RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28510
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , v-nummer: [x] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek om medische redenen. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 mei 2026 afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Met het bestreden besluit van 15 september 2026 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. De minister heeft op 17 september 2026 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.1 De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek om een voorlopige voorziening onder meer of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
3. Uit het bestreden besluit blijkt dat er voor verzoeker op 21 september 2026 een vlucht gepland staat om hem uit te zetten naar Irak. Er is dus sprake van een concreet voornemen tot verwijdering van verzoeker. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de vereiste onverwijlde spoed dan ook aanwezig.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding om uitspraak te doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.2
Heeft het beroep een redelijke kans van slagen?
4. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het beroep een redelijke kans van slagen heeft.
Samengevat voert verzoeker aan dat de minister niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Verzoeker heeft concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het BMA-advies van 5 mei 2026, zodat de minister niet zonder meer van de juistheid van dat advies uit heeft mogen gaan. Zo meldt het BMA-advies ten onrechte dat voor verzoekers slaapapneu en leververvetting geen behandeling plaatsvindt. Verzoeker legt een brief over van een GZA-huisarts van 25 augustus 2026 waaruit volgens hem blijkt dat hiervoor wel degelijk behandeling ontvangt. De huisarts heeft in die brief bovendien verklaard dat het staken van het gebruik van CPAP gezondheidsrisico’s kan meebrengen en dat voortzetting van de behandeling van belang is. Ook schrijft de huisarts dat slaapapneu geassocieerd wordt met een verhoogd risico op onder andere hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten, hartritmestoornissen en diabetes mellitus type 2. De conclusie dat verzoeker zonder CPAP niet binnen drie tot zes maanden in een medische noodsituatie zal komen, is daarom niet gedragen door een volledig medisch feitencomplex. Daarnaast is in het BMA-advies niet deugdelijk beoordeeld of het uitblijven van behandeling van verzoekers oogklachten tot ernstige lichamelijke schade kan leiden. Hetzelfde geldt voor verzoekers psychische klachten. Ook blijkt uit de voornoemde brief van de huisarts dat verzoeker recentelijk vanwege zijn aanhoudende buikpijn en maagklachten naar een MDL-arts is verwezen. Verder heeft de minister de indicatieve termijn van drie tot zes maanden feitelijk als een strikte termijn toegepast, terwijl dat niet is toegestaan. Verzoeker wijst hierbij op het arrest X van het Hof van Justitie.3 Ook is de conclusie dat verzoeker zonder bijzondere medische voorzieningen kan reizen onvoldoende gemotiveerd. Gelet op het voorgaande heeft het BMA ten onrechte ook geen landgebonden beoordeling verricht, omdat geen medische noodsituatie wordt verwacht. Ook is verzoeker ten onrechte niet gehoord omdat het bezwaar kennelijk ongegrond zou zijn. Ten slotte kan de behandeling van het beroep zijn praktische betekenis verliezen als verzoeker op korte termijn wordt uitgezet. Dat leidt tot een schending van het recht op een effectief rechtsmiddel, aldus verzoeker.
Bij een aanvraag voor uitstel van vertrek4 toetst de minister of de aanvrager medisch gezien in staat is om te reizen en of er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen. Daarvan is sprake als uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie en de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst niet beschikbaar is, of, als die medische behandeling wel beschikbaar is, is gebleken dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is. Er is sprake van een medische noodsituatie, als de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.5
Een BMA-advies is een deskundigenadvies dat aan de minister wordt uitgebracht voor de uitoefening van zijn bevoegdheden.6 Als de minister een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij zich ervan vergewissen dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als aan die eisen is voldaan, mag de minister bij de beoordeling van een aanvraag van een BMA-advies uitgaan. Dit is anders als er concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Een vreemdeling kan met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van een BMA-advies betwisten.7
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het beroep geen redelijke kans van slagen. Verzoeker heeft namelijk geen concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren gebracht die maken dat de minister niet van het BMA-advies van 5 mei 2026 mag uitgaan.
Leververvetting
5. De voorzieningenrechter overweegt dat in het BMA-advies onder punt 2b wordt benoemd dat verzoeker voor zijn overige klachten – waarmee onder andere de leververvetting bedoeld wordt – onder behandeling is van zijn huisarts. Het gegeven dat verzoeker voor zijn leververvetting wordt behandeld is dus wel degelijk betrokken bij het BMA-advies. Uit de brief van de huisarts van 25 augustus 2026 blijkt dat deze behandeling specifiek bestaat uit een periodieke controle, voedingsadviezen en een controle-echografie eens in de twee jaar. Uit deze toelichting blijkt niet dat er een medische noodsituatie zal ontstaan binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden als deze behandeling achterwege blijft. Verzoeker wordt daarom niet gevolgd in zijn standpunt dat dit niet deugdelijk is beoordeeld door het BMA.
Slaapapneu
6. Ten aanzien van de conclusies over verzoekers slaapapneu en zijn gebruik van een CPAP-apparaat zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren gebracht. Het BMA-advies stelt weliswaar dat verzoeker niet lijkt te worden behandeld voor zijn slaapapneu, maar het mogelijke gebruik van een CPAP-apparaat is wél onder punt 3 van het BMA-advies betrokken. Uit de brief van de huisarts van 25 augustus 2026 blijkt niet dat er – anders dan het gebruik van een CPAP-apparaat – voor de slaapapneu behandeling plaatsvindt. Verzoeker wordt daarom niet gevolgd in zijn stelling dat de beoordeling van het BMA op dit punt onjuist of onvolledig is geweest. De voorzieningenrechter overweegt verder dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat hij het CPAP-apparaat niet mee kan nemen naar Irak en de behandeling bij terugkeer kan voortzetten. Maar ook als het gebruik van het CPAP-apparaat niet voortgezet kan worden, dan leidt dat niet tot een ander oordeel. Het BMA heeft in het advies onder 4 geschreven dat bij het staken van de behandeling van de lichamelijk problematiek – waaronder slaapapneu valt – wel enige gevolgen zijn te verwachten maar niets wat leidt tot een medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Dat volgt ook niet uit de brief van de huisarts van 25 augustus 2026. Uit die brief blijkt dat slaapapneu lichamelijke problematiek tot gevolg heeft, zoals vermoeidheid, verminderde slaapkwaliteit, concentratie- en geheugenproblemen en verminderd functioneren overdag – wat het BMA in zijn advies onder 4 ook heeft onderkend en heeft betrokken – maar deze gevolgen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om de conclusie van een medische noodsituatie te rechtvaardigen. Daarnaast stelt de huisarts dat onbehandelde slaapapneu geassocieerd wordt met een verhoogd risico op onder andere hoge bloeddruk, hart- en vaatziekten, hartritmestoornissen en diabetes mellitus type 2. De voorzieningenrechter leidt uit de brief af dat de huisarts dit in algemene zin opmerkt – als algemeen risico bij onbehandelde slaapapneu – omdat de huisarts vervolgens schrijft dat hij over de ernst van verzoekers slaapapneu geen uitspraken kan doen, omdat hij niet beschikt over de oorspronkelijk diagnostische gegevens of verslaglegging van het slaaponderzoek. Uit deze brief blijkt niet dat dit (algehele) risico of het staken van de behandeling met CPAP – waarvan de huisarts schrijft dat het van belang is dat deze wordt voortgezet – maakt dat verzoeker na terugkeer in een medische noodsituatie terecht zal komen.
Overige medische klachten
7. Wat verzoeker heeft aangevoerd over zijn overige medische klachten (oogklachten, psychische klachten en buikpijn en maagklachten) leidt niet tot een andere conclusie. Het BMA stelt in zijn advies dat het uitblijven van behandeling van verzoekers oogklachten uiteindelijk tot volledige blindheid kan leiden, maar dat dit niet binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden tot een medische noodsituatie zal leiden. Verzoeker heeft dit enkel betwist, zonder stukken te overleggen waaruit blijkt dat deze conclusie onjuist is. Dat verzoekers oogklachten mogelijk op de langere termijn tot volledige blindheid zullen leiden doet niet af aan de in het BMA-advies getrokken conclusie, nu dat buiten de indicatieve termijn van drie tot zes maanden valt. Uitspraken over de vraag of een medische noodsituatie zich voordoet ná zes maanden kan een BMA-arts dan ook niet doen.8 Wat betreft de beoordeling door het BMA van de psychische klachten stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker deze beoordeling weliswaar betwist, maar geen stukken heeft overgelegd die zijn standpunt onderbouwen. Van een concreet aanknopingspunt van twijfel is daarom geen sprake. Verder heeft het BMA een mogelijke verwijzing naar een MDL-arts vanwege verzoekers buikpijn en maagklachten betrokken in zijn advies onder punt 2b. Het enkele feit dat die verwijzing er inmiddels is, maakt niet dat het BMA-advies op dit punt ondeugdelijk is. Verzoeker heeft ook niet onderbouwd dat de verwijzing naar de MDL-arts maakt dat sprake is van een medische noodsituatie.
Indicatieve termijn
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minister in het geval van verzoeker niet een onjuiste termijn heeft gehanteerd. Nu het gaat om uitstel van vertrek van iemand die in beginsel verplicht is Nederland te verlaten, is het niet onredelijk en onontkoombaar dat een tijdsduur in ogenschouw wordt genomen. De wijze waarop de minister het uitvoeringsbeleid op basis van de uitspraak van het Hof van Justitie van 22 november (zie voetnoot 3) heeft uitgewerkt en dat er uit bestaat dat geen strikte termijn maar een indicatieve termijn met een marge van een aantal maanden wordt gehanteerd, acht de voorzieningenrechter in overeenstemming met het genoemde arrest. De voorzieningenrechter ziet een bevestiging van dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 20 december 20239. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daar in de situatie van verzoeker anders over te oordelen. Verzoeker heeft immers niet met medische stukken of anderszins aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde termijn te strikt is of dat de minister niet of onvoldoende rekening gehouden heeft met de concrete aandoeningen waaraan hij lijdt.
Reisvoorwaarden
9. De voorzieningenrechter overweegt verder dat het tot de deskundigheid van de arts van het BMA behoort om te beoordelen wat de voorwaarden zijn voor verzoeker om te kunnen reizen. In het BMA-advies is geconcludeerd dat er hiervoor geen medische voorzieningen noodzakelijk zijn, hoewel wel wordt aanbevolen dat verzoeker een schriftelijke overdracht van zijn medische gegevens en voldoende medicatie meeneemt. Verzoeker heeft niet met (medische) stukken onderbouwd dat de beoordeling van het BMA over verzoekers reisgeschiktheid onjuist is. De enkele stelling is daartoe onvoldoende. De voorzieningenrechter volgt verzoeker hier dan ook niet in.
Landgebonden beoordeling
10. Nu er gelet op het voorgaande geen sprake zal zijn van een medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden, heeft de minister daarnaast geen landgebonden beoordeling hoeven verrichten.10 Verzoeker wordt dus ook niet gevolgd in zijn betoog dat het BMA deze ten onrechte niet heeft verricht.
Hoorplicht
11. De minister mag van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Verzoeker heeft in bezwaar de conclusies van het BMA-advies niet met nieuwe medische stukken betwist noch op andere wijze onderbouwd dat aan de inhoud van het BMA-advies moet worden getwijfeld. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat de minister mocht afzien van het horen van verzoeker.
Schending van het recht op een doeltreffend rechtsmiddel
12. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verzoeker, doordat zijn uitzetting zal plaatsvinden voordat het beroep zal worden behandeld, verstoken blijft van een effectief rechtsmiddel. De voorzieningenrechter heeft immers in deze uitspraak de rechtmatigheid van het bestreden besluit inhoudelijk beoordeeld.
13. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat het beroep van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.