RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/710606 / JE RK 26-1416
Datum uitspraak: 3 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 augustus 2026 mee in de beoordeling.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 september 2026. Daarbij was [naam] , namens de gecertificeerde instelling aanwezig.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 december 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 28 december 2026.
De gecertificeerde instelling heeft op 3 juni 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
- Meewerken aan jeugdhulpverlening in de vorm van opvoedondersteuning.
- Zicht geven in de thuissituatie aan de WSS JB&JR.
- Bereikbaar zijn voor de WSS JB&JR en in contact blijven met de WSS JB&JR.
- Bereikbaar zijn voor de school van [de minderjarige] (De Ontmoeting) en met hen in contact blijven.
- Zorgen dat het schoolverzuim van [de minderjarige] afneemt.
3 Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.
Er kan op dit moment niet aan de doelen van de ondertoezichtstelling worden gewerkt omdat de moeder elke vorm van contact met de gecertificeerde instelling structureel afhoudt. De zorgen die aanwezig zijn sinds de start van de ondertoezichtstelling zijn daardoor tot op heden niet weggenomen. Het lukt niet om met de moeder (of het netwerk) in contact te komen. De moeder reageert niet op pogingen tot telefonisch contact of op appberichten en brieven. De jeugdbeschermer en ook de wijkagent zijn diverse keren bij de moeder langs gegaan. De moeder deed de deur niet open. Ook is de moeder volledig uit contact met de school van [de minderjarige] , wat extra zorgelijk is nu hij binnen afzienbare tijd naar het voortgezet onderwijs moet en onbekend is of de moeder hem hiervoor heeft ingeschreven. [de minderjarige] lijkt verder erg op zichzelf aangewezen in de thuissituatie en lijkt niet de zorg en ondersteuning te ontvangen die hij nodig heeft. Na het bekrachtigen van een eerdere schriftelijke aanwijzing door de kinderrechter op 19 juni 2025, is de samenwerking met de moeder uitgebleven. De gecertificeerde instelling heeft evenwel de hoop dat met bekrachtiging van deze schriftelijke aanwijzing een samenwerking met de moeder tot stand kan worden gebracht en kan worden onderzocht wat nog haalbaar is in het kader van de ondertoezichtstelling.
4 De beoordeling
Op grond van artikel 1:263, eerst lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige, als de met gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel onvoldoende meewerken aan, de uitvoering van het hulpverleningsplan of indien de aanwijzing noodzakelijk is om de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen te doen wegnemen. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling kan naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing worden bekrachtigd.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De schriftelijke aanwijzing is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd. De gecertificeerde instelling heeft voorafgaand aan het geven van de schriftelijke aanwijzing een vooraankondiging aan de moeder gezonden, te weten op 7 april 2026. De gecertificeerde instelling heeft daarnaast uitvoerig toegelicht dat het – ondanks de vele inspanningen die zij hebben gedaan – niet lukt om contact met de moeder te krijgen omdat de moeder zich onbereikbaar houdt en de gecertificeerde instelling belemmert om de thuissituatie en de veiligheid van [de minderjarige] in beeld te krijgen. De gecertificeerde instelling heeft de moeder op 8 april 2025 al een gelijksoortige schriftelijke aanwijzing gegeven, die tevens op 19 juni 2025 door een kinderrechter in deze rechtbank is bekrachtigd, waar de moeder op geen enkel punt gehoor aan heeft gegeven. De moeder heeft tot op heden geen medewerking verleend aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling, met als gevolg dat de jeugdbescherming geen zicht heeft kunnen krijgen op de opvoedsituatie en (jeugd)hulpverlening voor de [de minderjarige] niet op gang komt.
Het is de kinderrechter daarom duidelijk dat de moeder niet instemt met, dan wel onvoldoende medewerking heeft verleend aan de uitvoering van het plan van aanpak en dat bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] weg te nemen.
5 De beslissing
De kinderrechter:
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 3 juni 2026.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 22 september 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.1