vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team Toezicht
insolventienummer: NL:TZ:2616545:R-RK
vonnis van 23 september 2026 (bij vervroeging)
op het verzoek van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker] .
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1 De procedure
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 11 september 2026. Met de uitnodiging voor deze zitting is aan [verzoeker] een WSNP-informatieboekje meegezonden. Op de zitting verschenen:
- [verzoeker] ,
- mevrouw [naam 1] namens schuldhulpverleningsinstantie Kredietbank Nederland,
- de heer [naam 2] , beschermingsbewindvoerder van SIBB B.V.
De rechtbank heeft bepaald (uiterlijk) 25 september 2026 uitspraak te doen.
2 De beoordeling van het verzoek
Toelating tot de WSNP
[verzoeker] kan alleen worden toegelaten tot de WSNP als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoeker] aan de verplichtingen van de WSNP zal voldoen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of er aanleiding is een eerdere ingangsdatum van de WSNP te bepalen.
[verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de WSNP.
De verplichtingen waaraan [verzoeker] tijdens de WSNP moet voldoen staan in het WSNP-informatieboekje beschreven. Samengevat komt dit neer op: een informatieverplichting, een inspanningsverplichting, een verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan en een afdrachtverplichting.
De wet schrijft voor dat de eerste dertien maanden van het traject een postblokkade geldt. Deze postblokkade geldt gedurende de materiële looptijd van de schuldsaneringsregeling. Als de schuldsaneringsregeling eerder eindigt, stopt de postblokkade. Gedurende deze periode zal alle post naar de bewindvoerder gaan. De bewindvoerder stuurt de post na controle weer door aan [verzoeker] .
Het WSNP-traject duurt in principe achttien maanden. Als [verzoeker] zich gedurende die periode houdt aan alle verplichtingen die de WSNP met zich brengt, eindigt het traject na verloop van die achttien maanden met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de WSNP werkt niet meer op [verzoeker] kunnen verhalen.
Ingangsdatum termijn van de WSNP
Een termijn van een wettelijke schuldsaneringsregeling kan ook beginnen te lopen vanaf de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f Fw. Het moet gaan om een eerste aflossing tijdens ‘het minnelijk traject van schuldhulpverlening’, waarbij afdracht onder beslag kan gelden als zo’n eerste aflossing (HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Vanaf dat moment moet de schuldenaar maximaal aflossen op zijn schulden. Daarnaast moet hij zich in de verzochte periode maximaal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven.
[verzoeker] verzoekt de ingangsdatum van de termijn van de WSNP te bepalen op 1 juni 2025.
De rechtbank zal het verzoek om een eerdere ingangsdatum te bepalen toewijzen, maar een andere ingangsdatum bepalen dan is verzocht. Zij overweegt daartoe als volgt.
Als uitgangspunt voor aanvang van het minnelijk traject hanteert de rechtbank het moment waarop de schuldhulpverlener de afloscapaciteit heeft vastgesteld aan de hand van een eerste correcte berekening van het vrij te laten bedrag (de vtlb-berekening): zie in dit verband onder meer Rechtbank Den Haag, 10 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5966. Dit geldt ook ingeval van beslag. De eerste vtlb-berekening is vastgesteld op 11 februari 2025.
Niet is gebleken dat [verzoeker] zich tijdens het gehele minnelijk traject maximaal heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verkrijgen. Dit blijkt uit het volgende.
In de periode van 11 februari 2025 tot 26 mei 2025 ontving [verzoeker] een uitkering op grond van de Participatiewet. Hij heeft niet met medische stukken onderbouwd dat hij volledig arbeidsongeschikt was. Ook heeft hij niet aangetoond dat hij in die periode
heeft gesolliciteerd naar betaald werk. Dit betekent dat er gedurende deze periode geen sprake is van maximaal inspannen zoals hierboven in rechtsoverweging 2.6. weergegeven.
Op [datum] 2025 bereikte [verzoeker] de AOW-gerechtigde leeftijd. Sindsdien ontvangt hij een uitkering op de grond van de Algemene Ouderdomswet, aangevuld met een pensioenuitkering. In de periode van 26 mei 2025 tot november 2025 beschikte [verzoeker] over afloscapaciteit volgens de normen die gelden voor de berekening van het vtlb. Toch heeft hij in deze periode niets afgelost. Dit betekent dat er gedurende deze periode geen sprake is van een eerste aflossing of maximaal aflossen zoals hierboven in rechtsoverweging 2.6. weergegeven.
De eerste aflossing in het kader van het minnelijk traject heeft, in de vorm van een beslag, plaatsgevonden in november 2025. In de periode van november 2025 tot en met juni 2026 is sprake geweest van beslaglegging. De bedragen die in die periode aan de beslaglegger(s) zijn afgedragen, waren ten minste gelijk aan de afloscapaciteit volgens de vtlb-normen. Verder zal de rechtbank het bedrag dat in juli 2026 te veel is afgedragen volgens de vtlb-normen, salderen met juni 2026, waarin niets is afgedragen terwijl dit wel had gemoeten. In deze periode van in totaal negen maanden (november 2025 tot en met juli 2026) heeft [verzoeker] zich dus wél voldoende ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Voor de maanden augustus en september 2026 kan de rechtbank dat op dit moment niet vaststellen.
De rechtbank zal daarom bepalen dat de termijn van de WSNP negen maanden eerder ingaat dan de datum van deze uitspraak. De termijn gaat dus lopen vanaf 23 december 2025.
3 De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ;
- wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum toe;
- stelt de termijn van deze regeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf 23 december 2025;
- stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. A.J. Nederhoed en tot bewindvoerder:
J.M. Hoogland (Sociaal.nl Schuldsanering B.V.),
postbus 845,
1440 AV Purmerend;
- geeft de bewindvoerder opdracht om de komende dertien maanden, of zoveel eerder als de schuldsaneringsregeling eindigt, de post van [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen:
o zolang de schuldsaneringsregeling loopt en
o voor zover de boedel toereikend is;
- wijst af het meer of anders verzochte.
Dit is de beslissing van mr. A.J. Nederhoed, rechter, in samenwerking met C. Groesbeek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 (bij vervroeging).
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met de eerdere ingangsdatum?
Mocht uw verzoek om een eerdere ingangsdatum niet of niet volledig zijn toegewezen, dan kunt u gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.