ECLI:NL:RBDHA:2026:29576

Datum uitspraak
07-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/696319 / FA RK 25-9577
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-9577

Zaaknummer: C/09/696319

Datum beschikking: 7 september 2026

Omgangsregeling

Beschikking op het op 12 december 2025 ingekomen verzoek van:

[grootouder 1] en [grootouder 2],

de grootouders (vaderszijde),

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. W.P.A. Vos te Amsterdam.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.E.W.C.M. Kneepkens te Bussum.

[de vader],

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,

advocaat: mr. W.P.A. Vos te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift;

  • het verweerschrift van de moeder.

Op 10 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de grootouders en de vader met hun advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

  • De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats].

  • De vader heeft de kinderen erkend.

  • De moeder is van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

  • De kinderen staan ingeschreven bij de moeder.

  • Bij beschikking van deze rechtbank van 11 februari 2026 is – voor zover hier van

belang – :

- bepaald dat de omgang tussen de vader en de kinderen voorlopig zal plaatsvinden onder professionele begeleiding, waarbij gestart wordt met één uur begeleide omgang per week en, als dat goed gaat, de omgang in duur kan worden uitgebreid en, als er geen angst vanuit de kinderen wordt waargenomen, de omgang op korte termijn bij de vader thuis kan plaatsvinden, waarbij bijvoorbeeld alleen de overdrachten tussen de ouders worden begeleid en, als ook dat goed gaat, opgebouwd kan worden naar één weekend per veertien dagen.

- De vader heeft inmiddels een weekend per veertien dagen onbegeleide omgang met de kinderen.

Verzoek en verweer

De grootouders verzoeken schriftelijk – met uitvoerbaarverklaring bij voorraad – een omgangsregeling vast te stellen waarbij de grootouders de kinderen ophalen bij de moeder en/of de school en hen weer thuisbrengen bij de moeder, te weten iedere twee weken van vrijdagmiddag om 14:30 uur bij de moeder voor het ophalen van [minderjarige 2] en om 14:15 uur bij de school voor het ophalen van [minderjarige 1] tot zondagavond 18:30 uur (na het avondeten),

dan wel een regeling die de rechtbank in het belang van de kinderen acht.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de moeder zelfstandig het volgende:

  • primair de grootouders niet-ontvankelijk te verklaren;

  • subsidiair het verzoek van de grootouders af te wijzen;

  • primair en subsidiair de grootouders te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente binnen veertien dagen na de dagtekening.

Beoordeling

Aanvullende stukken De rechtbank zal, zoals tijdens de zitting aangegeven, de door de moeder op 9 augustus 2026 ingediende aanvullende stukken buiten beschouwing laten. De rechtbank is van oordeel dat het in strijd is met de goede procesorde om een dag voor de mondelinge behandeling nog aanvullende stukken in te dienen. De moeder had dit in een eerder stadium van de procedure kunnen en moeten doen.

Wijziging van het verzoek

Op de zitting heeft de advocaat van de grootouders het verzoek gewijzigd, in die zin dat het verzoek strekt tot een omgangsregeling tussen de kinderen en de grootouders waarbij de kinderen één keer per week na school tot aan na het avondeten bij de grootouders zijn en één keer in de vier tot zes weken één weekend van vrijdag na school tot zondagavond.

De advocaat van de moeder heeft op de zitting met een beroep op de goede procesorde verweer gevoerd tegen deze wijziging van het verzoek. De rechtbank acht dit gewijzigde verzoek van de grootouders evenwel toelaatbaar. Partijen kunnen tot aan de eindbeschikking hun verzoek wijzigen (artikel 283, in samenhang gelezen met artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), tenzij de goede procesorde zich hiertegen verzet. Van dit laatste is in dit geval geen sprake. De wijziging gaat namelijk enkel over een verandering van de frequentie van de al verzochte omgang. De moeder is op de zitting voldoende in de gelegenheid geweest om daarop te reageren. De rechtbank zal daarom, zoals ook op zitting aangegeven, de wijziging van het verzoek toestaan.

Omgangsregeling

Wettelijk kader

Het verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van het eerste lid van dit artikel heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt.

Ontvankelijkheid

De rechtbank zal voor de ontvankelijkheid eerst beoordelen of sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de kinderen en de grootouders.

Standpunt van de moeder

De moeder verzoekt de grootouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5438, betoogt de moeder dat van een nauwe persoonlijke betrekking tussen een kleinkind en zijn of haar grootouder(s) slechts sprake is als er tussen hen een band is die verder gaat dan de normale band tussen grootouders en kleinkinderen. Dat is volgens de moeder hier niet het geval. Weliswaar zagen de grootouders de kinderen tot 2023 structureel, maar bij die contactmomenten waren de ouders steeds aanwezig. Ook nadat de relatie tussen de ouders in 2023 is verbroken, was het contact tussen de grootouders en de kinderen steeds in het bijzijn van de vader. Op 21 september 2025 heeft de moeder de omgang tussen de kinderen en de vader stopgezet vanwege zorgen over de veiligheid van de kinderen. Volgens de moeder lijkt het verzoek van de grootouders mede tot doel te hebben om het contact tussen de vader en de kinderen uit te breiden. Daarnaast pas de verzochte regeling volgens haar niet bij de gebruikelijke rol van grootouders, aangezien de kinderen nooit bij de grootouders hebben gewoond of daar geslapen zonder dat één van de ouders aanwezig was. Volgens de moeder ontbreekt daarom een zelfstandig belang bij het verzoek van de grootouders.

Standpunt van de grootouders

De grootouders stellen dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de kinderen en hen. Sinds de geboorte van de kinderen zijn de grootouders namelijk nauw betrokken geweest bij het leven van de kinderen. De grootouders geven aan dat zij gedurende een lange periode een structurele, wekelijkse en intensieve oppasregeling met de kinderen hebben gehad. Volgens de grootouders heeft de moeder vervolgens eenzijdig het contact tussen de kinderen en de vader en tevens het contact tussen de kinderen en de grootouders beëindigd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de wetgever met het in artikel 1:377a BW opgenomen criterium ‘een nauwe persoonlijke betrekking’ heeft beoogd om aan te sluiten bij de invulling van het in artikel 8 van het EVRM opgenomen begrip ‘family life’ (Kamerstukken II, 1992-93, 23 012, nr. 3, p. 27 en 28, en Kamerstukken I, 2025-26, 36 364, G, p. 2). Anders dan in de door de moeder genoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, sluit de rechtbank daarom aan bij de uitleg die het EHRM aan dat begrip geeft. Of familie- en gezinsleven bestaat is een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van 'sufficiently close family ties'.

Daarbij wijst de rechtbank op de beslissing van het EHRM van 25 november 2014, Kruškić tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013, paragraaf 108. Over de relatie tussen grootouder en kleinkind heeft het EHRM overwogen dat deze onder normale omstandigheden naar haar aard verschilt van die tussen ouder en minderjarig kind en daarom in het algemeen aanleiding geeft voor een mindere mate van bescherming (paragraaf 110). Het recht op bescherming van familieleven van grootouders in relatie met hun kleinkinderen omvat voornamelijk het recht op het onderhouden van een normale grootouder-kleinkind relatie door contact tussen beiden (paragraaf 111). De rechtbank zal daarom voor de ontvankelijkheid beoordelen of van een dergelijke betrekking sprake is. In zoverre sluit de rechtbank aan bij de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:11457, onder 5.2 en 5.3.

Vaststaat dat de grootmoeder voordat de ouders uit elkaar gingen, structureel twee dagen per week, inclusief overnachting, op de kinderen heeft gepast. Ook de grootvader was daarbij vaak aanwezig. Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan in 2023, waren de kinderen tijdens de omgangsmomenten met hun vader bij de grootouders thuis één weekend per twee weken. De kinderen hadden dus een lange periode structureel en frequent contact met hun grootouders. De frequentie van het contact is omlaag gegaan, maar er is nog steeds sprake van structureel contact. Dat tijdens het contact vaak ook één van de ouders aanwezig was en is, maakt voor de rechtbank geen verschil. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van contact dat tenminste gelijkstaat aan een normale grootouder-kleinkind relatie, en daarmee sprake van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de kinderen en de grootouders. De grootouders zijn dan ook ontvankelijk in hun verzoek. De rechtbank zal daarom inhoudelijk oordelen over het omgangsverzoek van de grootouders.

Inhoudelijke beoordeling

Standpunt van de grootouders

De grootouders willen een vaste omgangsregeling die losstaat van de omgangsregeling tussen de kinderen en de vader. De grootouders stellen dat zij zich meerdere malen hebben ingespannen om tot afspraken te komen met de moeder over het contact met kinderen, maar dat zij daar niet voor openstaat. De grootouders voeren verder aan dat de moeder vanwege haar baan regelmatig de kinderen naar de kinderopvang brengt, terwijl de grootouders beschikbaar zijn om de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Volgens de grootouders is het niet in het belang van de kinderen dat het contact tussen hen en de kinderen is verbroken en dat zij daardoor onnodig naar de kinderopvang gaan.

Standpunt van de moeder

Volgens de moeder zien de grootouders de kinderen inmiddels één weekend per twee weken wanneer zij omgang hebben met de vader. Dat contact is nog fragiel en voor [minderjarige 1] spannend en emotioneel. Hierdoor is het niet in het belang om op dit moment een zelfstandige omgangsregeling tussen de kinderen en de grootouders vast te stellen. De moeder maakt zich bovendien zorgen dat de verzochte omgangsregeling feitelijk zal leiden tot een uitbreiding van het contact tussen de vader en de kinderen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het in eerste instantie aan de gezaghebbende ouder(s) is om te beslissen of en hoe vaak er contact is tussen hun kind en zijn of haar grootouders. In dit geval is de moeder belast met het eenhoofdig gezag en zij verzet zich tegen het verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank moet in zo’n geval terughoudend worden omgegaan met het vaststellen van een zelfstandige omgangsregeling voor de grootouders.

Bovendien hebben de ouders onderling veel conflicten gehad en is het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een tijd volledig verbroken geweest. Na een beslissing van de kinderrechter is dat contact stapsgewijs hersteld en inmiddels heeft de vader onbegeleide omgang met hen. Dat vindt de rechtbank van primair belang. De rechtbank vindt het niet in het belang van de kinderen om het contactherstel tussen de vader en hen, en parallel het prille proces van herstel van vertrouwen tussen de ouders onderling, te doorkruisen door een zelfstandige omgangsregeling met de grootouders vast te stellen. Daarbij komt dat de grootouders, naast één keer per week na school, omgang wensen in het weekend dat de kinderen bij de moeder zijn. De rechtbank vindt het echter in het belang van de kinderen dat zij ook voldoende vrije tijd doorbrengen met de moeder. Omdat de grootouders al de mogelijkheid tot contact hebben met de kinderen in de weekenden dat zij bij de vader zijn, wordt aan hun belangen voldoende tegemoetgekomen. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

Proceskosten

De moeder verzoekt de vader in de proceskosten te veroordelen, omdat zij onnodig aanzienlijke kosten heeft moeten maken om verweer te voeren in deze zaak, waarvan volgens haar het zelfstandige karakter ernstig ter discussie staat.

Nu het een familierechtelijke kwestie betreft en van onnodig procederen niet is gebleken, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen de moeder en de grootouders te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de grootouders af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.G. Nuboer, kinderrechter, bijgestaan door

mr. L.N. van Megesen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

7 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »