RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54638
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , v-nummer [x] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft op 20 juli 2026 verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De minister heeft dit verzoek met het besluit van 28 augustus 2026 afgewezen.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 augustus 2026.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 30 augustus 2026 verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de minister hem niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft dit verzoek met zijn uitspraak van 9 september 2026 afgewezen.1
Op 15 september 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter andermaal verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de minister hem niet mag uitzetten totdat op het bezwaar is beslist. De minister heeft op dit verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.2
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed dit, gelet op de betrokken belangen, vereist.3 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet.
3. Uit het dossier blijkt dat de minister voornemens is om verzoeker op 24 september 2026 om 12:30 uur via Parijs uit te zetten naar Tunesië. Alleen al daarom heeft hij een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.
Wat heeft verzoeker aangevoerd?
4. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat de minister hem niet mag uitzetten naar Tunesië totdat op het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van zijn verzoek om uitstel van vertrek is beslist. Verzoeker voert allereerst aan dat hij op 18 september 2026 enkele cardiologische onderzoeken in het [ziekenhuis] in [plaats] moet ondergaan en een uitzetting vóór die datum zou betekenen dat deze (belangrijke) afspraken geen doorgang kunnen vinden. Verder wijst verzoeker erop dat aan het besluit tot afwijzing van zijn verzoek om uitstel van vertrek weliswaar een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) ten grondslag ligt, maar dat zich sindsdien enkele (medische) ontwikkelingen hebben voorgedaan die maken dat van de juistheid van dat advies niet meer kan worden uitgegaan.4 Verzoeker zou namelijk op 12 september 2026 worden uitgezet, maar die uitzetting is niet doorgegaan en hij verblijft daarom nog altijd in het detentiecentrum in [plaats] . Met het oog op een nieuwe uitzetting is zijn cardiologische medicatie – bestaande uit eenmaal daags dapagliflozine en fosinopril – op 14 september 2026 al wel stopgezet. Het is niet gebleken dat een cardioloog bij die beslissing betrokken is geweest en daarom onduidelijk of het beëindigen van deze medicatie medisch verantwoord is. Daarnaast kan zonder beoordeling van de resultaten van de onderzoeken van 18 september 2026 niet met zekerheid worden vastgesteld wat de actuele cardiologische toestand van verzoeker is en welke risico’s een uitzetting met zich brengt. De minister moet daarom in de bezwaarprocedure een nieuw BMA-advies vragen en de uitzetting van verzoeker tot dat moment uitstellen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij op 9 september 2026 heeft geoordeeld dat het ingediende bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2026 geen redelijke kans van slagen heeft, (onder meer) omdat uit het BMA-advies van 27 augustus 2026 blijkt dat geen medische noodsituatie wordt verwacht binnen drie tot zes maanden en dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Het is niet gebleken dat verzoeker zijn bezwaargronden heeft aangevuld en verzoeker heeft hierover verder ook niets opgemerkt in de gronden van zijn (huidige) verzoekschrift. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat de cardiologische onderzoeken van 18 september 2026 inmiddels hebben plaatsgevonden, zodat een voorlopige voorziening niet (langer) nodig is om deze afspraken doorgang te laten vinden. Dat betekent dat de voorzieningenrechter hierna alleen beoordeelt of de door verzoeker benoemde nieuwe (medische) ontwikkelingen reden vormen om aan de inhoud van het BMA-advies te twijfelen en de uitzetting van verzoeker daarom achterwege moet blijven totdat op het bezwaar is beslist.
De door verzoeker benoemde nieuwe ontwikkelingen vormen naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende reden om aan de actualiteit van het BMA-advies van 27 augustus 2026 te twijfelen.
Voor zover verzoeker als zelfstandige nieuwe ontwikkeling(en) heeft aangevoerd dat hij op 12 september 2026 zou worden uitgezet, deze uitzetting uiteindelijk niet is doorgegaan en verzoeker daarna is teruggekeerd naar het detentiecentrum in [plaats] , zegt dat niets over de medische situatie van verzoeker. Daarom kan dat op zichzelf genomen geen afbreuk doen aan het BMA-advies.
De omstandigheid dat de cardiologische medicatie van verzoeker op 14 september 2026 zou zijn gestopt, kan ook geen afbreuk doen aan de actualiteit van het BMA-advies. In dit verband heeft de minister er in de eerste plaats terecht op gewezen dat feitelijk niet duidelijk is of de medicatie van verzoeker daadwerkelijk is gestopt. Uit het overgelegde medisch dossier van verzoeker blijkt weliswaar dat de cardiologische medicatie op 14 september 2026 is stopgezet, maar uit navraag van de minister bij de medische dienst van het detentiecentrum blijkt dat verzoeker nog altijd medicatie krijgt en dat hij in het bezit zal worden gesteld van reismedicatie. Verzoeker heeft dat verder in zijn reactie op het verweerschrift niet betwist. Bovendien wijst de minister er terecht op dat, zelfs al zou de medicatie zijn gestopt, dit geen relevante omstandigheid is die doet twijfelen aan het BMA-advies van 27 augustus 2026. Nog daargelaten dat de medicatie kennelijk is gestopt onder begeleiding van een arts, volgt uit het BMA-advies dat bij het uitblijven van een medische behandeling geen ernstige complicaties of levensbedreigende situaties binnen drie tot zes maanden worden verwacht, maar slechts dat de verminderde pompfunctie van het hart van verzoeker “op langere termijn” kan achteruitgaan.
De aanvullende cardiologische onderzoeken op 18 september 2026 vormen tot slot onvoldoende reden om aan de actualiteit van het BMA-advies te twijfelen. De minister wijst er terecht op dat in het BMA-advies al is betrokken dat verzoeker een aandoening aan zijn hartspier heeft en de pompkracht van het hart om die reden is verminderd, maar dat er op dit moment geen duidelijke aanwijzingen voor hartfalen zijn. Eveneens is in het BMA-advies betrokken dat verzoeker medio september 2026 nader zou worden onderzocht door een cardioloog. Maar het enkele feit dat na het uitbrengen van het BMA-advies nog nieuwe afspraken met medisch specialisten hebben plaatsgevonden, wil niet zonder meer zeggen dat de gezondheidssituatie van verzoeker ook ten opzichte van het BMA-advies is gewijzigd. Dat kan slechts aannemelijk worden gemaakt met de resultaten van (medisch) onderzoek dat tijdens deze afspraken heeft plaatsgevonden, maar dat heeft verzoeker niet gedaan. Uit het overgelegde medisch dossier van verzoeker blijkt slechts dat zijn hartritme van 20 tot 21 september 2026 door middel van een zogenoemd Holteronderzoek is geregistreerd, maar dat is een beschrijving van het uitgevoerde onderzoek en geen onderzoeksresultaat. Gelet op de inhoud van het BMA-advies, waarin op basis van informatie van de behandelaar(s) van verzoeker is toegelicht welke diagnose bij verzoeker is gesteld, ziet de voorzieningenrechter evenmin reden voor het oordeel dat – zoals verzoeker nog heeft aangevoerd – het medisch onderzoek naar zijn hartproblemen nog niet zou zijn afgerond en de minister om die reden een aanvullend BMA-advies zou moeten vragen.
Voor zover verzoeker nog heeft betoogd dat het belang van de minister bij een onmiddellijke verwijdering beperkt is en het belang van verzoeker om het bezwaar in Nederland te mogen afwachten om die reden moet prevaleren, slaagt dit betoog niet. Nog daargelaten dat verzoeker dit niet verder heeft uitgelegd, wijst de minister er terecht op dat verzoeker al geruime tijd in Nederland is, al lang in het bezit is van een terugkeerbesluit en zijn uitzetting al meermaals heeft gefrustreerd.5 Onder die omstandigheden valt, mede met het oog op wat hiervoor over de medische situatie van verzoeker is overwogen, niet in te zien waarom het belang van de minister om verzoeker te verwijderen beperkt zou zijn en het belang van verzoeker om het bezwaar in Nederland af te wachten zou prevaleren.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De minister hoeft de proceskosten van verzoeker niet te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.