ECLI:NL:RBDHA:2026:29127

Datum uitspraak
01-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/693045 / JE RK 25-1760
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/693045 / JE RK 25-1760

Datum uitspraak: 1 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 2],

hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat mr. R.W. de Gruijl uit Rotterdam

[de pleegmoeder],

hierna te noemen: de pleegmoeder,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. S.O. Zengin uit Den Haag.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 april 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 18 september 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De kinderrechter heeft het verzoek voor het overige deel aangehouden.

1.2.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 9 april 2026;

- het aanvullende verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 30 juli 2026.

1.3.

Op 1 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

  • de pleegmoeder met haar advocaat;

  • de advocaat van de moeder;

- [naam 1], [naam 2] en [naam 3].

De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. De advocaat van de moeder heeft ter zitting verklaard dat de moeder ziek is en dat de advocaat namens haar het woord zal voeren.

1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2 De feiten

2.1.

De kinderrechter verwijst voor een weergave van de feiten naar de beschikking van 27 november 2025.

3 Het verzoek

3.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en

[minderjarige 2] te verlengen voor de aangehouden duur van het oorspronkelijk verzoek, te weten tot

2 december 2026. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling – met het aanvullende verzoek van 30 juli 2026 – de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een

voorziening voor pleegzorg te verlengen tot 2 december 2026. De gecertificeerde instelling

verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, zakelijk en samengevat weergegeven, als volgt gemotiveerd.

3.2.

In de afgelopen periode heeft de gecertificeerde instelling uitvoering gegeven aan de beschikking van 9 april 2026. Het gesprek met de kinderen over het Opvoedplan (en het daarin genoemde perspectief bij de pleegmoeder en de uitbreiding van de contacten met de moeder) heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026 in het bijzijn van de gecertificeerde instelling. Het gesprek lijkt [minderjarige 2] meer rust te hebben gegeven en [minderjarige 1] ook reageerde positief op in het gesprek. Uit de NIKA-screening is gebleken dat bij beide kinderen sprake is van een scheve hechtingsontwikkeling. Bij [minderjarige 1] wordt de hoogste score gezien op vermijdende gehechtheid en bij [minderjarige 2] op gedesoriënteerde gehechtheid, al wordt benadrukt dat deze score niet schokkend hoog is. De NIKA-behandelaar benoemt dat de moeder grote stappen maakt, dat zij de kinderen goed volgt en signalen oppikt, dat de behandelaar trots is op de ontwikkeling die de moeder laat zien en de verwachting heeft dat herstel van de hechtingsrelatie mogelijk is, maar tijd vraagt. Beide kinderen ontvangen thans behandeling vanuit [zorginstantie 1]. De behandeling van [minderjarige 1] bij haar huidige behandelaar loopt al langer en zal worden afgebouwd. De behandelaar van [minderjarige 1] benadrukt dat het belangrijk is het tempo van [minderjarige 1] te volgen (ook in de contacten met de moeder) en haar niet te overvragen. De behandeling van [minderjarige 2] bij [zorginstantie 1] is net gestart. De behandelaar van [zorginstantie 1] benoemt dat [minderjarige 2] snel van streek is, en snel overvraagd en overprikkeld lijkt te zijn. Binnen [zorginstantie 1] wordt verder ouderbegeleiding/systeemtherapie ingezet voor de pleegmoeder. Hierbij wordt mede onderzocht in hoeverre eventuele angsten van de pleegmoeder en in het verleden bij haar gestelde diagnoses (angststoornis, bipolariteit II en complexe PTSS) invloed hebben op de kinderen. De insteek van mogelijk onderzoek is niet om een wijziging aan te brengen in de rol van de pleegmoeder naar de kinderen, maar om de pleegmoeder als opvoeder verder in haar kracht te zetten. Verder is het bij [zorginstantie 1] ook mogelijk om in de toekomst gezamenlijke gesprekken te voeren met de moeder en de pleegmoeder en beiden staan hier positief tegenover.

3.3.

In juni 2026 zijn afspraken gemaakt over de verdere uitbreiding van de contacten tussen de moeder en de kinderen. Op dit moment heeft de moeder een keer per twee weken gedurende vier uren deels begeleid (door [zorginstantie 2]) contact met [minderjarige 2], ook bij de moeder thuis. De contacten verlopen zeer positief. Zeer binnenkort zullen de contacten met [minderjarige 2] geheel onbegeleid gaan plaatsvinden. [minderjarige 1] heeft één keer in de zes weken samen met [minderjarige 2] (door [zorginstantie 2]) begeleide omgang met de moeder voor de duur van drie uren. De gezamenlijke bezoeken met zowel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn tot nu toe goed verlopen en de kinderen hebben dit als fijn ervaren. [minderjarige 1] heeft voor nu aangegeven nog niet naar het huis van de moeder te willen en de huidige frequentie goed te vinden. De moeder respecteert deze wens van [minderjarige 1]. De gecertificeerde instelling stemt ermee in om de komende periode de regie over de zorgregeling bij de moeder en de pleegmoeder te laten opdat zij de kans krijgen om te laten zien dat zij hier zelfstandig uitvoering en invulling aan kunnen geven. Ook kan de gecertificeerde instelling zich erin vinden dat de hulpverlening bij één instantie wordt ondergebracht en de gecertificeerde instelling heeft toegezegd de komende periode naar de mogelijkheden hiervoor te zullen kijken.

3.4.

De gecertificeerde instelling ervaart nog steeds een ambivalente houding bij de pleegmoeder zowel over haar samenwerking met de moeder (waarbij de pleegmoeder nog regelmatig hulp vraag aan de gecertificeerde instelling), als over haar samenwerking met de gecertificeerde instelling (waarbij de gecertificeerde instelling regelmatig weerstand van de pleegmoeder jegens hen ervaart). Dit maakt dat de gecertificeerde instelling nog zorgen heeft over de mogelijkheden van de moeder en de pleegmoeder om gezamenlijk ouderschap vorm te geven zonder ondersteuning van de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling ziet daarnaast ook de vele positieve stappen die zowel de moeder als de pleegmoeder heeft gezet. De gecertificeerde instelling staat nog steeds achter voortzetting van de huidige koers, waarbij wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het vormgeven van gezamenlijk ouderschap. Gelet op hetgeen in de komende periode nog moet worden onderzocht en ingezet, vindt de gecertificeerde instelling een verlenging van de maatregelen noodzakelijk.

4 De standpunten

4.1.

De pleegmoeder heeft ingestemd met het verzoek van de gecertificeerde instelling. De pleegmoeder staat nog achter het Opvoedplan maar heeft wel aarzelingen over het tempo van de opbouw van de zorgregeling, met name bij [minderjarige 1]. De pleegmoeder ziet dat [minderjarige 2] het contact met de moeder fijn en leuk vindt en dat hij met de moeder een band opbouwt. Bij [minderjarige 1] gaat dit moeizamer, wat de pleegmoeder erg verdrietig vindt. De pleegmoeder ziet dat de moeder de wensen van [minderjarige 1] respecteert en haar niet onder druk zet. De pleegmoeder betwist uitdrukkelijk dat de houding van haarzelf en diagnoses uit het verleden een rol spelen in de opbouw van het contact met [minderjarige 1]. De door de gecertificeerde instelling genoemde diagnoses dateren van zeer lang geleden (toen de pleegmoeder rond de 20 jaar was) en de pleegmoeder heeft hier destijds hulpverlening voor gehad. De gecertificeerde instelling is hiervan altijd op de hoogte geweest en dit heeft nooit een rol gespeeld. De verstandhouding en samenwerking met de moeder is de afgelopen periode verbeterd. De mediation is gestopt omdat geen sprake meer is van een geschil. De pleegmoeder heeft meer vertrouwen in de moeder dan in de gecertificeerde instelling. Het kan dat de gecertificeerde instelling ambivalentie bij haar heeft ervaren onder meer omdat de pleegmoeder tegen de gecertificeerde instelling had gezegd het Opvoedplan niet te willen ondertekenen waarbij de pleegmoeder dit uiteindelijk kort voor de vorige zitting wel heeft gedaan. De ambivalentie hierover kwam ook voort uit de indruk van de pleegmoeder dat ze de gecertificeerde instelling op haar dak zou krijgen als ze het Opvoedplan wel zou tekenen. Het is juist dat de pleegmoeder op dit moment niet openstaat voor gezamenlijk gezag met de moeder, maar voor de toekomst sluit zij dit niet uit. De verstandhouding met de moeder is op dit moment goed en er is nog steeds een stijgende lijn. De pleegmoeder wil niet dat dit kapot gaat. Zij vindt daarom voortzetting van de maatregelen en de ondersteuning van de gecertificeerde instelling op dit moment nog van belang. Voor de komende periode stelt de pleegmoeder voor dat de regie over de zorgregeling bij de moeder en de pleegmoeder komt te liggen. De pleegmoeder en de moeder kunnen zo ervaren of zij het gezamenlijk ouderschap samen kunnen vormgeven en kijken welke handvatten zij nog nodig hebben. De pleegmoeder wenst dat de gecertificeerde instelling alleen ten aanzien van de hulpverlening nog een rol blijft spelen. Daarbij wenst de pleegmoeder dat de hulpverlening wordt ondergebracht bij één multidisciplinair team waarbij de hulpverlening voor zowel de kinderen, als de pleegmoeder en de moeder door één instantie wordt uitgevoerd. De moeder en de pleegmoeder zouden in de toekomst ook hierover de regie kunnen en willen voeren.

4.2.

De advocaat van de moeder heeft namens haar ingestemd met het verzoek van de gecertificeerde instelling. De moeder is het eens met wat de pleegmoeder heeft verklaard. De verstandhouding tussen de moeder en de pleegmoeder is de afgelopen periode verder verbeterd en de moeder blijft open staat voor het delen van het gezag over de kinderen met de pleegmoeder en het verder vormgeven van gezamenlijk ouderschap. Het contact met [minderjarige 2] verloopt fijn. De moeder vindt het jammer dat [minderjarige 1] op dit moment niet bij haar thuis wil komen, maar respecteert dit in het belang van [minderjarige 1]. De moeder is het eens met het voorstel van de pleegmoeder om de regie over de zorgregeling de komende periode bij de moeders te laten. De gecertificeerde instelling zal dan alleen betrokken blijven bij het inzetten van de hulpverlening voor het gezin. De moeder is het verder eens dat het beter is wanneer één multidisciplinair team binnen één organisatie verantwoordelijk is voor alle hulpverlening binnen het gezin.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.2 De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.

5.2.

De kinderrechter is van oordeel op dit moment nog wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Dit is ook niet in geschil en alle partijen stemmen in met de verlenging van de verzochte maatregelen voor de resterende duur. De kinderen wonen sinds 2019 bij de pleegmoeder. De problematiek die destijds speelde bij de moeder is thans niet meer aan de orde. Op dit moment maakt de (hechtings)problematiek van de kinderen in combinatie met de duur van de uithuisplaatsing waarbij de kinderen zijn gehecht aan de pleegmoeder, dat de verzochte maatregelen nog noodzakelijk zijn. Voor een uitgebreidere motivering verwijst de kinderrechter evenzeer naar de beschikkingen van 27 november 2025 en van 9 april 2026.

5.3.

Op de zitting van 27 november 2025 is voor het eerst besproken of van een vorm van gezamenlijk ouderschap van de moeder tezamen met de pleegmoeder in de toekomst tot de mogelijkheden zou kunnen behoren. De moeder en de pleegmoeder hebben na die zitting gezamenlijke gesprekken gevoerd met een mediator en zijn kort voor de zitting van 9 april 2026 tot een gezamenlijk Opvoedplan gekomen. Op de zitting van 9 april 2026 is vervolgens onder meer besproken hoe de kinderen kunnen worden gekend in het Opvoedplan, op welke wijze een begin van uitvoering kan worden gemaakt met het Opvoedplan (en met name de opbouw van de zorgregeling van de kinderen met de moeder) en de mogelijkheid tot bekrachtiging van het Opvoedplan en tot gezamenlijk gezag van de moeder en de pleegmoeder. Het monitoren van en de regie over de zorgregeling met de moeder en de hulpverleningstrajecten lag daarbij nog steeds bij de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling is daarbij verzocht mee te denken welke handvatten de moeder en de pleegmoeder nog nodig hebben om gezamenlijk ouderschap in de toekomst vorm te geven. De kinderrechter verwijst naar deze beschikkingen voor de uitgebreide motivering.

5.4.

Op de onderhavige zitting van 1 september 2026 is onder meer het volgende gebleken en besproken. De kinderen hebben een gesprek met de moeder, de pleegmoeder en de gecertificeerde instelling gehad over het Opvoedplan (en met name het perspectief bij de pleegmoeder en de opbouw van contact met de moeder) en zij hebben daarop positief gereageerd. Verder hebben de moeder en de pleegmoeder wederom mooie stappen gezet in hun onderlinge verstandhouding en hun vertrouwen in elkaar. Zij hebben de afgelopen periode al twee gezamenlijke (de moeders en de kinderen tezamen met een begeleider van [zorginstantie 2]) uitjes gehad. Dit is plezierig verlopen. Ook zijn mooie stappen gezet in de opbouw van het contact van de moeder met [minderjarige 2]. Op dit moment is [minderjarige 2] eenmaal per veertien dagen gedurende vier uren bij de moeder, ook bij haar thuis. Dit contact zal nog eenmaal deels begeleid door [zorginstantie 2] plaatsvinden en daarna geheel onbegeleid worden voortgezet. Het contact wordt door allen als plezierig ervaren. Positief is ook dat de pleegmoeder ziet dat [minderjarige 2] een band met de moeder opbouwt. De opbouw van het contact met [minderjarige 1] verloopt moeizamer. [minderjarige 1] heeft op dit moment één keer in de zes weken samen met [minderjarige 2] (door [zorginstantie 2]) begeleid contact met de moeder gedurende drie uren. De gezamenlijke bezoeken met zowel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlopen tot nu toe goed en de kinderen vinden de contacten fijn. Wel heeft [minderjarige 1] voor nu aangegeven nog niet naar het huis van de moeder te willen en geen uitbreiding van de huidige frequentie van de contacten te wensen. Ondanks de invoelbare wens van de moeder om meer contact met beide kinderen te hebben, vindt de kinderrechter het positief dat de moeder het tempo van [minderjarige 1] in de opbouw respecteert.

5.5.

Voor de komende periode is met alle partijen afgesproken dat de regie over de (verdere opbouw en invulling van de) zorgregeling volledig bij de moeder en de pleegmoeder komt te liggen. De pleegmoeder en de moeder kunnen zo ervaren of zij de zorgregeling samen kunnen vormgeven en samen kijken of en zo ja welke handvatten zij nog nodig hebben. Via [zorginstantie 2] (die vooralsnog de contacten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samen begeleidt) kan de gecertificeerde instelling op de hoogte blijven van de voortgang en stand van zaken. Verder is afgesproken dat de gecertificeerde instelling de komende periode de regie over de hulpverlening houdt, waarbij de gecertificeerde instelling heeft toegezegd te gaan kijken naar de mogelijkheden om de hulpverlening van de kinderen, de pleegmoeder en de moeder bij één instantie onder te brengen. Ten aanzien van de hulpverlening van de pleegmoeder zowel alleen als tezamen met de moeder is de insteek om de moeders in hun kracht te zetten als (gezamenlijke) opvoeders.

5.6.

Gebleken is dat alle partijen zich nog steeds willen inzetten om toekomstig gezamenlijk ouderschap van de moeder en de pleegmoeder verder vorm te geven. Op de zitting is gebleken dat de pleegmoeder op dit moment nog niet openstaat voor gezamenlijk gezag. Zij wenst de goede band die ze op dit moment met de moeder heeft niet onder druk te zetten. De moeder staat wel open voor gezamenlijk gezag en ook voor bekrachtiging van het Opvoedplan. De kinderrechter complimenteert de moeder en de pleegmoeder met de mooie stappen die zij inmiddels al hebben gezet en heeft ook haar vertrouwen in hen uitgesproken. De kinderrechter acht het van belang dat de moeder en de pleegmoeder de komende periode een belangrijke vervolgstap zetten door de samen – zonder de gecertificeerde instelling – de regie over de zorgregeling op zich te nemen.

5.7.

Tot slot benoemt de kinderrechter dat op de zitting is besproken dat de kinderrechter aan de griffie zal doorgeven dat het de voorkeur heeft dat eventuele verlengingsverzoeken door mr. W.G. de Boer zullen worden behandeld. De kinderrechter ontvangt bij een eventueel verlengingsverzoek graag een update over de laatste stand van zaken en verzoekt alle partijen na te denken over de door een ieder gewenste vervolgstappen.

5.8.

Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen tot 2 december 2026.

5.9.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.3

5.10.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 2 december 2026;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 2 december 2026;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 21 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »