Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09-166326-26, 10-095471-26 (ttz.gev.) en 10-268161-25 (tul)
Datum uitspraak: 5 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ( [land] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 21 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.R.D. Hoebeke en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. D.T.J. Jaspers naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft de voeging bevolen van de dagvaarding met parketnummer 09/166326-26 (hierna te noemen dagvaarding I) met de dagvaarding met parketnummer 10/095471-26 (hierna te noemen dagvaarding II).
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I
1hij op of omstreeks 9 juni 2026 te Wassenaar een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een handgranaat, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
2hij op of omstreeks 9 juni 2026 te Wassenaar een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Smith & Wesson, type 17-4, kaliber .22 LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en (bijbehorende) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 22 stuks Remington en 1 stuk Winchester, kaliber .22 voorhanden heeft gehad;
Dagvaarding II
1hij op of omstreeks 21 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 23.5 gram amfetamine, aanwezig heeft gehad;
2hij op of omstreeks 21 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 24 kogelpatronen van het kaliber .22 LR Long Z, voorhanden heeft gehad.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij dagvaarding I en bij dagvaarding II tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het bij dagvaarding II tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding I tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van dagvaarding II
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van het bij dagvaarding II tenlastegelegde redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1700-2026101338, van de politie eenheid Rotterdam, basisteam Recherche Feijenoord, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 72).
De rechtbank heeft op grond van de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – de overtuiging gekregen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 21 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 57-65):
M: U wordt verdacht van het bezit van munitie op 21 maart 2026.
V: Weet u wat voor munitie het is?
A: 22 millimeter, dat is alles wat ik weet. Dat staat op de verpakking.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 7-10):
Op 21 maart 2026 zagen wij, verbalisanten, een manspersoon fietsen, komende vanaf de Dordtselaan te Rotterdam in de richting van de Motorstraat. Op de Verlengde Motorstraat op de kruising van de Veldstraat wisten wij, verbalisanten, de fietser stil te houden. Tijdens de fouillering trof ik in zijn rechterjaszak een zakje met vermoedelijk amfetamine aan, alsmede een doosje met munitie van het kaliber .22. Er waren nog 24 patronen aanwezig van de 50 welke in een onaangebroken verpakking zouden moeten zitten.
De verdachte bleek later te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [land] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 18-20):
Op 21 maart 2026 ontving ik van een medewerker basis team recherche, devolgende stukken van overtuiging (SVO):
BVH-goednummer SVO Omschrijving SVOPL1700-2026101139-7121775 zak met witte kristalachtige brokken
4. Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, opgemaakt op 24 maart 2026, voor zover inhoudende (p. 21-22):
SIN/UVN: AARI6970NLBVH Goednummer: 7121775Object omschrijving: Een geopende vacuümzak met daarin wit poeder en brokjesKleur: WitAantal: 1Nettogewicht: 23,5 gram
5. Het deskundigenverslag, op 23 maart 2026 opgemaakt en ondertekend door ing. [naam] , deskundige op het gebied van forensische drugsanalyse, voor zover inhoudende (p. 23):
6 Het proces-verbaal onderzoek wapen, opgemaakt op 21 maart 2026 (p. 32-33);
Ik, verbalisant, ben opgeleid en gecertificeerd als taakaccenthouder wapens en munitie en aangewezen voor het categoriseren en beschrijven van wapens en munitie.Op 21 maart 2026 te 01:05 uur zijn bij [verdachte]goederen inbeslaggenomen. Na onderzoek van deze goederen is het volgende naar voren gekomen.
Het betreft kogelpatronen van het kaliber .22 LR Long Z. Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de WWM.
Het betreft 24 projectielen die geschikt zijn om afgeschoten te worden middels een vuurwapen. Het kaliber van de munitie betreft .22. De volgende tekst was ook aangebracht op het doosje: '22 long Z', 'Percussion Annulaire-rimfire,', reduced charge accurate 29gr. lead bullet'. Op de achterzijde van het doosje staat(vertaald vanuit de Engelse taal) geschreven dat de patronen geschikt zijn vooraccurate prestatie op kort afstand doel schieten.
Bewijsoverweging ten aanzien van dagvaarding II
De verdachte heeft verklaard dat hij kort voor zijn aanhouding een brillenkoker met daarin een Armani bril bij het grofvuil heeft gevonden en toen heeft meegenomen, maar dat hij niet wist of heeft gezien dat daarin ook een zakje met drugs zat.
De verdachte heeft voorts verklaard dat hij het doosje met munitie tegelijk met de brillenkoker bij het grofvuil heeft gevonden, maar dat hij van plan was die – na een korte afspraak met een vriend – bij de politie in te leveren.
Dat de drugs en de designerbrillen zomaar bij het grofvuil zouden zijn achtergelaten, is echter onaannemelijk. Daarbij komt dat de verklaring van de verdachte dat hij de munitie bij de politie wilde inleveren niet strookt met de omstandigheid dat hij zich probeerde te onttrekken aan zijn aanhouding door niet te reageren op het stopteken van de politie, die hem staande wilde houden toen hij door rood licht fietste.
De rechtbank merkt nog op dat voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, niet is vereist dat diegene die de munitie voorhanden had zich bewust was van de strafbaarheid daarvan, doch enkel dat hij zich in meer of mindere mate bewust was van de aanwezigheid ervan. Het verweer van de raadsman dat de verdachte, die heeft verklaard te weten dat het munitie betrof, geen opzet heeft gehad op het illegaal bij zich hebben van munitie en dat daarom vrijspraak zou moeten volgen, kan daarom geen doel treffen.
Opgave van bewijsmiddelen ten aanzien van dagvaarding I
De rechtbank zal voor de bewezenverklaring van het bij dagvaarding I tenlastegelegde volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026204471 van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam / Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 111).
De rechtbank heeft op grond van de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – de overtuiging gekregen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
7. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 21 september 2026;
8 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 juni 2026 (p. 39-41);
9. Het proces-verbaal van Team Forensische Opsporing - Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 11 juni 2026 (p. 80-84);
10. Het proces-verbaal van Team Forensische Opsporing - Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 9 juni 2026 (p. 57-61);
11. Het proces-verbaal van Team Forensische Opsporing - Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 9 juni 2026 (p. 62-64).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
1hij op 9 juni 2026 te Wassenaar een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een handgranaat, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
2hij op 9 juni 2026 te Wassenaar een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Smith & Wesson, type 17-4, kaliber .22 LR zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en (bijbehorende) munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 22 stuks Remington en 1 stuk Winchester, kaliber .22 voorhanden heeft gehad;
Dagvaarding II
1hij op 21 maart 2026 te Rotterdam, opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten 23.5 gram amfetamine, aanwezig heeft gehad;
2hij op 21 maart 2026 te Rotterdam munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 24 kogelpatronen van het kaliber .22 LR Long Z, voorhanden heeft gehad.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, in het geval de rechtbank het pleidooi tot vrijspraak van het bij dagvaarding II tenlastegelegde volgt, een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden op te leggen, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. In het andere geval heeft de raadsman verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden op te leggen, waarvan 4 maanden voorwaardelijk.
De raadsman heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijk strafdeel in ieder geval goed zal zijn voor de verdachte, als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het binnen handbereik voorhanden hebben van een handgranaat, een doorgeladen revolver en – op verschillende momenten – aanzienlijke hoeveelheden scherpe munitie in de openbare ruimte, en het aanwezig hebben van 23,5 gram harddrugs. Dat zijn ernstige strafbare feiten.
Handgranaten brengen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en goederen met zich mee en het onbevoegd bezit van een dergelijk explosief is, gelet op de enorme risico’s, maatschappelijk onaanvaardbaar. Explosieven worden bovendien steeds vaker binnen het criminele (drugs)milieu ingezet voor het plegen van zeer ernstige misdrijven, die vaak ingrijpende gevolgen hebben. Niet alleen veroorzaken dit soort misdrijven veel materiële schade, maar zij zorgen er ook voor dat het gevoel van veiligheid in de samenleving steeds verder wordt aangetast. De maatschappelijke onaanvaardbaarheid van het bezitten van een handgranaat is bezien in die context des te groter. De rechtbank rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij de handgranaat zo voor het grijpen had liggen. Het feit dat de verdachte op hetzelfde moment ook een doorgeladen vuurwapen met bijbehorende munitie bij zich had, maakt de situatie gelet op de daaruit voortvloeiende risico’s voor de veiligheid van personen nog zorgelijker. Dat de verdachte de betreffende wapens naar eigen zeggen in zijn bezit had om zichzelf te kunnen verdedigen tegen een zeer ernstige dreiging voor hem en zijn familie, maakt dat volgens de rechtbank niet anders. Integendeel, daaruit maakt de rechtbank op dat de verdachte niet zou schuwen deze wapens ook daadwerkelijk te gebruiken.
Door het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit dat doorgaans gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, met alle nadelige maatschappelijke gevolgen van dien, niet op de laatste plaats de gezondheidsschade voor de (veelal verslaafde) gebruikers van die drugs.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 september 2026. Daaruit volgt dat de verdachte in december 2025 nog onherroepelijk is veroordeeld voor een Opiumdelict en dat hij daarvoor in een proeftijd liep ten tijde van de bewezen verklaarde feiten. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard in [land] een uitgebreid strafblad te hebben met daarop allerhande strafbare feiten, waarvoor hij laatstelijk acht jaar in detentie heeft gezeten, waarna hij naar Nederland is vertrokken. Gelet daarop zijn de door hem in [land] gepleegde strafbare feiten van langere tijd geleden en worden die niet in het nadeel van de verdachte meegewogen.
Persoon van de verdachte
Ter terechtzitting heeft de rechtbank met de verdachte gesproken over zijn persoonlijke omstandigheden. Na zijn detentie in [land] is hij in mei 2025 naar Nederland gekomen om hier te werken en een beter leven op te bouwen. In Nederland heeft hij zijn Poolse vriendin leren kennen. De verdachte heeft ook een zoontje, dat in [land] woont. De verdachte heeft verklaard dat hij vanwege grote schulden die hij heeft opgelopen door een drugsverslaving ernstig bedreigd wordt en dat hij daardoor in grote angst leeft voor zichzelf en zijn familie. De drugsverslaving zou in de periode tussen maart en juni 2026 zijn ontstaan, waarna het snel bergafwaarts ging en de problemen ontstonden waarover de vermeende bedreigingen gaan. De verdachte heeft aangegeven op dit moment geen probleem meer te hebben met drugs, nu hij sinds detentie abstinent is. Hij drinkt al jaren geen alcohol meer.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een handgranaat in de openbare ruimte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden vermeld. Voor het voorhanden hebben van een revolver in de openbare ruimte is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden vermeld. In dit geval acht de rechtbank het strafverhogend dat de handgranaat binnen handbereik van de verdachte lag, dat het vuurwapen was doorgeladen en dat de verdachte tegelijk met het vuurwapen een aanzienlijke hoeveelheid bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank verder mee dat hij zich ook al op een eerder moment schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid scherpe munitie en aan het aanwezig hebben van 23,5 gram amfetamine. Dat was bovendien in een periode waarin de door de verdachte beschreven bedreigende situatie zich nog moest voordoen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7 De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de beslaglijst, die als bijlage I aan dit vonnis is gehecht, onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen – te weten respectievelijk een revolver, een honkbalknuppel en een vlindermes – onttrekken aan het verkeer.
Het onder 1 genoemde voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot dat voorwerp het bij dagvaarding I onder 1 bewezen verklaarde feit is begaan.
De onder 2 en 3 genoemde voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, omdat zij gelet op de context waarin ze zijn aangetroffen, namelijk in de auto waarin verdachte zat met daarin ook andere gevaarlijke voorwerpen, en mede gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij wapens voorhanden had voor zijn eigen verdediging, kunnen worden beschouwd als een gezamenlijkheid van voorwerpen welke aan de verdachte toebehoren en die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen, terwijl de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en op grond waarvan gezegd kan worden dat die gezamenlijkheid van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet dan wel het algemeen belang.
8 De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 6 augustus 2026 gevorderd dat het voorwaardelijk deel, groot één maand, van de bij parketnummer 10/268161-25 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, op 12 december 2025 opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was vastgesteld, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
9 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I, en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en 2 en bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º;
ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten: 1 STK Revolver (Omschrijving: PL1500-2026203998-G3522633), 1 STK Honkbalknuppel (Omschrijving: PL1500-2026203998-G3522612 en 1 STK Mes (Omschrijving: RINGVORMIG EINDE ZWART LEMMET: PL1500-2026203998-G3522625);
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in de rechtbank te Dordrecht d.d. 12 december 2025, gewezen onder parketnummer 10/268161-25, te weten gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Dantuma-Hieronymus, voorzitter,
mr. W.R. van Hattum, rechter,
mr. J. Schaaf, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 oktober 2026.