaar een proces van ontwikkeling laten zien, waarbij de hoofdlijn is dat hij steeds opnieuw verklaart alleen op mannen te vallen en ook alleen liefdesrelaties met mannen heeft gehad. Dit betekent dat de rechtbank de homoseksuele gerichtheid van eiser geloofwaardig acht.

2.1.

Om het gebrek te herstellen, heeft de rechtbank de minister opgedragen om met landeninformatie te onderbouwen wat eisers homoseksuele gerichtheid betekent voor zijn gegronde vrees voor vervolging dan wel reëel risico op ernstige schade. De rechtbank acht de beschikbare actuele landeninformatie over Algerije te beperkt om zelf in de zaak te kunnen voorzien.

Motivering aanvullend besluit

3. In het aanvullend besluit stelt de minister dat het primaire standpunt dat eisers homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is, wordt gehandhaafd. Subsidiair wordt het standpunt ingenomen dat eiser gezien zijn situatie, het procedureverloop met inachtneming van de opdracht van de rechtbank, geen gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister baseert dat op algemene en actuele landeninformatie waaruit blijkt dat de Algerijnse overheid niet actief vervolgt op basis van LHBTI+-wetgeving. Eiser krijgt volgens de minister niet te maken met het verbod op een huwelijk tussen partners van hetzelfde geslacht, omdat hij heeft verklaard niet te willen trouwen. Dit verbod levert volgens de minister daarom geen beperkingen op ten aanzien van de uiting van zijn homoseksuele gerichtheid. Verder is niet gebleken dat eiser

(LHBTI+-)activist is en heeft eiser zestien jaar in Algerije geleefd zonder problemen met zijn familie of met de autoriteiten. Dit alles maakt volgens de minister dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een risico op ernstige schade bij terugkeer naar Algerije loopt vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. De minister verwijst daarvoor ook nog naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 9 augustus 20181 en de uitspaak van de Afdeling2 van 26 oktober 20183.

Zienswijze van eiser

4. Eiser heeft in zijn zienswijze naar voren gebracht dat de minister het uitgangspunt dat de rechtbank zijn homoseksuele gerichtheid geloofwaardig heeft geacht, heeft miskend. De geloofwaardigheid over de homoseksuele gerichtheid behoort niet meer tot het te herstellen gebrek. Dat de minister subsidiair een risicoanalyse verricht, neemt deze onjuistheid niet weg. Daarnaast baseert de minister zijn risicoanalyse niet op de meest recente en beschikbare landeninformatie. Eiser verwijst verder naar het arrest X,Y en Z4 van 7 november 2013 van het Hof van Justitie5 waarin is geoordeeld dat een gevangenisstraf wegens homoseksuele handelingen die daadwerkelijk worden toegepast een daad van vervolging kunnen vormen en dat geen terughoudendheid mag worden verlangd bij de uiting van zijn of haar homoseksuele gerichtheid om vervolging te vermijden. De minister komt daarom ten onrechte tot de conclusie dat eiser zestien jaar in Algerije heeft kunnen verblijven zonder dat hij wordt vervolgd. De minister had moeten kijken naar eisers risico bij terugkeer wanneer hij zijn homoseksuele gerichtheid niet hoeft te verbergen. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat eiser geen openlijke relatie met een man in Algerije kon aangaan en dat dit hem bang maakte. Dat eiser heeft verklaard dat hij niet zal willen trouwen, zegt zonder nadere motivering weinig over zijn vervolgingsrisico. Ten aanzien van het risico op ernstige schade van eiser bij terugkeer gaat het uitsluitend om de risico’s voor zijn maatschappelijke omgeving. Dat er eerder geen ernstige problemen met eisers familie zijn geweest, maakt niet dat zijn familie minder streng is of zich niet negatief uitlaat over zijn homoseksuele gerichtheid. Tot slot volstaan de verwijzingen van de minister in het aanvullend besluit naar de uitspraken uit 2018 niet nu de risicoanalyse moet worden gemaakt op grond van actuele informatie.

Beoordeling van de rechtbank

5. De rechtbank stelt vast dat de minister het standpunt blijft innemen dat de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is. De rechtbank heeft dat geschilpunt in de tussenuitspraak beslecht. Als de minister zich niet kon vinden in de tussenuitspraak, dan had het voor de hand gelegen dat de minister ofwel had laten weten het gebrek niet te herstellen om vervolgens (na einduitspraak) in hoger beroep te gaan ofwel zich erbij neer had gelegd om vervolgens uitgaande van de homoseksuele gerichtheid de beoordeling te maken over de gegronde vrees voor vervolging dan wel reëel risico op ernstige schade. Het is de rechtbank onduidelijk waarom de minister heeft aangegeven het gebrek te herstellen en tegelijkertijd het standpunt te blijven innemen dat de homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig wordt geacht. Met het door de minister gehandhaafde standpunt dat eisers homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig is, kan het aanvullend besluit daarom niet in stand blijven. Aan het bespreken van de zienswijze komt de rechtbank dan ook niet toe.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op de in de tussenuitspraak en deze uitspraak geconstateerde gebreken is het beroep gegrond. Nu de minister er tot tweemaal toe niet in is geslaagd de afwijzing van de asielaanvraag deugdelijk te motiveren, ziet de rechtbank geen aanleiding om (wederom) binnen het kader van deze beroepsprocedure de mogelijkheid tot herstel te bieden. Eiser heeft zijn asielaanvraag in 2019 ingediend. Dat in ogenschouw genomen dient de minister niet langer de tijd te nemen dan volstrekt noodzakelijk om opnieuw op eisers asielaanvraag te beslissen. Dat de procedure al lang duurt en eiser al die tijd al in onzekerheid zit, is naar het oordeel van de rechtbank ook iets dat die minister bij de besluitvorming dient te betrekken. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit en het aanvullend besluit vernietigen en de minister opdragen om binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen op de aanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak.

7. De rechtbank ziet verder aanleiding om aan de minister een dwangsom op te leggen vanwege de lange duur van de procedure. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb dat de minister een dwangsom verbeurt als hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze dwangsom om de minister te stimuleren om spoedig te beslissen

8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus en 2 punten voor het verschijnen op de zitting van 31 maart 2026 en 17 juni 2026 met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Dat betekent dat een totaal bedrag van € 3.269,- wordt toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 19 maart 2025 en het aanvullend besluit van 24 augustus 2026;

- draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;

- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.269,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »