RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/708658 / JE RK 26-1187
Datum uitspraak: 4 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling (art. 1:262b BW)
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
-
[naam], namens de gecertificeerde instelling;
-
de vader;
- de moeder.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 februari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 februari 2027.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juli 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 15 februari 2027.
3 Het verzoek
De gecertificeerde instelling heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt om vervangende toestemming te verlenen voor het afnemen van een kind-interview volgens het NICHD-protocol door een gedragswetenschapper van de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek – op schrift en op de zitting – als volgt toegelicht.
De gecertificeerde instelling maakt zich zorgen om enkele uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan bij zowel de gezinshuisouders als ook bij de jeugdbeschermer over ingrijpende gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt. Het is belangrijk dat hier duidelijkheid over komt zodat beoordeeld kan worden welke hulp en ondersteuning hij nodig heeft. Om die reden acht de gecertificeerde instelling een NICHD-interview noodzakelijk. Via deze wetenschappelijk beproefde en onderbouwde gespreksmethodiek wordt [minderjarige] op een zorgvuldige en zo min mogelijk belastende wijze gevraagd naar zijn ervaringen. Het interview kan worden afgenomen door gedragswetenschappers van de gecertificeerde instelling. Deze kennen [minderjarige] niet, zijn niet betrokken bij het dossier van het gezin en zijn werkzaam op een andere locatie dan de jeugdbeschermer. De moeder heeft haar toestemming gegeven, maar de vader weigert dit.
4 De standpunten
Door de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder vindt het belangrijk dat het NICHD-interview wordt afgenomen en [minderjarige] de hulpverlening geboden kan worden die hij gezien de resultaten van het interview nodig heeft.
Door de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. De vader geeft aan dat [minderjarige] bij de GGZ in het verleden al gesprekken heeft gehad en testen heeft gedaan. Daar werd niets afwijkends gezien. Hij vertrouwt het niet, ervaart het als tegenwerking en wil ook niet dat medewerkers van de gecertificeerde instelling het interview afnemen.
5 De beoordeling
Op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen aan de kinderrechter worden voorgelegd. Voordat de kinderrechter een beslissing neemt, moet de kinderrechter eerst proberen te bemiddelen in het voorgelegde geschil.
Het is tijdens de zitting niet gelukt om tot een vergelijk te komen. De vader wil, ook na uitleg van de kinderrechter en de jeugdbeschermer over het NICHD-protocol, geen toestemming geven voor het afnemen van een kind-interview.
De kinderrechter vindt afname van een dergelijk interview echter wel in het belang van [minderjarige]. [minderjarige] heeft uitspraken gedaan over ingrijpende gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt. Het is van belang dat hij hiervoor de juiste hulpverlening krijgt, afhankelijk van de uitkomsten van het interview. Om te bepalen welke hulpverlening passend voor hem is en bij zijn behoefte aansluit is de uitkomst van het NICHD-interview noodzakelijk.
Door de vader zijn zorgen geuit over de onafhankelijkheid van de gedragswetenschapper van de gecertificeerde instelling.
De gecertificeerde instelling heeft toegelicht dat deze gedragswetenschappers niet betrokken zijn bij het dossier van het gezin, [minderjarige] niet kennen en op een andere locatie werkzaam zijn dan de jeugdbeschermer. Zij hebben de vereiste opleiding gevolgd, alsmede de terugkomsessies.
De kinderrechter acht de onafhankelijkheid en specifieke deskundigheid van de gedragswetenschappers voldoende gewaarborgd. De kinderrechter zal daarom vervangende toestemming verlenen voor het afnemen van een kind-interview volgens het NICHD-protocol.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verleent vervangende toestemming voor het afnemen van een kind-interview volgens het NICHD-protocol;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 6 augustus 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.1