RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3068
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de beslissing van 15 juni 2026 waarbij verweerder het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2026 op het Woo-verzoek1 van verzoekster ongegrond heeft verklaard. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Verzoekster heeft op 15 februari 2026 een verzoek gedaan op grond van de Woo. Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 24 maart 2026 afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 15 juni 2026 op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.2
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft op 15 februari 2026 op grond van de Woo verzocht om openbaarmaking van – samengevat weergegeven – documenten met betrekking op statistieken en cijfers (2021-2025) terzake aanvragen om bijstandsuitkeringen en besluiten daarop en bezwaar- en beroepsprocedures en verzoeken om voorlopige voorziening daarop gebaseerd. Daarnaast heeft verzoekster verzocht om informatie over interne richtlijnen en beleidsdocumenten met betrekking tot bijstandszaken en communicatie en correspondentie tussen de gemeente en het UWV of andere overheidsinstanties met betrekking tot richtlijnen over sociale zekerheidsuitkeringen. Ook verzoekt zij om een samenvatting en metadata bij de verstrekte documenten. Verweerder heeft het verzoek afgewezen omdat de gevraagde informatie al openbaar is, of omdat deze informatie niet is vastgelegd in documenten. Om verzoekster ter wille te zijn heeft verweerder in de beslissing op het Woo-verzoek een deel van de gevraagde informatie vervaardigd en opgenomen. Deze uitspraak gaat alleen over de vraag of het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit. Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het verzoek, nu zij de gevraagde gegevens nodig heeft ter onderbouwing van een afzonderlijk lopend beroep over haar uitkering.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Is sprake van een spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van spoedeisend belang. Verzoekster stelt dat zij de gevraagde gegevens nodig heeft ter onderbouwing van een afzonderlijk lopend beroep over haar uitkering. Verzoekster ontvangt in die beroepsprocedure de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarnaast bestaan er in die beroepsprocedure ook mogelijkheden om informatie en inlichtingen te vragen bij de gemeente over het onderwerp waar het Woo-verzoek op ziet, als deze van belang zijn voor de beoordeling van de zaak. Dat is niet afhankelijk van het Woo-verzoek en het huidige verzoek om een voorlopige voorziening.
Is het bestreden besluit evident onrechtmatig?
5. Omdat de voorzieningenrechter vindt dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Hiermee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand kan blijven.
Verzoekster voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Zij betwist dat de gevraagde informatie niet bij verweerder aanwezig is en stelt zich onder meer op het standpunt dat de zoekslag onvoldoende inzichtelijk en onvoldoende controleerbaar is.
De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat er door verweerder geen informatie is aangetroffen die met een beroep op een van de uitzonderingsgronden uit artikel 5.1 van de Woo niet aan verzoekster is verstrekt. Voor zover verzoekster de voorzieningenrechter vraagt verweerder op te dragen om de gevraagde gegevens alsnog openbaar te maken, behoort dit niet tot de mogelijkheden.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het bestreden niet evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter maakt uit het dossier op dat verweerder de mailboxen en onderlinge correspondentie van beleidsmedewerkers en juristen heeft doorzocht. Daaruit is volgens verweerder geen informatie naar voren gekomen over besluiten rond bijstandshandelingen met betrekking tot herziening, terugwerkende kracht of heraanvragen. De voorlopige voorzieningen-procedure leent zich in beginsel niet voor een diepgaande inhoudelijke beoordeling van de gronden van verzoekster. In de beroepsprocedure kunnen deze verder inhoudelijk worden beoordeeld. In die procedure kan ook aan de orde komen of verzoekster haar verzoek voldoende heeft gepreciseerd en of zij nader in de gelegenheid had moeten worden gesteld om haar verzoek te preciseren. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog echter geen reden om aan de toelichting van verweerder te twijfelen. Zij ziet daarom ook geen aanleiding om te bepalen dat verweerder een volledige en inzichtelijke zoekslag verricht en daarvan een inventarislijst aan verzoekster verstrekt.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.