ECLI:NL:RBDHA:2026:29747

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/09/671623
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Partijen hebben (in elk geval) een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. De man heeft de administratie van de eenmanszaak van de vrouw gedaan en partijen hebben een aantal jaren samen een maatschap gehad. In deze zaak staan centaal de vragen of de man de door hem aan de eenmanszaak van de vrouw verstrekte lening nog kan terugvorderen of dat zij deze reeds heeft voldaan en 2. welke vordering de eenmanszaak van de vrouw op de maatschap van partijen heeft.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/671623 / HA ZA 24-724

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

[de man] ,

te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verweerder in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.M. Dellebeke,

tegen

[de vrouw] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.M.E. van Veen-Oudenaarden.

1 Waar gaat deze zaak over?

1.1.

Partijen hebben (in elk geval) een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. De man heeft administratieve werkzaamheden gedaan voor de eenmanszaak van de vrouw en partijen hebben een aantal jaren samen een maatschap gehad. In deze zaak staan centraal de vragen 1. of de man de door hem aan de eenmanszaak van de vrouw verstrekte lening nog kan terugvorderen of dat zij deze reeds heeft voldaan en 2. welke vordering de eenmanszaak van de vrouw op de maatschap van partijen heeft.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt, voor zover van belang, uit:

- de dagvaarding van de man van 16 augustus 2024, met 13 producties;

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van de vrouw van 20 november 2024, met 36 producties;

- de regiezitting van 21 januari 2026, waarbij de zaak naar de rol is gewezen voor het nemen van een conclusie van antwoord in reconventie;

- de conclusie van antwoord in reconventie van de man van 3 juni 2026 met producties 14-21;

- het tussenvonnis van 24 juni 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

- de aktes overlegging producties van de man met respectievelijk producties 22 en 23 en productie 24;

- de akte overlegging producties van de vrouw met productie 37;

- de per e-mail van 24 augustus 2026 door de rechtbank aan partijen verzonden zittingsagenda;

- de per e-mail door de vrouw op 24 augustus 2026 toegezonden stukken.

2.2.

Op 27 augustus 2026 is een mondelinge behandeling gehouden. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht. Tevens hebben mw. [de boekhouder] , boekhouder, en mevrouw [naam] , verbonden aan [adviesbureau] , informatie verschaft. De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen verder door partijen is gezegd.

2.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

Huwelijk in [plaats] en huwelijke voorwaarden

3.1.

In 2017 hebben partijen elkaar leren kennen. Zij zijn op [datum] 2017 met elkaar in [plaats] , [land] , gehuwd. Dit huwelijk is in Nederland niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Op 20 mei 2020 hebben partijen de notariële ‘Akte houdende huwelijkse voorwaarden staande huwelijk en verdeling huwelijksgemeenschap’ laten opmaken. Hierin is onder meer opgenomen dat partijen hebben verklaard dat zij op [datum] 2017 beiden in tweede echt in [plaats] in het huwelijk zijn getreden, dat zij geen huwelijksvoorwaarden hebben gemaakt, dat hun huwelijksvermogensregime wordt beheerst door Nederlands recht en dat zij destijds gehuwd zijn in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen, dat zij de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk willen wijzigen en dat zij de bestaande algehele gemeenschap van goederen willen verdelen. Partijen zijn vervolgens kort gezegd koude uitsluiting overeengekomen, hebben afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van de huishouding met een vervalbeding, hebben periodieke en finale verrekening uitgesloten en hebben de ontbonden algehele gemeenschap van goederen tot genoegen verdeeld.

3.3.

Op 12 november 2025 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Zij heeft in die procedure op 15 juli 2026 een gewijzigd verzoekschrift ingediend, waarin ze primair verzoekt het door partijen gesloten huwelijk nietig te verklaren op de grond dat zij ten tijde van het huwelijk nog met een andere man was gehuwd, en subsidiair om de echtscheiding uit te spreken. Deze procedure loopt nog.

Financiële en zakelijke verwevenheid, eenmanszaak van de vrouw, maatschap van partijen

3.4.

Partijen hadden een gezamenlijke huishouding. Zij hadden elk privérekeningen en ook een gezamenlijke rekening. Zij hebben niet afgesproken welke bedragen zij ieder ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding op de gemeenschappelijke rekening zouden storten.

3.5.

De vrouw is tandarts en oefende haar praktijk sinds augustus 2003 uit in de vorm van een eenmanszaak, aanvankelijk onder de naam [handelsnaam 1] , en gedurende een periode onder de naam [handelsnaam 2] en laatstelijk wederom onder de naam [handelsnaam 3] . De vrouw heeft haar eenmanszaak onlangs verkocht. Zij is thans werkzaam als ZZP-er.

3.6.

De man heeft, al dan niet als werknemer, administratieve werkzaamheden verricht voor de eenmanszaak. Hij had in dat kader (net als de vrouw) de beschikking over een bankpas en de toegang tot betalingssystemen van de eenmanszaak.

3.7.

Op 1 januari 2021 hebben partijen een maatschapsovereenkomst gesloten voor orthodontiewerkzaamheden ( [maatschap] ). Partijen hebben daarin, voor zover van belang, afgesproken dat zij beiden hun arbeidskracht, vlijt en kennis zouden inbrengen en dat de winsten en verliezen van de maatschap door partijen gelijkelijk worden genoten en gedragen.

3.8.

Eveneens op 1 januari 2021 hebben de eenmanszaak enerzijds en de maatschap anderzijds een huurovereenkomst (onderhuur) gesloten voor onbepaalde tijd met betrekking tot de huur van praktijkruimte in het pand waarin de eenmanszaak is gevestigd. De huurprijs bedroeg bij aanvang € 24.000,- per jaar.

3.9.

De vrouw was in de maatschap belast met de (oorspronkelijk in de eenmanszaak verrichte) orthodontiebehandelingen en de man met de administratie in brede zin en met het bespreken van behandelplannen. Bij de uitvoering van de werkzaamheden in de maatschap zijn personeelsleden van de eenmanszaak ingezet en is ook materiaal van de eenmanszaak gebruikt. De man heeft ten behoeve van de administratie een boekhouder uitgezocht, eerst de VvAA en later heeft hij administratiekantoor [de boekhouder] (hierna de boekhouder) ingeschakeld.

Geldlening

3.10.

In de Coronaperiode had de eenmanszaak van de vrouw het financieel moeilijk. In juni 2020 hebben partijen hierom mondeling afgesproken dat de man geld zou lenen aan de eenmanszaak van de vrouw. Op 22 juni 2020 heeft de man in dit verband € 35.000 overgemaakt aan de vrouw onder vermelding ‘veel plezier ermee’. Op 22 juni 2020 is € 5.000 van de rekening van de eenmanszaak aan de man overgemaakt onder vermelding ‘retour zoals afgesproken’. Op 26 juni 2020 heeft de man € 70.000 overgemaakt aan de vrouw, zonder nadere omschrijving. Op 7 oktober 2020 heeft de man € 10.000 overgemaakt naar de eenmanszaak, zonder nadere omschrijving.

3.11.

In december 2020 hebben partijen de geldlening op papier gezet. Het (niet ondertekende) stuk ‘Schuldbekentenis en overeenkomst van geldlening’ behelst de door partijen gemaakte afspraken en houdt onder meer het volgende in:

“De ondergetekenden:

1) mevrouw [de vrouw] (…) hierna te noemen de schuldenaar, verklaart wegens ter leen ontvangen gelden schuldig te zijn aan:

2) de heer [de man] , hierna te noemen schuldeiser,

de som van € 120.000,= euro, zegge honderdtwintigduizend euro, hierna te noemen de hoofdsom.

De navolgende bepalingen zijn van toepassing:

Over de hoofdsom of het na aflossing resterende gedeelte ervan is met ingang van één januari 2021 een rente verschuldigd van 4% op jaarbasis, te voldoen op de eerste van de maand, voor het eerst op één januari 2021.

De looptijd van de lening bedraagt 10 jaar, te rekenen vanaf één januari 2021. De lening wordt lineair afgelost en wel volgens aangehecht schema. (…)

De hoofdsom of het na aflossing resterende gedeelte ervan is te allen tijde direct zonder voorafgaande waarschuwing of ingebrekestelling opeisbaar wanneer (…) en in het algemeen bij overtreding of niet nakoming van enige verplichting jegens de schuldeiser. Alle betalingen moeten geschieden op de wijze en ter plaatse als de schuldeiser zal aangeven, zonder korting en/of compensatie. (…)

Alle kosten welke de schuldeiser naar haar oordeel moet maken tot uitoefening van zijn rechten en alle verdere kosten waartoe deze geldlening aanleiding mocht geven (…) zijn voor rekening van de schuldenaar. (…)”

In het aangehechte schema is vermeld dat de maandelijkse aflossing in de periode 1 januari 2021 - december 2030 € 1.000 bedraagt en dat het rentepercentage 4,00% is. Verder is de rente in de maand januari 2021 op € 400 gesteld en daarna, in verband met de afgenomen hoofdsom, maandelijks telkens op een iets lager bedrag.

3.12.

Op 16 januari 2021 heeft de man € 17.000 overgemaakt aan de eenmanszaak, zonder nadere omschrijving. De boekingen genoemd onder 3.10 en 3.12 zijn alle verwerkt op grootboekrekening 1807 van de eenmanszaak onder vermelding ‘Soort transactie Lening [de man] ’.

Strubbelingen ontstaan

3.13.

Vanaf omstreeks 2021 heeft de vrouw de man er herhaaldelijk schriftelijk op aangesproken dat hij zijn taken verwaarloosde. De boekhouding was niet op orde. De boekhouder heeft meermalen stukken bij de man opgevraagd en niet gekregen. De verstandhouding tussen de man en de boekhouder is vervolgens ook verstoord geraakt.

3.14.

In september 2023 is de affectieve relatie tussen partijen geëindigd.

Voortgang maatschap

3.15.

Bij brief van 12 oktober 2023 heeft de advocaat van de man aan de vrouw verzocht om een gesprek over de praktijk. Hierop heeft de vrouw diezelfde dag per e-mail onder meer geantwoord dat de continuïteit in het geding is, dat de man de administratie op zich zou nemen en dat hij dit heeft verzuimd, dat de man zegt een plan te hebben en dat zij dat graag eerst op papier ontvangt alvorens een gesprek aan te gaan.

3.16.

Bij brief van 21 oktober 2023 heeft de vrouw (zekerheidshalve) de maatschap opgezegd per 1 november 2024, welke opzegging effectief zou zijn per 1 mei 2024. Zij heeft daarnaast geprobeerd de samenwerking met de man binnen de maatschap vlot te trekken, zodat de maatschap niet daadwerkelijk behoefde te worden ontbonden.

3.17.

In dat kader heeft zij de dag ervoor, op 20 oktober 2023, onder meer aan de man geschreven:

“ Gisteren was je hier om je plan te presenteren. Er is geen plan gepresenteerd. Je blijft dreigen met alles uit elkaar trekken en alles kapot te laten gaan. (…) Ik ben bereid samen te werken, ik ben bereid jou nog een (laatste) kans te geven. Maar alleen als jij nu daadwerkelijk de zaken op je gaat nemen die je al zo lang op je zou nemen. Namelijk [maatschap] tot een succes maken door te werken aan acquisitie. En zaken bij te houden en uit te voeren. Zoals nieuwe patiënten bellen, afspraken inplannen, facturen versturen, vragen beantwoorden. (…) Bijgaand een voorstel om van [maatschap] wel een succes te maken. Een overzicht van (…) geld dat vanaf de zakelijke rekeningen naar jou is overgemaakt. Graag betalingen vandaag nog naar mijn rekening zodat ik zaken kan gaan betalen en voor jou en mij de problemen kan afwenden.”

Bijgevoegd was een stuk getiteld ‘Concreet voorstel samenwerking [maatschap] 19 oktober 2023-v1’.

3.18.

De verstandhouding tussen partijen is niet hersteld.

3.19.

Per 29 september 2023 is de bevoegdheid die de man had op bankrekeningen van de eenmanszaak beëindigd. Met ingang van 23 maart 2024 is, na een ruzie, de man de toegang tot de gehuurde praktijkruimte ontzegd.

3.20.

De maatschap is per 1 mei 2024 ontbonden. De maatschap is geëindigd met een negatief saldo van ruim € 230.000. De eenmanszaak heeft ten behoeve van de maatschap de vorderingen van de externe crediteuren à ruim € 90.000 voldaan. Op 30 april 2024 is de huurovereenkomst tussen de eenmanszaak en de maatschap beëindigd.

Voortgang geldlening

3.21.

Op 6 maart 2024 heeft de advocaat van de man bij de vrouw de geldlening opgeëist van € 120.000,- in hoofdsom, aanspraak gemaakt op de contractuele rente en de buitengerechtelijke incassokosten en heeft hij de vrouw, voor zover nodig, gesommeerd het openstaande bedrag van € 138.111,05 te voldoen voor 13 maart 2024. Deze sommatie is op 15 juli 2024 herhaald, nu voor een totaalbedrag van € 139.864,89.

Aangifte bij de politie

3.22.

Op 28 juli 2024 heeft de vrouw tegen de man aangifte bij de politie gedaan van diefstal/verduistering. De vrouw heeft hierbij voor zover van belang verklaard dat zij zich niet bezig hield met de financiële kant van de praktijken en dat ze er achter is gekomen dat de man hele grote bedragen naar zichzelf had overgemaakt. Dit betrof opnames door de man vanaf de gezamenlijke zakelijke rekening van de maatschap (minstens € 40.000) en van de zakelijke rekening van de eenmanszaak (minstens € 83.000 en € 26.000).

Financiële afwikkeling maatschap en geldlening

3.23.

Op 16 oktober 2024 heeft de boekhouder per e-mail aan partijen de jaarrekeningen van de maatschap over de jaren 2021-2024 aan partijen verzonden. Zij heeft voor haar werkzaamheden op 20 oktober 2024 vier facturen verstuurd, tot een bedrag van € 13.575, exclusief BTW, € 16.425,75 inclusief BTW.

3.24.

Op 24 oktober 2024 heeft de boekhouder partijen de stukken met de afronding van de boekhouding per e-mail toegezonden, inclusief de eindafrekening van de maatschap:

“Conform jullie opdracht ontvangen jullie hierbij de stukken mbt de afronding van de boekhouding tot 1 mei 2024. Hiermee kunnen jullie de verdeling verder voortzetten.

Bijgaand vinden jullie de volgende stukken:

1.372 Overzicht lening [de man] : Op dit overzicht vinden jullie het overzicht van de lening welke [de man] aan [handelsnaam 3] heeft gegeven. Hierop zijn ook alle terugbetalingen vanuit [handelsnaam 3] aan [de man] verwerkt. Alle overboekingen naar de prive rekeningen zijn hierop geboekt, te weten, overboekingen naar [de man] zijn privérekening voor 100% en naar de gezamenlijke rekening voor 50%;

2.372 Rekening-Courant [maatschap] : Hierop zijn alle bedragen verwerkt welke zijn betaald uit [handelsnaam 3] voor [maatschap] en andersom;

3.372 Openstaande posten [maatschap] per 30/4/2024 die zijn omgezet naar [handelsnaam 3] en [de vrouw] derhalve nu aan het afbetalen is;

4.372 Doorbelastingen van [handelsnaam 3] naar [maatschap] over alle jaren, conform de huurovereenkomst en afspraken die gemaakt zijn;

372. Overzicht verrekening [de man] - [de vrouw] : Samenvatting van de hierboven genoemde bijlages;

De jaarrekeningen van [maatschap] over de jaren 2021-2024 had ik al eerder toegestuurd, maar die heb ik voor de volledigheid nogmaals bijgesloten.

Al met al is het in zijn geheel heel veel uitzoekwerk geweest, omdat er nogal wat stukken ontbraken. Tevens bleek er veel post niet ingescand te zijn en zich nog in allerlei enveloppen te bevinden. Wij hebben al deze enveloppen uitgezocht en geboekt in de administratie.

Daarnaast waren er veel bedragen betaald vanuit [maatschap] terwijl de factuur in [handelsnaam 3] zat en andersom. Wij hebben dit voor iedere onbekende betaling per stuk na moeten kijken. (..)

De reservering voor de administratiekosten hebben wij meegenomen in de cijfers. Deze post is overgeboekt naar [handelsnaam 3] , vanwaar ze ook uiteindelijk betaald gaan worden.

Na beëindiging van [maatschap] heeft [de vrouw] alle openstaande posten en nog te betalen bedragen overgenomen en is op dit moment nog bezig met het afbetalen. (…)”

Op het overzicht 1.372 ‘Grootboekrekening 1808 - Lening [de man] ’ zijn, naast ongespecificeerde creditcardopnames en overboekingen naar de gezamenlijke rekening van partijen en naar de privérekening van de man (dikwijls zonder omschrijving), ook pintransacties bij supermarkten en levensmiddelenwinkels, benzinestations, een apotheek en een boete ter zake van onverzekerd rijden e.d. geboekt. Ook is een aantal malen aflossing lening van de man vermeld.

Op het overzicht 2.327 ‘Grootboekrekening 1620 - Rekening Courant [maatschap] ’ zijn onder meer geboekt voor [maatschap] gemaakte personeelskosten, materiaalkosten en huur.

Het overzicht 3.372 ‘Grootboekrekening 1621 - Rekening Courant [maatschap] inzake einde VOF’ sluit op een totaalbedrag van € 90.604,07 aan externe crediteuren zoals [crediteur] .

In het overzicht 372 is in het kader van de verrekening tussen partijen vermeld dat de vrouw ter zake van de door de man verstrekte lening, gezien de in 2021-2024 verrichte aflossingen, nog € 15.301,51 van de man te vorderen heeft, dat [handelsnaam 3] nog € 50.073,82 aan de maatschap moet voldoen, dat € 90.604,07 aan openstaande posten vanuit [maatschap] naar [handelsnaam 3] is overgeboekt, en dat een bedrag van € 193.152,36 aan kosten door [handelsnaam 3] aan [maatschap] wordt doorbelast volgens afspraak, hetgeen tot een totale vordering van de vrouw op de man leidt van € 203.682,09.

3.25.

Bij brief van 25 oktober 2024 heeft de advocaat van de vrouw onder meer aan de advocaat van de man geschreven:

‘In het kader van het afwikkelen van deze geschillen heeft [de vrouw] herhaaldelijk aan [de man] laten weten, dat eerst een eindafrekening moet worden opgesteld in het kader van de afwikkeling van de maatschap, voordat duidelijk wordt of [de vrouw] nog enig bedrag aan [de man] verschuldigd is, of dat [de man] juist nog een bedrag aan [de vrouw] verschuldigd is. (…) In de eindafrekening is rekening gehouden met de verrekeningen die - conform het maatschapscontract – nog moesten worden gedaan tussen [handelsnaam 3] en [maatschap] . (…)

Uit de eindafrekening blijkt dat [de vrouw] per saldo (ná verrekening met de verstrekte lening) nog een bedrag van € 203.682,09 van [de man] te vorderen heeft. De bijgewerkte administratie en toelichting waaruit deze vordering van [de vrouw] op [de man] blijkt treft u bijgaand aan. Ik ga ervan uit dat [de man] de door [de boekhouder] opgemaakte jaarrekeningen en eindafrekening reeds in goede orde heeft ontvangen. De jaarrekeningen waren eerder aan partijen toegestuurd en de juistheid daarvan werd door [de man] overigens niet betwist. (…)

3.26.

Op 29 oktober 2024 heeft de advocaat van de man daarop als volgt gereageerd:

“Het is juist dat de maatschap tussen partijen nog moet worden afgewikkeld. Het betreft niet alleen het opstellen van de eindafrekening, maar ook de verdeling van (de waarde van) de maatschap. Die afrekening en verdeling zal nog moeten plaatsvinden. Het behoeft geen uitleg dat zolang die bedragen nog niet vaststaan, er niets verrekend kan worden. Dit nog even los van de vraag of aan de overige vereisten voor rechtsgeldige verrekening is voldaan. (…) Uw opmerking dat de boekhouder [de boekhouder] de juiste partij zou zijn voor het opstellen van de eindafrekening is onjuist. Zij heeft al enige tijd geleden aangegeven de heer [de man] niet meer te woord te willen staan. (…) Ook heeft de heer [de man] de jaarrekeningen niet van mevrouw [de boekhouder] ontvangen. Dat de heer [de man] nog een bedrag ad EUR 203.682,09 aan mevrouw [de vrouw] verschuldigd zou zijn wordt uitdrukkelijk betwist. (…)

Kaart / Grootboekrekening [handelsnaam 3] – lening aan MS [de man]

1. Iedere toelichting waarom deze kosten voor rekening van de heer [de man] zouden moeten komen, ontbreekt. Wat is de grondslag voor het doorbelasten van deze kosten aan de heer [de man] ? Liggen daar overeenkomsten aan ten grondslag? (…)

Fiscale jaarstukken – [maatschap] V.O.F.

9. Wat is de relevantie van deze fiscale jaarstukken? Zijn er (originele) commerciële jaarrekeningen opgesteld? Zo ja, dan ontvang ik daar graag een kopie van.

Verzoek aanleveren (aanvullende) documenten

10. Teneinde de vermeende vordering van mevrouw [de vrouw] nader te kunnen beoordelen, ontvang ik graag de originele jaarrekeningen van [handelsnaam 3] / [handelsnaam 2] van de afgelopen vijf jaar.

Ook verneem ik graag waarom er tot op heden geen enkele jaarrekening in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is gedoneerd. Dezelfde documentatie ontvang ik graag eveneens van de maatschap.

11. Ook ontvang ik graag een uitdraai van alle bankafschriften van [handelsnaam 3] van de afgelopen vijf jaar, zowel in PDF als in Excelformat. Dezelfde documentatie ontvang ik graag eveneens van de maatschap. Alvast bedankt voor het aanleveren. De heer [de man] treedt graag in overleg over het inschakelen van een onafhankelijke boekhouder/deskundige. (…)”

3.27.

Op 12 augustus 2026 heeft mevrouw [naam] , verbonden aan [adviesbureau] , op verzoek van de man het rapport ‘Financiële afwikkeling [de man] - [de vrouw] ’ (hierna: het rapport [adviesbureau] ) over een aantal specifieke kwesties uitgebracht.

Beslagen

3.28.

Op 5 augustus 2024 heeft de man, na tevoren verkregen verlof, conservatoir (derden)beslag gelegd op de woning van de vrouw en op diverse bankrekeningen van de vrouw.

3.29.

De beslagen zijn onlangs opgeheven, nadat partijen de afspraak hadden gemaakt dat voor wat betreft de in dit geding aan de orde gestelde kwesties zo nodig via een door de vrouw (uit de verkoop van haar woning verkregen) in depot onder de notaris gestort bedrag van € 75.000 zou kunnen worden verrekend.

4 Het geschil

In conventie

4.1.

De man vordert in conventie - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen tot:

1. betaling aan de man van een bedrag van € 120.000,- aan hoofdsom, te vermeerderen met de op grond van de geldlening verschuldigde rente over de hoofdsom van 4%, vanaf 1 januari 2021, althans vanaf datum dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

2. betaling aan de man van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.975,-, met wettelijke rente vanaf datum dagvaarding dan wel tot aan de datum der algehele voldoening;

met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding, waaronder de beslagkosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

4.2.

De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

In reconventie

4.3.

De vrouw vordert in reconventie - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 132.142,82, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 november 2024 tot de dag der algehele voldoening;

II. primair te oordelen dat de beslagen ten laste van de vrouw zijn opgeheven, dan wel als opgeheven dienen te worden beschouwd, subsidiair de man te veroordelen de beslagen op te heffen, op straffe van een dwangsom,

met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

4.4.

De man heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten met inbegrip van de nakosten.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

In conventie

Geldlening - welk bedrag is er geleend?

5.1.

Tussen partijen staat vast dat de man in de Coronaperiode geld heeft geleend aan de eenmanszaak van de vrouw. Tussen partijen is niet in geschil dat de gehele lening direct opeisbaar is op het moment dat enige verplichting uit de overeenkomst door de vrouw niet wordt nagekomen. Partijen strijden over de hoogte van het geleende bedrag en ook over de vraag of de lening volledig dan wel gedeeltelijk is terugbetaald.

5.2.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Partijen hebben de in juni 2020 mondeling gesloten overeenkomst van geldlening later (in december 2020) op papier gezet (zie 3.11). Zij zijn het erover eens dat deze (niet-ondertekende) overeenkomst de tussen hen gemaakte afspraken behelst; zij geven daar echter voor wat betreft de hoogte van het geleende bedrag iedere een andere uitleg aan. De rechtbank moet dus de tussen hen gesloten overeenkomst uitleggen. In zo’n geval geldt op grond van de bekende Haviltexformule als maatstaf dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

5.3.

In de op schrift gestelde overeenkomst van geldlening is als hoofdsom vermeld € 120.000. Tussen partijen staat verder vast dat op het moment van het op schrift stellen van de overeenkomst van lening een bedrag van € 110.000 was uitgeleend. Verder staat inmiddels vast dat de man aan de eenmanszaak de in (3.10 en 3.12) vermelde bedragen heeft overgemaakt, die alle (door de boekhouder, naar de rechtbank aanneemt: in overleg met de vrouw) in rekeningcourant zijn geboekt onder vermelding ‘Soort transactie – lening [de man] ’.

Gelet op het per december 2020 geleende/ontvangen bedrag en gezien de bewoordingen ‘wegens ter leen ontvangen gelden’ (onderstreping rechtbank) bepleit de vrouw dat moet worden uitgegaan van een hoofdsom van € 110.000, en niet van een hoofdsom van € 120.000. De man op zijn beurt meent nu dat, gezien de betalingen genoemd onder 3.10 en 3.12, de onder de overeenkomst geleende hoofdsom op € 122.000 moet worden gesteld.

Onduidelijk is gebleven wat partijen hierover verder nog met elkaar hebben besproken. Het lijkt erop dat de destijds betrokken boekhouder deze tekst zekerheidshalve heeft opgesteld. Bij gebrek aan andere aanknopingspunten gaat de rechtbank ervan uit dat partijen kennelijk voor ogen heeft gestaan dat minimaal tot het in de overeenkomst genoemde bedrag aan hoofdsom zou worden geleend onder de in die overeenkomst genoemde voorwaarden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man binnen korte tijd na het opstellen van de overeenkomst nog een bedrag van € 17.000 aan de eenmanszaak heeft overgemaakt, waarmee hij de facto in ieder geval een bedrag van € 120.000 aan de eenmanszaak heeft geleend. Nu de man wel zijn standpunt maar niet zijn vordering heeft gewijzigd, gaat de rechtbank in dit geding uit van een gevorderde hoofdsom van € 120.000.

Welk bedrag is er terugbetaald?

5.4.

Uit het door partijen in zoverre onvoldoende bestreden rapport [adviesbureau] (pag. 16) is genoegzaam gebleken dat de vrouw in elk geval een bedrag van € 18.300 heeft terugbetaald. Dit bedrag is - zo blijkt uit de onderliggende stukken - opgebouwd uit de volgende terugbetalingen: € 3.000 (3-12-2021), € 3.000 (15-12-2021), € 5.000 (20-12-2021), € 1.800 (27-2-2023), € 1.500 (26-7-2023), € 2.000 (29-12-2023), € 2.000 (19-1-2024).

5.5.

De vrouw heeft echter aangevoerd dat zij de geldlening al volledig heeft voldaan. De vrouw betoogt hiertoe het volgende. Zij is na het uiteengaan van partijen in de administratie gedoken. Ze is toen geschrokken van alle betalingen/pinopnames die de man vanuit de eenmanszaak heeft verricht. Zij heeft hierom bij de politie aangifte van diefstal/verduistering gedaan (zie 3.22). De boekhouder heeft er (naar de rechtbank aanneemt: in overleg met de vrouw) voor gekozen om allerlei pinbetalingen bij supermarkten, het kaashuis, de benzinepomp, de apotheek etc. in rekening-courant af te boeken op de door de man aan de eenmanszaak van de vrouw verstrekte lening. Verder zijn onder meer overboekingen naar de privérekening van de man voor 100% afgeboekt op de lening en overboekingen naar de gezamenlijke privérekening voor 50% (zie 3.24). Aldus is de lening voldaan. De man heeft dit betwist en aangevoerd dat hiervoor geen juridische grondslag bestaat.

5.6.

De rechtbank volgt het betoog van de man. Het is, ook als er van moet worden uitgegaan dat de man alle pinopnames bij het kaashuis e.d. en betalingen van de rekening van de eenmanszaak heeft verricht, juridisch niet mogelijk om deze transacties eenzijdig achteraf aan te merken als terugbetaling op de door de man aan de eenmanszaak van de vrouw verstrekte lening. Ditzelfde geldt voor boekingen van creditcardbetalingen en betalingen aan de gemeenschappelijke rekening van partijen of aan de privérekening van de man. Er kunnen om allerlei redenen bedragen van de rekening van de eenmanszaak zijn overgemaakt, bijvoorbeeld om daarmee in de kosten van de gezamenlijke huishouding te voorzien of om onderling bepaalde betalingen te verrekenen. Nu is gesteld noch gebleken dat partijen het erover eens zijn dat deze pinopnames en betalingen als terugbetaling op de lening mogen worden beschouwd, kan niet worden geconcludeerd dat de vrouw meer heeft afgelost dan € 18.300. Op het moment dat de man haar voor het eerste sommeerde, was zij, volgens het aan de overeenkomst gehechte schema, al in verzuim. Het restant van de hoofdsom is dus opeisbaar.

5.7.

Vaststaat dat de vrouw vanaf 1 januari 2021 over het geleende bedrag 4% rente verschuldigd is. Met inachtneming van de in 5.4 vermelde aflossingen zal de vordering van de man worden toegewezen, op de in de beslissing vermelde wijze.

5.8.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn als niet dan wel onvoldoende weersproken en op de wet gegrond toewijsbaar. Dat geldt ook voor de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten.

5.9.

Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat de man, onder verwijzing naar het rapport [adviesbureau] , pag. 16 en bijlage 3, nog heeft aangevoerd een bedrag voor de eenmanszaak te hebben voorgeschoten van € 48.616 en daarover wettelijke rente vergoed te willen krijgen. Nu zijn vordering in conventie hierop niet is gebaseerd, en dit punt voor de behandeling van de vordering in reconventie niet relevant is, laat de rechtbank dit verder onbesproken. De vrouw heeft deze vordering overigens betwist. Hetzelfde geldt voor de door de man uit hoofde van de door hem gestelde dienstbetrekking met de eenmanszaak op de vrouw gepretendeerde vordering. Ook deze vordering kan hier onbesproken blijven.

In reconventie

5.10.

De vrouw heeft het door haar in reconventie gevorderde bedrag van € 132.142,82 als volgt onderbouwd. De maatschap moet nog afrekenen met haar eenmanszaak in verband met gehuurde praktijkruimte, personeelskosten en techniekkosten dan wel materiaalkosten. De eenmanszaak (de vrouw) heeft aldus de volgende vorderingen op de maatschap, die bij helfte voor rekening van de man komen:

a. a) € 80.000 wegens afrekening nimmer betaalde huur tot 1 mei 2024; het aandeel van de man daarin bedraagt € 40.000;

b) € 94.114 wegens afrekening personeelskosten tot 1 mei 2024 op basis van een percentage van de omzet, waarbij de totale omzet van de eenmanszaak en de maatschap wordt gezien als 100%; het aandeel van de man daarin bedraagt € 47.057;

c) € 19.038 wegens afrekening techniekkosten dan wel materiaalkosten, deze kosten bedragen 8% van de omzet; het aandeel van de man daarin bedraagt € 9.519,98.

Dit leidt tot een vordering van de vrouw op de man van in totaal € 96.576,18.

5.11.

Daarnaast heeft de vrouw zich genoodzaakt gevoeld met gelden uit haar eenmanszaak ten behoeve van de maatschap alle nota’s van de externe crediteuren te voldoen, ten bedrage van € 90.604,07. Dit leidt tot een vordering van de vrouw op de man van (de helft van deze schuld à) € 45.302,94 (post d). Het totaal door de vrouw van de man te vorderen bedrag bedraagt hierom € 96.576,18 + € 45.302,94 =) € 141.878,22.

5.12.

De man heeft volgens de vrouw op zijn beurt een vordering op haar/de eenmanszaak van € 9.735,40. Hij heeft deze vordering vanwege verrekening van de rekening-courant tussen de eenmanszaak en de man enerzijds (opgesteld in verband met de door hem aan de eenmanszaak verstrekte, hiervoor besproken lening) en de rekening-courant tussen de eenmanszaak en de maatschap anderzijds. De vrouw heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat partijen allebei gebruik hebben gemaakt van hun privérekeningen en zakelijke rekeningen. Van de zakelijke rekeningen zijn niet alleen de zakelijke uitgaven gedaan, maar vooral ook veel privéuitgaven. Partijen hebben daar goed van geleefd, aldus de vrouw. Zij heeft op de rekening-courant tussen de eenmanszaak en de maatschap geboekt wat de eenmanszaak voor de maatschap heeft voorgeschoten (anders dan aan huur, personeel en techniek). Zij heeft op de rekening-courant tussen de eenmanszaak en de man de overboekingen naar de rekening van de man voor 100% geboekt en 50% van de betalingen aan de gezamenlijke rekening van partijen.

5.13.

Dit betekent dat de vrouw van de man te vorderen heeft (€ 141.878,22 min € 9.735,40 =) € 132.142,82.

5.14.

De man voert verweer. De rechtbank overweegt als volgt.

Vorderingen van de eenmanszaak op de maatschap

Achterstallige huur (post a)

5.15.

Partijen zijn het erover eens dat de maatschap de op grond van de met de eenmanszaak gesloten huurovereenkomst verschuldigde huurpenningen niet aan de eenmanszaak heeft voldaan en dat deze nog moeten worden betaald. Zij zijn het over de hoogte van het uitstaande bedrag in principe eens en ook over de omstandigheid dat zij deze post als vennoten 50-50 moeten dragen. De man meent evenwel dat hij niet hoeft mee te betalen aan de huurpenningen over de maanden dat hij niet in het pand mocht komen (maart-april 2024, rapport [adviesbureau] pag. 26 en 38).

5.16.

De rechtbank volgt de man hierin niet. De huurovereenkomst is niet met hem in persoon gesloten, maar met de maatschap. De maatschap kon nog wel van het pand gebruik maken en heeft dat ook gedaan. De man deelt verder mee per datum ontbinding van de maatschap mee in de bestaande verliezen (dan wel winsten) en tot datum ontbinding dienen de met de orthodontiebehandeling gemoeide opbrengsten in de maatschap te worden geboekt. Er is dus geen reden voor het oordeel dat de man over deze maanden niet aan de huur zou hoeven bijdragen, omdat de vrouw hem (na een ruzie) de toegang tot de praktijkruimte heeft ontzegd. Dit betekent dat de onder a) gevoerde post toewijsbaar is. Hieraan doet niet af dat de afwikkeling van de maatschap nog niet afgerond is. Met de afwikkeling van de maatschap heeft de eenmanszaak van de vrouw (als schuldeiseres) immers niets van doen. Het staat deze schuldeiseres in dit geval vrij de helft van haar op de maatschap gepretendeerde vordering bij de man als één van de vennoten op te vorderen.

Afrekening personeelskosten en techniekkosten dan wel materiaal kosten (posten b en c)

5.17.

Tussen partijen staat vast dat de maatschap personeel en materiaal van de eenmanszaak heeft gebruikt. Ook staat vast dat de maatschap daarvoor een redelijke vergoeding verschuldigd is aan de eenmanszaak. De man heeft ter zitting verklaard zich in het rapport [adviesbureau] (pag. 38) genoemde bedragen te kunnen vinden. Dat wil zeggen een bedrag à € 90.115 aan personeelskosten en een bedrag à € 24.203 aan techniekkosten. Partijen zijn het oneens voor de wijze van doorbelasting van deze kosten aan de maatschap.

5.18.

De rechtbank kan in dit geding niet vaststellen dat de hierover door de vrouw gestelde afspraken (afrekening op basis van een percentage van de omzet) tussen de eenmanszaak en de maatschap zijn gemaakt. De man heeft dit betwist. De maatschapsovereenkomst zegt hierover niets. Dat overeenstemming is bereikt over hetgeen de vrouw in haar ‘Concreet voorstel’ (zie 3.17) heeft vermeld is, tegenover de betwisting door de man, niet komen vast te staan. Evenmin is komen vast te staan dat de eenmanszaak en de maatschap over de wijze van doorbelasting van deze kosten op enig ander moment afspraken hebben gemaakt. Hierom kunnen de door de vrouw gevorderde bedragen niet worden toegewezen. Bij gebreke aan een duidelijke en onderbouwde stellingname kan de rechtbank ook niet vaststellen welke bedragen de maatschap hiervoor in redelijkheid aan de eenmanszaak verschuldigd is. De vordering van de vrouw wordt hierom in zoverre afgewezen.

Externe crediteuren van de maatschap (post d)

5.19.

Vaststaat dat de vrouw, via haar eenmanszaak, de externe crediteuren van de maatschap (zoals [crediteur] en de boekhouder) heeft voldaan. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat met deze post het in het rapport [adviesbureau] op pag. 38 genoemde bedrag van € 91.779 is gemoeid. Partijen hebben immers desgevraagd beiden uitdrukkelijk verklaard zich in dit bedrag te kunnen vinden. De rechtbank gaat hierom voorbij aan de latere mededeling van de man ter zitting dat hij bang is dat (naar de rechtbank begrijpt: voor de maatschap nadelige en voor de eenmanszaak van de vrouw gunstige) betaalafspraken zijn gemaakt over leveranties aan de eenmanszaak en aan de maatschap, in verband met openstaande facturen van [crediteur] . Gesteld noch gebleken is dat dergelijke afspraken daadwerkelijk zijn gemaakt. Nu ook deze post door partijen als vennoten 50-50 moet worden gedragen, en de eenmanszaak deze post voor de maatschap heeft voldaan, is het door de vrouw gevorderde bedrag van € 45.302,94 in beginsel toewijsbaar, zij het dat partijen strijden over de vraag of de man moet meebetalen aan de aan de onder 3.23 vermelde facturen van de boekhouder (rapport [adviesbureau] pag. 23 e.v., en bijlage 6). De vrouw meent van wel en de man van niet. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

5.20.

De boekhouder heeft voor haar werkzaamheden vier facturen verstuurd, tot een bedrag van € 13.575,- exclusief BTW. Deze werkzaamheden betroffen, blijkens de omschrijving op de facturen, het boeken van de administratie over geheel 2021, 2022, 2023 en de maanden januari - april 2024, het samenstellen van de jaarrekeningen over die jaren en het uitzoeken van overboekingen tussen de eenmanszaak en de maatschap. Dergelijke kosten moeten in beginsel bij helfte door de vennoten worden gedragen (zo volgt uit artikel 10 lid 3 van de maatschapsovereenkomst). De vrouw was ingevolge artikel 8 van de maatschapsovereenkomst zelfstandig bevoegd aan de boekhouder te vragen om de boekhouding op orde te maken. Bovendien kan er (gezien de in het rapport [adviesbureau] op pagina 24 aangehaalde e-mails, zie ook bijlage 6) in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat de man, die de boekhouder oorspronkelijk zelf had ingeschakeld, er op dat moment mee instemde dat zij de administratie ging opruimen en een en ander in orde ging maken. De boekhouder moest juist zoveel werk verzetten omdat de man zijn administratieve taken had verwaarloosd. De man is dus gehouden de helft van het door de boekhouder gefactureerde bedrag aan de vrouw te voldoen.

Aan dit oordeel doet niet af dat de man en de boekhouder gebrouilleerd zijn geraakt en ook niet dat de rechtbank verschillende door de boekhouder (naar de rechtbank aanneemt: in overleg met de vrouw gemaakte) keuzes niet onderschrijft. Voldoende aannemelijk is immers dat het overgrote deel van het door de boekhouder verrichte werk gemoeid was met het uitzoeken en het inboeken van de bedragen. Bij dat werk heeft ook de man baat gehad, getuige bijvoorbeeld de omstandigheid dat [adviesbureau] op zijn verzoek aan de hand daarvan heeft kunnen rapporteren.

Dit betekent dat het door de vrouw als post d) gevorderde bedrag van € 45.302,94 geheel kan worden toegewezen.

Voorgestelde verrekening onjuist en niet mogelijk

5.21.

De vrouw stelt dat de man nog een bedrag van € 9.735,40 van haar krijgt in verband met verrekening van de rekening-couranten. Zij doelt daarmee op de rekening-courant tussen de eenmanszaak en de man enerzijds en de rekening-courant tussen de maatschap en de eenmanszaak anderzijds. Deze stelling kan niet worden aanvaard omdat de vrouw op de rekening-courant tussen de man en de eenmanszaak ten onrechte uit de eenmanszaak gedane betalingen zonder akkoord van de man heeft geboekt als terugbetaling lening. Deze lening staat nog goeddeels open en zal dienovereenkomstig in conventie worden toegewezen.

Bovendien zijn de entiteiten waartussen de vrouw hier wenst te verrekenen niet gelijk (art. 6:127 BW). Immers, weliswaar heeft een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen en kan het vermogen van de eenmanszaak gelijk worden geschakeld aan het vermogen van de vrouw, de maatschap heeft wel een afgescheiden eigen vermogen, dat aan partijen samen toebehoort. Er is dus, anders dan de vrouw veronderstelt, geen reden om een bedrag van € 9.735,40 in mindering te brengen op haar vordering in reconventie.

5.22.

In reconventie zal dus in totaal € 85.302,94 worden toegewezen. De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente zal eveneens als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

Beslagen

5.23.

Vaststaat dat de man de man gelegde beslagen inmiddels heeft opgeheven en dat de vrouw ter zekerheidsstelling een bedrag van € 75.000 in depot heeft gestort. De vorderingen van de vrouw die zien op de beslagen worden daarom bij gebrek aan belang afgewezen.

Geen vordering tot terugbetaling van beweerdelijk onrechtmatig onttrokken gelden

5.24.

Volledigheidshalve overweegt de rechtbank nog als volgt. De vrouw heeft niet apart de terugbetaling gevorderd van hetgeen de man volgens haar onrechtmatig aan de eenmanszaak heeft onttrokken (artikel 6:162 BW). De lat voor de stelplicht en de bewijslast van een dergelijke vordering ligt in een geval als dit, vanwege de onderlinge verwevenheid, hoog. De vrouw zal alsdan in beginsel per pinopname/overboeking moeten stellen en, tegenover de betwisting van de man, zo nodig moeten bewijzen dat de man deze pinopname/overboeking heeft gedaan, dat hij dat in strijd met de tussen partijen (eventueel stilzwijgend) gemaakte afspraken heeft gedaan, dat de opname/overboeking hem uitsluitend (of hoofdzakelijk) ten goede is gekomen, en dat zij daardoor schade heeft geleden.

Bij de beoordeling van een dergelijke vordering zullen naar verwachting een rol spelen de binnen de eenmanszaak aan de man (eventueel stilzwijgend) verstrekte bevoegdheid tot het doen van aankopen en het verrichten van betalingen en de (eventueel stilzwijgend) door partijen gemaakte afspraken over de wijze waarop zij in de (kosten van hun) gemeenschappelijke huishouding zouden voorzien, ook tegen de achtergrond van hun wederzijdse inkomens en vermogens op dat moment.

Tot slot

5.25.

In de stukken en ter zitting is uitvoerig gesproken over de afwikkeling van de maatschap. De maatschap van partijen is per 1 mei 2024 ontbonden. Uit het rapport [adviesbureau] volgt dat per datum ontbinding binnen de maatschap een verwaarloosbaar bedrag van € 683 aan activa aanwezig was (pag. 31) De maatschap is met een negatief saldo geëindigd (voorlopig te stellen op circa € 230.000). Partijen dienen, in verband met de binnen de maatschap afgesproken winstverdeling en de in de maatschap gemaakte afspraken, in beginsel ieder de helft van het negatieve saldo te dragen. Zij zijn het op diverse in de jaarrekeningen en eindafrekening opgenomen posten nog niet eens. Zoals uit het voorgaande volgt, staat dat in dit geding niet aan inhoudelijke beoordeling van de over en weer ingestelde vorderingen in de weg. Hierom ziet de rechtbank geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

Proceskosten, waaronder de beslagkosten

5.26.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en (in elk geval) met elkaar samengewoond. Ze worden bovendien in conventie en in reconventie over en weer (gedeeltelijk) in het in het gelijk dan wel in het ongelijk gesteld. Hierin ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten, waaronder de door de man gemaakte beslagkosten, in conventie en in reconventie tussen hen te compenseren op de wijze zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1.

veroordeelt de vrouw om aan de man terug te betalen een bedrag van € 101.700, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 4% per jaar:

- over de hoofdsom van € 120.000 in de periode van 1 januari 2021 tot 3 december 2021,

- over de resterende hoofdsom van € 117.000 in de periode van 4 december 2021 tot 15 december 2021;

- over de resterende hoofdsom van € 114.000 in de periode van 16 december 2021 tot 20 december 2021;

- over de resterende hoofdsom van € 109.000 in de periode van 21 december 2021 tot 27 februari 2023;

- over de resterende hoofdsom van € 107.200 in de periode van 28 februari 2023 tot 26 juli 2023;

- over de resterende hoofdsom van € 105.700 in de periode van 27 juli 2023 tot 29 december 2023;

- over de resterende hoofdsom van € 103.700 in de periode van 30 december 2023 tot 19 januari 2024;

- over de resterende hoofdsom van € 101.700 in de periode van 20 januari 2024 tot de dag van volledige betaling;

6.2.

veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 1.975 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten, waaronder de beslagkosten, draagt;

6.5.

wijst het door de man meer of anders gevorderde af.

in reconventie

6.6.

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 85.302,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 november 2024 tot de dag der algehele voldoening;

6.7.

verklaart de veroordeling onder 6.6 uitvoerbaar bij voorraad;

6.8.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.9.

wijst het door de vrouw meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

1308

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »