RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58088
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Samenvatting
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Eiser valt namelijk onder de uitsluitingsgrond 1D van het Vluchtelingenverdrag2, maar uit openbare bronnen is gebleken dat de VN-organisatie het United Nations Relief and Works Agency (hierna: UNRWA) in Syrië aan eiser, als Palestijnse vluchteling, onvoldoende bescherming kan bieden. In verband daarmee had de minister aan eiser en zijn dochter een vluchtelingenstatus moeten toekennen. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel voor eiser heeft.
Procesverloop
Eiser heeft op 27 november 2022 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw aangevraagd.
De minister heeft met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 de aanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw, afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Eilo als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard te zijn geboren op [geboortedatum] 1984, van Palestijnse afkomst en staatloos te zijn. Eiser is in [geboorteplaats], Syrië geboren en heeft voorafgaand aan zijn vertrek in juli 2022 in het vluchtelingenkamp voor Palestijnen in [plaats] gewoond, samen met zijn minderjarige dochter genaamd [naam]. Eiser is daar erkend als Palestijnse vluchteling en kreeg bijstand van UNRWA. Eiser heeft Syrië verlaten vanwege de algemene onveilige situatie en omdat eiser meerdere keren is afgeperst voor geld. Eiser vreest bij terugkeer naar Syrië in de problemen te komen met de nieuwe regering of andere partijen, omdat eiser onpartijdig is gebleven.
Standpunten partijen
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de algemene onveilige situatie in Syrië.
De minister heeft - kort samengevat - de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit, herkomst geloofwaardig geacht. Het asielmotief met betrekking tot de algemene onveilige situatie heeft de minister niet op geloofwaardigheid beoordeeld. De minister concludeert verder dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag omdat eiser is uitgesloten op grond van artikel 1D. Eiser kreeg namelijk als Palestijnse vluchteling bescherming of bijstand van de UNRWA in Syrië. De minister stelt zich verder op het standpunt dat indien eiser terug zou keren naar Syrië hij opnieuw bijstand en bescherming van de UNRWA kan inroepen. De minister wijst er op dat UNRWA nog actief is in Syrië en dat Palestijnse vluchtelingen zich tot de organisatie kunnen wenden. Eisers familie maakt daar nog steeds gebruik van. Dat de bijstand van UNRWA is terug geschaald doet daar niet aan af. Hiertoe overweegt de minister dat het vluchtelingenkamp waar eiser eerder verbleef nog in goede conditie is en UNRWA de essentiële diensten nog aanbiedt. Eiser heeft volgens de minister ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade.
Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Moet eiser worden erkend als vluchteling?
Eiser voert aan dat vaststaat dat hij onder het UNRWA-mandaat valt en daadwerkelijk bijstand en bescherming van de UNRWA heeft ontvangen in Syrië. Echter is deze bescherming opgehouden en kan eiser niet meer terugvallen op hulp van de UNRWA. Nu er geen alternatieven zijn geregeld voor deze hulpverlening, stelt eiser aangemerkt te moeten worden als vluchteling. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de kamerbrief van het landenbeleid over Syrië, waaruit volgt dat de UNRWA onvoldoende functioneert en dat de situatie van Palestijnse vluchtelingen in Syrië erg slecht is. Gelet op het voornoemde concludeert eiser dat de UNRWA niet aan zijn mandaat kan voldoen en dat hij daarmee onder de ‘insluitingsgrond’ van het Vluchtelingenverdrag valt.
De rechtbank overweegt allereerst dat artikel 1D, eerste volzin, personen die al bescherming krijgen van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de UNHCR,3 uitsluit van de werkingssfeer van het Vluchtelingenverdrag. Dit betekent dat die personen zijn uitgesloten van de vluchtelingenstatus (de uitsluitingsgrond).4 Deze uitsluiting berust op de vooronderstelling dat die personen de bescherming van het Vluchtelingenverdrag niet nodig hebben, omdat zij al op een andere wijze bescherming hebben gevonden. Een persoon is uitgesloten in bovengenoemde zin als hij direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van een asielverzoek daadwerkelijk de in artikel 1D genoemde bescherming of bijstand heeft ontvangen5. Het enkele feit dat deze persoon zich op dit moment bevindt buiten het gebied waarin UNRWA werkzaam is of dit gebied vrijwillig verlaat, volstaat niet om de in artikel 1D neergelegde uitsluiting van de vluchtelingenstatus te beëindigen6.
UNRWA is een orgaan van de Verenigde Naties als bedoeld in artikel 1D en is opgericht om Palestijnse vluchtelingen bescherming en bijstand te bieden. In beginsel leidt een UNRWA-registratiekaart op naam van de aanvrager tot de conclusie dat deze persoon valt onder de reikwijdte van de uitsluitingsgrond. De rechtbank stelt vast dat eiser is geregistreerd bij UNRWA en dat hij tot aan zijn vertrek uit het vluchtelingenkamp in [plaats], bijstand van UNRWA heeft ontvangen. Uit het voorgaande volgt dat eiser van vluchtelingenstatus moet worden uitgesloten op grond van artikel 1D.
De rechtbank overweegt verder dat onder omstandigheden de personen die op grond van artikel 1D worden uitgesloten toch aanspraak kunnen maken op een vluchtelingenstatus. Dit wordt de insluiting genoemd. Artikel 1D, tweede volzin, bepaalt namelijk dat, wanneer de bescherming of bijstand is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de personen die werden beschermd van rechtswege onder de werking van het Vluchtelingenverdrag vallen (insluitingsgrond). Aan hen moet vluchtelingenstatus worden toegekend zonder dat zij aannemelijk hoeven te maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben, tenzij zij onder een van de overige uitsluitingsgronden vallen. Door dit systeem wordt de bescherming van deze groep vluchtelingen gegarandeerd totdat hun positie definitief is geregeld.
Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of de UNRWA nog voldoende functioneert en dat UNRWA aan eiser, indien hij terugkeert naar Syrië, voldoende bescherming en ondersteuning kan bieden. De insluitingsgrond is van toepassing als de UNRWA niet in staat is in het desbetreffende mandaatgebied levensomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht, waardoor de staatloze wegens omstandigheden buiten zijn wil gedwongen is het werkgebied van UNRWA te verlaten. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat hiervoor een actuele beoordeling vereist is van de vraag of UNRWA jegens eiser zal kunnen voldoen aan de verplichtingen die uit haar mandaat volgen als eiser naar het mandaatgebied zou moeten terugkeren. Dat gaat verder dan de vraag of UNRWA eiser kan beschermen tegen behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM7. UNRWA moet levensomstandigheden kunnen bieden die stroken met de taak van de organisatie: om Palestijnse vluchtelingen te beschermen, maar ook om hun welzijn en ontwikkeling te dienen. UNRWA moet in ieder geval in staat zijn om te voorzien in de basisbehoeften van Palestijnse vluchtelingen, zoals voedsel, water, onderdak en de mogelijkheid om onderwijs te volgen. Humanitaire omstandigheden, ook omstandigheden die los staan van eisers individuele situatie, kunnen van belang zijn voor deze beoordeling. Zowel de eigen verklaringen van de vreemdeling als de actuele algemene informatie over UNRWA en de positie van Palestijnse vluchtelingen in het betreffende mandaatgebied moeten bij die beoordeling worden betrokken8.
De rechtbank is van oordeel dat UNRWA in [plaats], Syrië, niet aan zijn mandaat kan voldoen. Daarmee is de bescherming of bijstand van UNRWA opgehouden te bestaan. De rechtbank wijst daarbij allereerst op de beslisnota9 van de minister over het landenbeleid ten aanzien van Syrië, waarin het volgende is opgenomen: ‘Ook aan staatloze Palestijnen afkomstig uit Syrië werd vluchtelingschap verleend, vanwege het niet voldoende functioneren van UNRWA. In deze laatste situatie is echter niets veranderd10’. De conclusie in het landenbeleid wordt ook ondersteund door het door eiser ter zitting aangehaalde EUAA11-rapport ‘UNRWA’s ability to fulfil its mandate across its areas of operation’ van 15 april 2026. In dit rapport komt duidelijk naar voren dat UNRWA niet in staat is om te voorzien in de basisbehoeften van Palestijnse vluchtelingen. Zo blijkt uit het EUAA-rapport dat de Palestijnse vluchtelingen echt zijn aangewezen op de hulp van UNRWA en dat het voedseltekort inmiddels is gestegen naar 92% halverwege het jaar 2025. Uit deze rapporten volgt ook dat in de nieuwe situatie, net zoals voorheen onder het regime van Assad, er in beginsel van uit moet worden gegaan dat UNRWA niet aan zijn mandaat kan voldoen en dat de bescherming en bijstand moet worden geacht te zijn opgehouden12. Gelet op de verslechterde situatie ten opzichte van het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025, waarnaar de minister in het bestreden besluit verwijst, in combinatie met de beslisnota en de EUAA-rapporten, is het de rechtbank onduidelijk waarom de minister in dit geval niet het uitgangspunt in de beslisnota hanteert.
Op grond van artikel 8:41a van de Awb13 moet de bestuursrechter een geschil zoveel mogelijk definitief beslechten. In lijn met de arresten Quotal en Ebilum14 heeft de rechtbank daarnaast de bevoegdheid om een bindende uitspraak te doen over onder andere de gegrondheid van een verzoek om internationale bescherming. De rechtbank is vanwege het voorgaande van oordeel dat eiser moet worden erkend als vluchteling en dat zijn beroep dus gegrond is. Eiser genoot kort voor het indienen van zijn asielaanvraag bijstand van UNRWA, maar deze bijstand is opgehouden te bestaan omdat UNRWA geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden. De positie van staatloze Palestijnen is niet definitief geregeld in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Eiser valt dus onder de insluitingsgrond van artikel 1D. De minister heeft zich niet op het standpunt gesteld dat een van de andere uitsluitingsgronden uit het Vluchtelingenverdrag van toepassing is en dat blijkt verder ook nergens uit. Aan eiser moet daarom een verblijfsvergunning asiel op de daarmee corresponderende grond worden toegekend.
Conclusie en gevolgen
De minister heeft de aanvraag ten onrechte ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Omdat het beroep al hierom gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van wat verder door eiser is aangevoerd in beroep.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. De rechtbank acht het beroep gegrond en draagt de minister op om binnen zes weken aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepsschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Dit wordt berekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,00 per punt. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 29 oktober 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Jongmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.