RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/08/351256 / JE RK 26-1463
Datum uitspraak: 11 september 2026
Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. R.F.P. Scheele,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling, hierna te noemen de GI,
gevestigd te Amsterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat mr. L.L. van Dijk.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift (met bijlagen), ontvangen op 4 september 2026.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 september 2026, gelijktijdig met de mondelinge behandeling in de zaken met zaaknummers 350876 en 351249. Verschenen en gehoord zijn:
- de vader (via Teams), bijgestaan door mr. Van Dijk;
- de moeder, bijgestaan door mr. Scheele;
- [naam 1] en [naam 2] namens de GI.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleidster van moeder.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft samen met haar vader bij de Ouder-Kind Behandelgroep (OKB) van Ambiq in [plaats 1].
Bij beschikking van 7 september 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, tot 19 september 2027.
Bij beschikking van 7 september 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend bij vader met gezag voor de duur van twee weken, tot 21 september 2026 en iedere verdere beslissing aangehouden.
Bij beschikking van 11 september 2026 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend bij vader met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 19 september 2027.
3 Het verzoek
De moeder heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Ze verzoekt toestemming om van 16 september 20.00 uur tot en met zondag 20 september 20.00 uur naar de bruiloft te mogen gaan van haar nichtje. Zij zal in die periode dan niet met haar dochter verblijven bij Ambiq. De bruiloft is in een zaal in [plaats 2]. Mocht [minderjarige] moe worden terwijl zij nog bij de familie zijn, dan kan zij daar gewoon in bed slapen en blijft moeder bij haar. Als zij in de zaal zijn en [minderjarige] wordt moe of heeft rust nodig zal moeder gewoon naar huis gaan. [minderjarige] haar welzijn staat uiteraard voorop. De dank van de moeder is groot als ze deze belangrijke éénmalige bruiloft samen met haar dochtertje en haar moeder mag meemaken en haar familie kan bijstaan waar dat nodig is. Dit betekent voor alle drie heel veel.
De moeder stelt tijdig toestemming te hebben gevraagd om deze bruiloft bij te wonen. Dat de spanning ver is opgelopen ligt niet aan de moeder. De GI verwijst haar door naar Ambiq, waarna Ambiq zegt geen antwoord te kunnen geven. De moeder stelt dat niemand de regie heeft genomen, terwijl van de GI regie en maatwerk verwacht had mogen worden. De GI heeft dan ook een aandeel in de ontstane situatie.
4 De standpunten
De GI is van oordeel dat zij handelt in het belang van [minderjarige]. Omdat de moeder met [minderjarige] bij Ambiq verblijft, dient de moeder samen met een Ambiq een plan te maken. Zodoende kan Ambiq beoordelen of een en ander in het belang van [minderjarige] is. Daarbij is het tevens van belang dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] door kan gaan.
5 De beoordeling
Het wettelijk criterium
Op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen aan de kinderrechter worden voorgelegd. Artikel 1:262b BW is in de wet opgenomen om een goede samenwerkings- of vertrouwensrelatie tussen de betrokkenen en behartiging van de belangen van de onder toezicht gestelde minderjarige te bevorderen.
Het oordeel van de rechtbank
De kinderrechter stelt vast dat overeenstemming tussen betrokkenen niet mogelijk is en acht de volgende beslissing in het belang van [minderjarige] wenselijk.
De kinderrechter stelt vast dat de situatie inmiddels is gewijzigd. De moeder verblijft niet meer met [minderjarige] bij het OKC van Ambiq in [plaats 3]. De situatie bij het OCK is onhoudbaar geworden en het OKC heeft de samenwerking met de moeder op 7 september 2026 beëindigd. Dit betekent dat moeder geen belang meer heeft bij haar verzoek.
Inmiddels verblijft [minderjarige] – op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing – met haar vader bij het OKB van Ambiq in [plaats 1]. Toewijzing van het verzoek zou, nog daargelaten dat [minderjarige] niet meer de moeder verblijft, de verleende machtiging doorkruisen. Dat is niet in het belang van [minderjarige]. Ten overvloede merkt de kinderrechter op dat het niet in het belang van [minderjarige] is (geweest) om mee te gaan naar de bruiloft. Het door de moeder ingediende plan bevat onvoldoende waarborgen om de rust en stabiliteit voor [minderjarige] te waarborgen. Bovendien is in het door de moeder opgestelde plan geen vaste dagstructuur voor [minderjarige] opgenomen.
De kinderrechter zal het verzoek van de moeder afwijzen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. J.L. Souman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Albers als griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2026. |
||
Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.1