ECLI:NL:RBDHA:2026:28895

Datum uitspraak
08-07-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Zaaknummer
SGR 24/5335
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vergunning van rechtswege. Wet Bibob. Landelijk Bureau niet ingeschakeld, dus geen sprake van een verlengde beslistermijn. Beroep gegrond. Overschrijding redelijke termijn.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 24/5335

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.P. van Galen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden

(gemachtigden: mr. Y.J.H. Assad en mr. R. Loomans)

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aangevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 27 juni 2023 heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd voor het splitsen van een woning aan de [adres] in een boven- en een onderwoning.

2.1.

Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 6 oktober 2023 geweigerd. Volgens het college is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening.

2.2.

Met het bestreden besluit van 19 april 2024 heeft het college het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan niet voldoet aan de fiets- en autoparkeereisen. Het bouwplan voorziet niet in de realisering van de daarvoor benodigde ruimte. Verder stelt het college dat het splitsen van de woning leidt tot gestapelde woningen. Dit is in strijd met artikel 6.2.1, onder b van het bestemmingsplan ‘Toussaintkade’.

2.3.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.4.

De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken heeft de rechtbank het onderzoek geschorst.

2.5.

Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.

2.6.

De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 opnieuw op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

2.7.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Is er sprake van procesbelang?

3. Eiser heeft bij de brief van 14 januari 2026 de rechtbank bericht dat het desbetreffende pand is verkocht. Eiser betoogt desondanks nog belang te hebben bij de beroepsprocedure, omdat de weigering van de omgevingsvergunning, althans de weigering om de van rechtswege verleende vergunning bekend te maken, tot schade heeft geleid.

3.1.

De rechtbank overweegt het volgende. Procesbelang is het belang dat eiser heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat eiser voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de eiser van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een eiser die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.

3.2.

Eiser heeft toegelicht dat hij de woningen direct na de verbouwing wenste te verhuren. Doordat de vergunning geweigerd is, is hij daarom huur misgelopen. Volgens hem had de verhuur van twee woningen meer opgeleverd dan de verhuur van de woning in zijn geheel. Dat komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. Naar het oordeel van de rechtbank is het procesbelang daarmee gegeven. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk beoordelen.

Overgangsrecht Omgevingswet

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Nu de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing, zoals die wet gold tot 1 januari 2024.1

Is er van rechtswege een vergunning verleend?

5. Eiser betoogt dat er niet binnen de wettelijke termijn op de aanvraag is beslist en dat daardoor van rechtswege een omgevingsvergunning was verleend. Het college kon dus niet alsnog een besluit tot afwijzing van de aanvraag nemen. Anders dan het college meent was de beslistermijn niet op grond van artikel 31 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) opgeschort, omdat die termijn alleen wordt opgeschort als advies wordt gevraagd aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (het Bureau). Zo’n advies is hier niet gevraagd.

5.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat aan eiser een vragenformulier is gestuurd op grond van de Wet Bibob, en dat met het toezenden van dat formulier en het starten van een onderzoek door het college de beslistermijn is opgeschort, waardoor het primaire besluit binnen de wettelijke termijn is genomen.

5.2.

Vast staat dat de reguliere voorbereidingsprocedure van paragraaf 3.2 van de Wabo op de aanvraag van toepassing is. Op grond van artikel 3.9 van de Wabo dient het bevoegd gezag binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag op de aanvraag te beslissen. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes weken worden verlengd. Op grond van artikel 7a van de Wet Bibob kan het bestuursorgaan dat bevoegd is om het Bureau om advies te vragen, ook zelf onderzoek verrichten naar  kort gezegd  feiten en omstandigheden die erop wijzen dat een betrokkene in relatie staat tot bepaalde strafbare feiten. Ingevolge artikel 31 van de Wet Bibob wordt, als het bestuursorgaan een advies aan het Bureau vraagt, de wettelijke termijn waarbinnen het besluit moet worden genomen, opgeschort gedurende de periode tussen de aanvraag en de ontvangst van het advies. In het geval van eiser staat vast dat een dergelijk advies niet is gevraagd. Uit de Memorie van Toelichting bij de invoering van artikel 7a van de Wet Bibob blijkt dat tijdens de internetconsultatie werd geadviseerd een regeling op te nemen om de beslistermijn te kunnen opschorten bij het doen van eigen onderzoek door het bestuursorgaan. Dat advies is echter bewust niet overgenomen, met name omdat volgens de regering de behandeling van een vergunningaanvraag en het doen van eigen onderzoek in beginsel parallel kunnen lopen.2 Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het starten van onderzoek door het college door toezending van het Bibob-formulier de beslistermijn niet heeft opgeschort. Nu de aanvraag is ingediend op 27 juni 2023 en het college  zoals eiser onbetwist heeft gesteld  de beslistermijn op 21 augustus 2023 met zes weken, dus tot en met 2 oktober 2023, heeft verlengd, moest het college uiterlijk 2 oktober 2023 op de aanvraag beslissen. Omdat op die dag nog niet was beslist was de vergunning op grond van artikel 3.9, derde lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4:20b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege verleend. Het college kon daarom niet nogmaals beslissen op de aanvraag.

5.3.

Eiser is in zijn beroepschrift nog ingegaan op de mogelijkheid van eventuele opschorting op grond van artikel 4:15 van de Awb. Het college heeft echter op de zitting uitdrukkelijk verklaard dat die bepaling niet ten grondslag heeft gelegen aan de opschorting van de termijn, maar dat die alleen gebaseerd was op de Wet Bibob. Maar zelfs opschorting met toepassing van artikel 4:15 van de Awb had er in dit geval niet toe geleid dat binnen de termijn was beslist. Na 21 augustus 2023 heeft het college eiser alleen nog een brief van 13 september 2023 gestuurd, waarin nogmaals aanvullende gegevens werden gevraagd. Die brief bracht mee dat de beslistermijn per 14 september 2023 werd opgeschort, maar eiser heeft onbetwist gesteld dat op 15 september 2023 de gevraagde gegevens zijn verstrekt. Dat levert maximaal een opschorting van twee dagen op, dus tot 4 oktober 2023. Zelfs als van een dergelijke opschorting moet worden uitgegaan is dus niet binnen de termijn beslist.

5.4.

Het voorgaande betekent dat het besluit van 6 oktober 2023 bij het bestreden besluit had moeten worden herroepen. Dat heeft het college ten onrechte niet gedaan. Dit betoog slaagt, en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 3.9, derde lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb.

Definitieve geschilbeslechting

6. Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslist de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Om die reden zal de rechtbank hierna ingaan op de vraag in hoeverre, zoals het college betoogt, het bouwplan in strijd is met de (fiets)parkeerregels en de bepaling in het bestemmingsplan die voorschrijft dat ter plaatse alleen aaneengesloten bebouwing mogelijk is.

Is het bouwplan in strijd met de (fiets)parkeerregels?

7. Eiser betoogt dat het bouwplan ruimte biedt voor voldoende fiets- en autoparkeerplaatsen. Daarmee wordt volgens hem, anders dan het college in het bestreden besluit vermeldt, voldaan aan de verplichting van artikel 6, lid 6.4, onder b, van het bestemmingsplan ‘Toussaintkade’ om ter plaatse van de aanduiding ‘parkeren’ te voorzien in één parkeerplaats per woning. Ook wordt voldaan aan de parkeernormen zoals vastgesteld in de ‘Parapluherziening fietsparkeren’ en de Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020.

7.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan zoals aangevraagd niet voldoet aan de parkeernormen.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan in minimaal zes fietsparkeerplaatsen en twee autoparkeerplaatsen dient te voorzien.

Gelet op de bouwtekeningen die bij het beroepschrift zijn ingediend, acht de rechtbank aannemelijk dat de eigen grond rond de woning voldoende ruimte biedt voor het stallen van in ieder geval zes fietsen (op de tekening zijn er zelfs tien ingetekend) en twee auto’s, die laatste op parkeervakken van 2,40 bij 5 m. Daarmee wordt aan de eisen voldaan. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvraag niet blijkt dat aan de kwaliteitseisen van de Beleidsregels wordt voldaan, omdat geen bijzondere voorzieningen zoals een berging, nietjes/rekken of witte lijnen worden getroffen. Die overweging ligt echter niet ten grondslag aan het bestreden besluit. Anders dan het college aanneemt, vloeit bovendien uit de Beleidsregels en het normstellend document fietsparkeersystemen van de Stichting FietsParKeur, waar de Beleidsregels naar verwijzen, niet voort dat dergelijke voorzieningen moeten worden getroffen in een situatie als deze, waarbij het uitsluitend gaat over het plaatsen van een beperkt aantal fietsen op het bij een woning horende eigen terrein. Het is daarom voldoende als het bouwplan voorziet in voldoende ruimte voor het plaatsen van de fietsen en auto’s in kwestie. Daarvan is hier sprake.

Is het bouwplan in strijd met de aanduiding ‘aaneengebouwd’?

8. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Toussaintkade’ met enkelbestemming ‘Wonen-1’ en aanduiding ‘aaneengebouwd’. Ingevolge artikel 6.1 van de planregels geldt voor het bouwen binnen het bouwvlak onder andere dat ter plaatse van de aanduiding ‘aaneengebouwd’ de woningen aaneengesloten dienen te worden gebouwd.

8.1.

Eiser betoogt dat, anders dan het college meent, de aanduiding ‘aaneengebouwd’ niet betekent dat alleen grondgebonden woningen zijn toegestaan, maar alleen meebrengt dat woningen moeten worden gebouwd met een gesloten voorgevelrooilijn.

8.2.

Het college stelt zich op het standpunt dat splitsing van de woning betekent dat er gestapelde woningen worden gerealiseerd. Dit is op grond van de aanduiding ‘aaneengebouwd’ niet toegestaan. Enkel aaneengesloten grondgebonden woningen kunnen worden gebouwd.

8.3.

Het begrip ‘aaneengesloten bouwen’ is in het bestemmingsplan niet gedefinieerd. Uit een letterlijke uitleg van die term volgt dat ter plaatse van de bedoelde aanduiding geen zijdelingse ruimte tussen de te bouwen woningen mag ontstaan. Hieruit volgt niet dat enkel grondgebonden woningen zijn toegestaan. Ook gestapelde woningen kunnen immers op zo’n manier worden gebouwd dat er geen zijdelingse ruimte tussen zit. Het standpunt van het college dat binnen de bestemming ‘Wonen-2’ enkel gestapelde woningen zijn toegestaan en dat daaruit kan worden afgeleid dat binnen de bestemming ‘Wonen-1’ gestapelde woningen juist niet zijn toegestaan, kan de rechtbank niet volgen. Uit het feit dat een bepaalde vorm van bouwen binnen het ene gebied verplicht is, kan immers niet worden afgeleid dat die vorm binnen een ander gebied verboden is. Ten slotte klopt het dat in de kavelregels voor dit type kavel – zoals het college stelt – staat dat per kavel één grondgebonden woning kan worden gerealiseerd, maar de kavelregels vormen een bijlage bij de toelichting bij het bestemmingsplan en zijn dus als zodanig niet bindend. Het voorgaande betekent dat het bouwplan ook op dit punt niet in strijd is met het bestemmingsplan.

Overschrijding van de redelijke termijn

9. Eiser heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

9.1.

De behandeling van zaken als deze, waarin sprake is van een bezwaar- en beroepsprocedure, mag maximaal twee jaar duren. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De redelijke termijn vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.

8.2.

Het bezwaarschrift is op of rond 14 november 2023 door het college ontvangen. De behandeling van de zaak heeft afgerond 32 maanden geduurd. De redelijke termijn is dus met acht maanden overschreden. De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eiser aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Eiser heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.000,-. Niet is gebleken dat het college de bezwaartermijn heeft overschreden. Dat betekent dat de Staat het gehele schadebedrag aan eiser moet betalen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond, omdat het college bij het bestreden besluit ten onrechte het primaire besluit heeft gehandhaafd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf een beslissing en herroept het primaire besluit. Het college moet de van rechtswege verleende omgevingsvergunning alsnog bekendmaken. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:20c, eerste lid, van de Awb stelt de rechtbank hiervoor een termijn van twee weken.

9.1.

Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, is verschenen bij de hoorzitting, heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,- (2 x € 666,- + 2 x € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het bestreden besluit;

  • herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • draagt het college op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak de van rechtswege verleende omgevingsvergunning bekend te maken;

  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;

  • veroordeelt het college tot betaling van in totaal € 3.200,- aan proceskosten aan eiser;

  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.000,- wegens het overschrijden van de redelijke termijn.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »