RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.51389, NL26.2305 en NL26.2306
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J. Veendorp-de Boer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 november 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep2 op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, B. Habte Essaias als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij was gevlucht uit Eritrea omdat hij niet in militaire dienst wil. Eiser vreest bij terugkeer voor razzia’s en dat hij in militaire dienst moet.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de gestelde dienstplicht en illegale uitreis.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft namelijk zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet kunnen onderbouwen met authentieke documenten. Ook heeft eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat hij uit Eritrea komt. Nu eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn geacht, heeft de minister op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling een verdere beoordeling van eisers asielrelaas en bijbehorende asielmotieven, niet verder getoetst.3 Eisers asielmotieven hebben immers slechts betekenis tegen de achtergrond van zijn herkomst, identiteit en nationaliteit. De gestelde weigering voor militaire dienst en de daaruit volgende illegale uitreis heeft de minister daarom niet getoetst. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond4.
De geloofwaardigheid van eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Het standpunt van eiser
5. Eiser stelt dat hij gevolgd moet worden in zijn identiteit, nationaliteit en land van herkomst. Eiser heeft een doopakte kunnen overleggen en documenten die zien op de identiteit van gezinsleden. Volgens eiser heeft hij op deze wijze genoegzaam aannemelijk gemaakt de Eritrese nationaliteit te hebben. Ook ten aanzien van zijn herkomst hoeft geen twijfel te bestaan. Eiser wijst op zijn verklaringen in het rapport van het aanmeldgehoor (pagina’s 4 en 5), waaruit duidelijk blijkt dat eiser uit Eritrea komt, omdat hij de herkomstvragen goed heeft beantwoord.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig heeft kunnen vinden. Eiser heeft namelijk geen documenten overgelegd die zijn identiteit onderbouwen. Ten aanzien van de doopakte heeft de minister kunnen concluderen dat dit geen identificerend brondocument betreft, het niet door de Eritrese autoriteiten is afgegeven en geen pasfoto bevat. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat uit de overgelegde foto's van de identiteitskaarten van eisers moeder en broer niet de relatie tot eiser blijkt en dus hiermee de gezinsband niet wordt aangetoond. Dat eiser op zitting naar voren brengt een document te hebben met betrekking tot zijn zus, maakt het niet anders. Dit document is namelijk niet overgelegd in zijn procedure en onderbouwt ook niet de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. Verder heeft de minister kunnen wijzen op de landeninformatie5, waaruit volgt dat identiteitspapieren noodzakelijk kunnen zijn om te kunnen functioneren in de Eritrese samenleving. Ook blijkt hieruit dat het voor iedere burger van 18 jaar en ouder verplicht is een identiteitskaart (menenet) te hebben. Uit het Algemeen Ambtsbericht blijkt ook dat iedere persoon jonger dan 18 jaar staat geregistreerd op een Family residence card. Daarnaast wordt vanaf 15-jarige leeftijd een individuele residence card verstrekt. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat het van eiser verwacht mag worden, dat hij inspanningen verricht om een identificerend document te overleggen om zijn identiteit te onderbouwen.
Bovendien heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat eiser wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn leeftijd. Eiser heeft bij indiening van zijn asielaanvraag een minderjarige leeftijd opgegeven (18 mei 2006). Naar aanleiding van de door de IND en AVIM verrichte schouw is twijfel ontstaan over de door eiser gestelde minderjarige leeftijd. Naar aanleiding hiervan heeft de minister navraag gedaan bij de Italiaanse autoriteiten. Gebleken is dat eiser in Italië onder een andere naam en geboortedatum geregistreerd stond. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de in Italië geregistreerde geboortedatum onjuist is. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn registratie en het is niet gebleken dat eiser een poging heeft ondernomen om de leeftijdsregistratie in Italië aan te laten passen of zijn identiteit alsnog te onderbouwen met originele authentieke documenten waarover hij wel had kunnen beschikken.Anders dan eiser stelt, oordeelt de rechtbank dat het enkele feit dat eiser een paar antwoorden op de herkomst- en topografievragen goed heeft, hier niet tegen op weegt en niet maakt dat eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk moeten worden geacht. Deze kennis kan bovendien ook via andere bronnen verkregen worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeer naar Eritrea
Het standpunt van eiser
7. Eiser vreest terug te keren naar Eritrea, waar een nationale (levenslange) dienstplicht bestaat. Deze staat bekend om de harde omstandigheden en meest onderdrukkende regimes en is een vorm van dwangarbeid. Eritreeërs die het militaire onderdeel van de nationale dienstplicht moeten vervullen lopen daarom een reëel risico op een onmenselijke behandeling, wat strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM. Eiser wijst op informatie van de VN en Amnesty International waaruit blijkt dat Eritreeërs die gedwongen worden terug te keren een groot risico lopen op mishandeling, marteling en onmenselijke of vernederende behandeling. Bij aankomst worden teruggekeerde vluchtelingen vaak beschouwd als verraders en kunnen zij direct in detentie terecht komen en de geconfronteerd worden met onmenselijke behandeling.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank overweegt als volgt. Naar aanleiding van prejudiciële vragen die gesteld zijn door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond6, heeft het Hof van Justitie in het arrest Ararat verduidelijkt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van de artikelen 4 en 19, tweede lid van het Handvest7, de minister verplicht om een actuele beoordeling van het refoulementrisico te maken vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit.8 Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft vervolgens in een tussenuitspraak overwogen dat, gelet op de systematiek van de vreemdelingenwet en meer in het bijzonder van de meeromvattende beschikking, uit het arrest Ararat volgt dat de minister deze actuele beoordeling van het refoulementrisico moet maken vóór de oplegging van het terugkeerbesluit, omdat in de vreemdelingenwet niet is voorzien in een zelfstandig besluit tot verwijdering.9 Bij uitspraak in hoger beroep tegen de einduitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond10, heeft de Afdeling de hierboven genoemde tussenuitspraak van zittingsplaats Roermond bevestigd. Daarin heeft de Afdeling de overwegingen uit de tussenuitspraak van zittingsplaats Roermond bevestigd door te oordelen dat uit het arrest Ararat volgt dat de minister op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest, de plicht heeft een onderzoek te verrichten waarbij de minister – op grond van wat door een vreemdeling is aangevoerd, de gegevens uit het dossier én op grond van (algemene) informatie over het land van herkomst – zich er van moet vergewissen dat de betrokken derdelander bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest11. Daarbij moet het gaan om een geactualiseerde beoordeling van het risico op refoulement.
Uit bovenstaande jurisprudentie volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister bij het opnemen van één of meerdere landen van terugkeer in het terugkeerbesluit een kenbare en actuele beoordeling moet maken van de vraag of terugkeer naar deze landen strijdig is met het non-refoulementbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit óók als de nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet aannemelijk zijn geworden, nu bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn het beginsel van non-refoulement in elke fase van de terugkeerprocedure moet worden geëerbiedigd. Op zitting heeft de minister bevestigd dat deze beoordeling of sprake zal zijn van een risico op refoulement, niet is gemaakt.
Nu de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit niet heeft beoordeeld of er bij terugkeer van eiser naar Eritrea sprake zal zijn van een risico op refoulement, is er is daarom sprake van een motiveringsgebrek in de besluitvorming. De minister zal een kenbare en actuele beoordeling moeten maken van de vraag of terugkeer naar Eritrea, op grond van individuele op de specifieke persoon van eiser betrekking hebbende omstandigheden en/of wel op grond van algemene informatie over dit land, strijdig is met het non-refoulement beginsel. Daarbij zal rekening gehouden moeten worden met de verklaringen van eiser en met hetgeen algemeen bekend is over Eritrea.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep zal gegrond worden verklaard, omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb12. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zijn geheel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf te voorzien, omdat nader onderzoek nodig is. De minister moet onderzoeken of verwijdering van eiser naar Eritrea mogelijk is, onder eerbiediging van het non-refoulementsbeginsel.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.13 De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Het beroep niet tijdig beslissen (en de voorlopige voorziening) met zaaknummers NL26.2305 en NL26.2306
10. Namens eiser is op 28 juli 2025 beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser. Dit beroep is op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb ook gericht tegen het bestreden besluit. Dit maakt dat er twee beroepszaken aanhangig zijn tegen het bestreden besluit, namelijk de zaken NL25.51389 en NL26.2305. Nu de minister al een besluit op de aanvraag van eiser heeft genomen, en het beroep NL26.2305 en voorlopige voorziening NL26.2306 ten overvloede zijn ingediend, betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij een uitspraak op dit tweede beroep. Van een ander (proces)belang is de rechtbank niet gebleken. In zoverre acht de rechtbank dan ook geen procesbelang aanwezig met betrekking tot de zaak NL26.2305. De rechtbank zal het beroep in de zaak NL26.2305 daarom niet-ontvankelijk verklaren en de voorlopige voorziening afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 november 2025;
- draagt de minister op binnen acht na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser,
- verklaart het beroep met zaaknummer NL26.2305 niet-ontvankelijk en wijst de voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.2306 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.