ECLI:NL:RBDHA:2026:28075

Datum uitspraak
24-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL26.50067
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Spoedvovo hangende bezwaar tegen afwijzing uitstel van vertrek (artikel 64 van de Vw 2000); bezwaar geen redelijke kans van slagen omdat dit te laat is ingediend; afgewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.50067

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , v-nummer [x] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).

Procesverloop

1. Verzoekster heeft op 2 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag met het besluit van 14 oktober 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond en verzoekster met toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) tijdelijk uitstel van vertrek verleend, omdat de minister hierover nog geen definitief besluit kon nemen. Met het besluit van 14 april 2026 heeft de minister dit tijdelijke uitstel van vertrek verlengd. Met het besluit van 27 mei 2026 heeft de minister bepaald dat eiseres geen uitstel van vertrek wordt verleend.

1.1.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 mei 2026. Zij heeft de voorzieningenrechter op 28 augustus 2026 verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de minister haar niet mag uitzetten en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (het COa) haar opvangvoorzieningen niet mag beëindigen totdat op het bezwaar is beslist. De minister heeft op dit verzoek gereageerd met een verweerschrift.

1.2.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.1

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed dit, gelet op de betrokken belangen, vereist.2 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet.

3. Uit het dossier blijkt dat het COa voornemens is om de opvangvoorzieningen van verzoekster op 25 september 2026 te beëindigen. Alleen al daarom heeft zij een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Wat heeft verzoekster aangevoerd?

4. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de minister haar niet mag uitzetten en het COa haar opvangvoorzieningen niet mag beëindigen totdat op het bezwaar tegen de afwijzing van haar verzoek om uitstel van vertrek is beslist. Het bezwaarschrift is volgens haar ontvankelijk en heeft een reële kans van slagen. Verzoekster heeft PTSS. Ten tijde van het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) bevond haar psychiatrische behandeling zich in een overgangsfase, omdat een wisseling van behandelaar zou plaatsvinden. Inmiddels heeft die wisseling plaatsgevonden en staat verzoekster onder behandeling van een GGZ-behandelaar in haar eigen woonplaats. Het BMA heeft in zijn advies niet kunnen beoordelen wat de aard en intensiteit van de huidige behandeling zijn en welke (medisch relevante) gevolgen beëindiging of onderbreking daarvan voor verzoekster kan hebben, zodat niet langer kan worden uitgegaan van de eerdere conclusie van het BMA dat bij uitblijven van een behandeling geen medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden wordt verwacht. Verzoekster vindt dat de minister om die reden om een nieuw BMA-advies moet verzoeken. Verder heeft de minister onvoldoende beoordeeld welke gevolgen de terugkeer van verzoekster en haar partner heeft voor hun privé- en gezinsleven, omdat in dit verband slechts de medische aspecten zijn beoordeeld. Verzoekster wijst er in dit verband op dat zij psychisch kwetsbaar is en niet is beoordeeld welke gevolgen het afwijzende besluit heeft voor het gezamenlijke gezinsleven van haar en haar partner.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het bezwaar naar zijn oordeel geen redelijke kans van slagen heeft.

5.1.

Het besluit waarbij is bepaald dat verzoekster geen uitstel van vertrek wordt verleend dateert van 27 mei 2026. Tegen dit besluit kon verzoekster binnen vier weken bezwaar maken.3 De toenmalig gemachtigde van verzoekster heeft dit echter pas op 20 juli 2026, dus na het verstrijken van deze termijn, gedaan, onder vermelding van het feit dat zij het besluit pas op 15 juli 2026 had ontvangen. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat in de bezwaarprocedure tussen partijen in geschil is of verzoekster op tijd bezwaar heeft gemaakt.

5.2.

De voorzieningenrechter stelt op basis van het dossier vast dat het besluit van 27 mei 2026 niet per aangetekende post is verzonden. Voor een niet-aangetekend verzonden besluit geldt dat het bestuursorgaan de verzending daarvan aannemelijk moet maken als verzoekster stelt dat dit niet of niet op tijd is ontvangen. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van een juiste adressering en verzenddatum, en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Heeft het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk gemaakt, dan wordt vermoed dat het besluit is ontvangen en (dus) op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, zodat de rechtsgevolgen daarvan zijn ingetreden en de bezwaartermijn is aangevangen.4 Het ligt in dat geval op de weg van verzoekster om dat vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient verzoekster feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld.5

5.2.1.

Zoals de zittingsplaats Rotterdam van deze rechtbank eerder heeft geoordeeld, is het verzend(registratie)proces van de minister, ondanks dit niet volledig is geautomatiseerd en er geen registratiemoment vlak voorafgaand aan de deponering van een poststuk in de postzak plaatsvindt, met zodanige waarborgen omkleed dat het nagenoeg uitgesloten is dat er fouten in de postverzending en in de registratie daarvan worden gemaakt.6 Dit maakt dat het interne administratiesysteem INDiGO en het verzendhuis samen een deugdelijk postverzendings(registratie)systeem vormen. Concreet betekent het voorgaande dat als een poststuk in INDiGO de status “Bericht verwerkt” heeft gekregen, onder vermelding van een datum, aangenomen kan worden dat het desbetreffende poststuk daadwerkelijk op die datum is verzonden.

5.2.2.

Uit de overgelegde verzendadministratie van de minister blijkt dat het besluit van 27 mei 2026 de status “Bericht verwerkt” heeft gekregen en op 28 mei 2026 is verzonden. De minister heeft het besluit, anders dan verzoekster in haar verzoekschrift aanvoert, ook correct geadresseerd door dit te verzenden aan de gemachtigde die verzoekster heeft bijgestaan in de asielprocedure. De minister wijst er namelijk terecht op dat het hier niet gaat om een aparte procedure om verlening van uitstel van vertrek, maar een ambtshalve toets die voortkomt uit de eerdere asielprocedure. Zoals de voorzieningenrechter onder 1 heeft overwogen, heeft de minister tegelijkertijd met de afwijzing van de asielaanvraag van verzoekster immers (tijdelijk) uitstel van vertrek verleend in afwachting van een definitieve beslissing daarover. Daar komt nog bij dat niet is gebleken dat verzoekster de minister vóór 27 mei 2026 heeft geïnformeerd dat zij een andere gemachtigde heeft. Het bezwaarschrift van 20 juli 2026 is ook ingediend door dezelfde gemachtigde als de gemachtigde die verzoekster in de asielprocedure heeft bijgestaan. Daarom is sprake van een andere situatie dan de situatie in de door verzoekster aangehaalde rechtspraak, waarin wel concrete indicaties waren dat een eerdere gemachtigde de betrokkene niet langer bijstond.7

5.2.3.

Het is daarom aan verzoekster om aannemelijk te maken dat zij het besluit niet eerder dan 15 juli 2026 heeft ontvangen, en dat heeft zij in bezwaar en in haar verzoekschrift niet gedaan. De voorzieningenrechter houdt het er daarom voor dat het besluit op 28 mei 2026 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, zodat verzoekster te laat bezwaar heeft gemaakt. Nu geen omstandigheden naar voren zijn gebracht op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.

5.3.

De voorzieningenrechter ziet tot slot ambtshalve geen reden voor het oordeel dat verzoekster door een eventuele niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar terechtkomt in een situatie die onmiskenbaar in strijd is met artikel 3 van het EVRM.8 Uit het BMA-advies dat ten grondslag ligt aan de afwijzing van het verzoek om uitstel van vertrek, volgt immers dat het – zelfs bij het uitblijven van een behandeling – niet in de lijn der verwachting ligt dat zich een medische noodsituatie zal voordoen. De enkele omstandigheid dat verzoekster inmiddels een andere behandelaar heeft, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om aan die mededeling in het BMA-advies te twijfelen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De minister hoeft de proceskosten van verzoekster niet te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »