Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09/135845-22
Datum uitspraak: 17 september 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] (hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres], [woonplaats].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van 3 september 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. P.T. Verweijen en de raadsman van de verdachte is mr. A. Çatbaş. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich op 30 mei 2022 samen met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt aan:
Feit 1: oplichting, subsidiair dat hij daaraan medeplichtig is geweest;
Feit 2: (eenvoudig) witwassen;
Feit 3: diefstal door middel van een valse sleutel.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 (eenvoudig witwassen) en 3 ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde feit en heeft zich met betrekking tot de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2022157060, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer-Leidschendam/Voorburg, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 298).
De rechtbank zal voor feit 1 primair en feit 3 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 3 september 2026;
2. het proces-verbaal van aangifte van [aangever], opgemaakt op 30 mei 2022 (p. 19-24);
ten aanzien van feit 3 ook:
3. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juni 2022 (p. 149-150).
Voor feit 2 heeft de rechtbank hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. het proces-verbaal van aangifte van [aangever], opgemaakt op 30 mei 2022, voor zover inhoudende (p. 19-24):
Op maandag 30 mei 2022 werd ik gebeld door een persoon die zich uitgaf als fraudemedewerker van de ABN-AMRO bank. Ik was op dat moment thuis in mijn woning in [plaats]. Ik kreeg eerst een man aan de lijn. Vervolgens werd de lijn overgenomen door een vrouw die mij verschillende instructies gaf wat ik met mijn bankrekening moest doen. Hierna kreeg ik weer een man aan de lijn. Uiteindelijk gaf hij aan dat mijn bankpas opgehaald zou worden omdat deze direct geblokkeerd moesten worden. Dezelfde dag omstreeks 16.30 uur belde een man aan. Ik heb de man vier bankpasjes mee gegeven en ook mijn Ipad. Op maandag 30 mei omstreeks 20.45 uur stond de politie bij onze woning en vertelde dat er geld van de rekening is afgeschreven. Er is kennelijk twee keer gepind bij twee verschillende vestigingen van mediamarkt: één maal een bedrag van 8193 euro en één maal een bedrag van 6016 euro.
2. de verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 3 september 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik bij het slachtoffer aan de deur ben geweest en dat ik de pinpassen heb opgehaald. Ik wist dat het niet pluis was. Het klopt dat ik met een van de pinpassen Apple Macbooks heb gekocht bij de MediaMarkt.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gehandeld. De verdachte zal daarom van het ten laste gelede medeplegen worden vrijgesproken.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 30 mei 2022 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten inloggegevens en pinpassen en pincodes, hebben de verdachte en zijn mededader(s) met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergeven
- opzettelijk valselijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich via een telefonische verbinding en internet, tegenover voornoemde [aangever] voorgedaan als medewerkers van de ABN-AMRO bank, en
- die [aangever] verzocht hem (via een programma genaamd Anydesk) op afstand mee te laten kijken in de computer van [aangever] en
- tegen die [aangever] gezegd dat zijn bankpassen opgehaald zullen worden, omdat die direct geblokkeerd moeten worden en
- de iPad van die [aangever] op te halen, om veiligheidsredenen,
waardoor die [aangever] werd bewogen tot voornoemde afgifte;
2
hij op 30 mei 2022 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg en Den Haag en Rijswijk meerdere voorwerpen (bankpassen en Apple MacBooks), voorhanden heeft gehad en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen, onmiddellijk, afkomstig waren uit enig eigen misdrijf;
3
hij op 30 mei 2022 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, en 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, in totaal een geldbedrag van 14.209 euro (8.193 euro en 6.016 euro), dat aan [aangever], toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door een pinpas en (bijbehorende) pincode (ter betaling van in totaal vijf laptops en een telefoon) te gebruiken die niet aan verdachte toebehoren.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De op te leggen straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - met toepassing van het volwassenenstrafrecht en rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn - wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren gevorderd, met een proeftijd van één jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, onder verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, verzocht om aan de verdachte een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan bankhelpdeskfraude; dat houdt in dit geval in het oplichten van een hoogbejaard slachtoffer en het pinnen met de bij het slachtoffer weggenomen pinpas. Het slachtoffer werd telefonisch benaderd door personen die zich voordeden als medewerkers van een bank. Daarbij is op schaamteloze wijze misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van het bejaarde slachtoffer en van het vertrouwen dat zij van het slachtoffer wisten te winnen. De verdachte was de persoon die naar de woning van het slachtoffer is gegaan om daar pinpassen en een iPad op te halen. Vervolgens heeft de verdachte met één van deze weggenomen pinpassen dure producten van Apple aangeschaft. Daarnaast is met behulp van de verkregen inlogcodes van het slachtoffer geld overgeboekt naar andere bankrekeningen. Het slachtoffer is als gevolg hiervan voor grote bedragen gedupeerd.
Bankhelpdeskfraude is een ernstige vorm van criminaliteit die, naast financiële schade, ook gevoelens van angst en onveiligheid bij slachtoffers teweegbrengt. Het is extra kwalijk dat juist een persoon van hoge leeftijd tot slachtoffer is gemaakt, vanwege de doorgaans grote kwetsbaarheid en afhankelijkheid van dergelijke personen. De verdachte heeft slechts aan zijn eigen (financiële) gewin gedacht en op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. Ook niet na oog in oog gestaan te hebben met het slachtoffer en zo de kwetsbaarheid te hebben gezien en ervaren. De rechtbank rekent dat de verdachte aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer, faciliteert de onderliggende criminaliteit en tast de legale economie aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juli 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Dit betekent dat het strafblad niet in strafverzwarende zin zal worden meegewogen bij de straftoemeting.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het evaluatieverslag van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 26 februari 2026. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het risico op recidive van de verdachte als laag wordt ingeschat. De verdachte heeft gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis positieve stappen gezet. Zo heeft hij zijn behandeling positief afgerond en is hij niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Daarnaast heeft hij een fulltime baan, beschikt hij over een stabiel inkomen en zijn er geen schulden bekend. Uit het rapport volgt dat de reclassering voornemens is het toezicht positief te beëindigen.
Toepassing van het jeugdstrafrecht in adolescentenstrafrecht zaken
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De verdachte was 19 jaar oud toen hij de bewezen verklaarde feiten pleegde. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. De vraag is of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding is om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit het (verouderde) reclasseringsrapport van 27 juli 2022 volgt dat de verdachte toentertijd actief deelnam aan zijn gezin en ontvankelijk was voor sociale, emotionele of praktische ondersteuning en beïnvloeding door volwassenen. Daarnaast achtte de reclassering op dat moment continuering van de schoolgang noodzakelijk. Volgens de reclassering maakte de verdachte bovendien enigszins een jongere indruk dan leeftijdsgenoten. Van de contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht was geen sprake. Alles afwegende kwam de reclassering tot het advies om het jeugdstrafrecht toe te passen.
De rechtbank zal het advies van de reclassering volgen en het jeugdstrafrecht toepassen.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden.
In deze zaak is die termijn aangevangen op 31 mei 2022, de dag dat de verdachte voor de eerste keer is verhoord door de politie en in verzekering is gesteld. De termijn tussen het eerste verhoor en dit eindvonnis is ruim 51 maanden. Daarmee is de redelijke termijn in ernstige mate, te weten met ruim 35 maanden overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen, zoals hierna zal worden uitgelegd.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen.
De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat de verdachte de oplichting en de diefstal door middel van een valse sleutel samen met anderen heeft gepleegd en dat zij zich hebben gericht op een kwetsbaar, hoogbejaard slachtoffer.
In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte, het feit dat hij niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat hij zich gedurende de (lange) schorsing van de voorlopige hechtenis goed aan de schorsende voorwaarden heeft gehouden.
De rechtbank zal, zoals hiervoor overwogen, de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straf doordat de hierna te melden werkstraf met de helft is verminderd ten opzichte van de straf die zou zijn opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn.
Gelet op het tijdsverloop in deze zaak en de overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank een jeugddetentie niet meer passend. Vanwege de ernst van de feiten is de rechtbank evenwel van oordeel dat nog een onvoorwaardelijke taakstraf dient te volgen en dat niet kan worden volstaan met een straf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, zoals door de raadsman is bepleit. De rechtbank acht een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 160 uren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank een werkstraf van 80 uren opleggen.
De rechtbank vindt het van belang dat de verdachte de directe gevolgen van zijn handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid.
Anders dan gevorderd door de officier van justitie zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel aan de verdachte opleggen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven tot zorgen over de verdachte. Daarnaast wordt het risico op recidive door de reclassering als laag ingeschat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft een voorwaardelijk strafdeel onder deze omstandigheden geen meerwaarde.
7 De vordering van de benadeelde partij
[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van materiële schade een bedrag van € 5.916,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering nu de vordering niet door de juiste tenaamgestelde is ingediend.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Uit het dossier blijkt dat het gevorderde geldbedrag van € 5.916,- is afgeschreven van de zakelijke rekening ten name van Stichting [stichting], waarvan [naam] de gemachtigde natuurlijk persoon is. De vordering is echter ingediend door [aangever]. Niet is gebleken dat [aangever] bevoegd was om de vordering tot schadevergoeding in te dienen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
8 De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet evenwel aanleiding tot het ambtshalve opleggen van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr ten behoeve van Stichting [stichting]. Deze maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat Stichting [stichting] schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte. De verdachte is als medepleger betrokken geweest bij de oplichting van [aangever], waarbij (onder meer) de pinpas ten name van Stichting [stichting] is weggenomen. Kort daarna zijn van de rekening ten name van voornoemde stichting twee geldbedragen, van in totaal
€ 5.916,-, overgeboekt naar andere bankrekeningen. De schade is daarmee een rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde handeling van de verdachte.
De verdachte is naar burgerlijk recht jegens Stichting [stichting] aansprakelijk voor een bedrag van € 5.916,-.
De rechtbank zal daarom aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht opleggen tot een bedrag van € 5.916,- vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag zoals hierna is vermeld.
9 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 47, 55, 77c, 77g, 77m, 77n, 77gg, 311, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10 De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, onder feit 2 en onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van feit 1 primair:
medeplegen van oplichting;
ten aanzien van feit 2 en feit 3:
de eendaadse samenloop van
eenvoudig witwassen;
en
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 80 (TACHTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (VEERTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
de vordering van de benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van Stichting [stichting] te betalen € 5.916,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan Stichting [stichting], tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van Stichting [stichting] en omgekeerd;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. M. de Kleine, kinderrechter,
mr. B.J. de Groot, rechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 september 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 30 mei 2022, te Amsterdam en/of [plaats] en/of een of meer andere plaats(en) in Nederland, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten geld en/of inloggegevens en/of pinpassen en/of pincodes en/of betaalgegevens, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met voren omschreven oogmerk - zakelijk
weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich (meermalen) via een telefonische verbinding en/of internet, tegenover voornoemde [aangever] voorgedaan als (een) medewerker(s) van de ABN-AMRO bank, althans met een andere dan verdachtes en/of verdachtes mededader(s) echte naam, en/of (daarbij)
- die [aangever] verzocht hem/hen (via een programma genaamd Anydesk) op afstand mee te laten kijken in de computer van [aangever] en/of
- tegen die [aangever] gezegd dat zijn bankpassen opgehaald zullen worden, omdat die direct geblokkeerd moeten worden en/of
- de Ipad van die [aangever] op te halen, om veiligheidsredenen,
waardoor die [aangever] werd bewogen tot voornoemde afgifte;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 30 mei 2022 te [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten geld en/of inloggegevens en/of pinpassen en/of pincodes en/of betaalgegevens, door
- die [aangever] te verzoeken hem/hen (via een programma genaamd Anydesk) op afstand mee te laten kijken in de computer van [aangever] en/of
- tegen die [aangever] te zeggen dat zijn bankpassen opgehaald zullen worden, omdat die direct geblokkeerd moeten worden en/of
- de iPad van die [aangever] op te halen, om veiligheidsredenen,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 30 mei 2022 te [plaats], althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door die bankpassen en/of iPad op te halen bij die [aangever];
2
hij op of omstreeks 30 mei 2022 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg en/of Den Haag en/of Rijswijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van één of meerdere voorwerpen (geld en/of (een) bankpas(sen) en/of Apple MacBooks),
- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp c.q deze voorwerpen is/zijn en/of (420bis lid 1 sub a Sr)
- dit voorwerp c.q. deze voorwerpen heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad
en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
(420bis lid 1 sub b Sr) terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden (420quater Sr), dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig (eigen) (420bis.1 Sr) misdrijf;
3
hij op of omstreeks 30 mei 2022 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in totaal ongeveer een geldbedrag van 14.209 euro (8.193 euro en 6.016 euro), in elk geval (telkens) enig geldbedrag/goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen geldbedragen/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door een pinpas en/of (bijbehorende) pincode (ter betaling van in totaal vier laptops en/of een telefoon) te gebruiken die niet aan verdachte toebehoren.