RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6295
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [x] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en
de minister van Buitenlandse Zaken,
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag visum voor kort verblijf van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen, omdat ten tijde van het bestreden besluit kennelijk nog onduidelijkheden bestonden over het feitencomplex. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf bij haar dochter (referente) om bij de bevalling van haar kleinkind te kunnen zijn. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 augustus 2025 afgewezen.
Eiseres heeft tegen deze afwijzing bezwaar ingediend en heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats afgewezen bij uit spraak van 6 oktober 2025.1
Met het bestreden besluit van 20 januari 2026 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de tijdelijke vervanger van de gemachtigde van eiseres, mr. M.J.A. Rinkes en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiseres heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1969. Zij heeft op 30 juli 2025 een visum voor kort verblijf aangevraagd, omdat zij haar dochter die in Nederland woont wilde bezoeken. Haar dochter zou namelijk in oktober 2025 bevallen van haar eerste kind. Eiseres wilde haar dochter bijstaan tijdens de bevalling en ondersteunen in de periode na de bevalling. Bij bericht van 4 december 2025 heeft eiseres het doel van haar aanvraag gewijzigd in ‘familiebezoek’ om haar inmiddels geboren kleinkind te kunnen bezoeken.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat hij zich op het standpunt stelt dat er sprake is van redelijke twijfel of eiseres het grondgebied van de EU na afloop van haar visum zal verlaten. De minister legt aan zijn standpunt ten grondslag dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar verblijf niet heeft aangetoond en dat niet is gebleken van een voldoende sociale en economische binding van eiseres met Irak.2 Omdat het achterliggende feitencomplex volgens de minister duidelijk was, heeft de minister de aanvraag van eiseres afgedaan als kennelijk ongegrond zonder haar te horen in bezwaar.
Mocht de minister afzien van horen in bezwaar?
5. Eiseres betoogt dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord en de aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eiseres wijs is dat kader op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waaruit – kort gezegd – volgt dat het niet horen in bezwaar een uitzondering is.3 Volgens eiseres heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij in dit geval kon afzien van het horen en het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren. Eiseres is hierdoor in haar belangen geschaad omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld om toe te lichten hoe bepaalde omstandigheden tot een ander inzicht hadden kunnen leiden en om eventuele gebreken te herstellen.
Eiseres wijst op de door haar genoemde familiebanden met Irak, te weten het gezin van haar zoon dat bij haar thuis woont, de zorg voor haar kleinkind en voor haar ouders, die op leeftijd zijn. Verder heeft eiseres er nog op gewezen dat haar broers en zussen allemaal ook nog in Irak wonen, dat zij haar hele leven in Irak heeft gewoond en buiten Irak dus geen sociale kring heeft, behalve dus haar dochter die in Nederland woont.
Verder heeft eiseres met betrekking tot de economische binding met Irak nog aangevoerd dat zij een nabestaandenpensioen geniet van haar overleden man, ter onderbouwing waarvan zij een pensioenpas heeft overgelegd, aangegeven verder geen inkomen te genieten, en verklaard dat haar pensioen zal worden stopgezet bij een vertrek uit Irak. Ook heeft eiseres aangegeven de woning waarin zij met het gezin van haar zoon woont in eigendom te hebben.
Eiseres wijst nog op uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 mei 2025 en 19 december 2025 en op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 24 april 2023.4
Het standpunt van de minister
6. De minister stelt zich op het standpunt dat hij voldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. De minister wijst erop dat eiseres niets had kunnen toelichten waardoor de minister tot een andersluidend besluit had kunnen komen. De minister wijst erop dat eiseres geen documenten heeft aangeleverd die haar inkomen onderbouwen, behalve een pensioenpas. Verder wijst de minister op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats waaruit volgt dat onvoldoende economische als sociale binding aanwezig is.
Het oordeel van de rechtbank
7. Het betoog van eiseres slaagt. De minister heeft het bezwaar van eiseres ten onrechte afgedaan als kennelijk ongegrond en eiseres ten onrechte niet gehoord. De rechtbank legt haar oordeel hieronder uit.
De rechtbank stelt voorop dat van horen in bezwaar mag worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.5 Volgens vaste rechtspraak van de (Afdeling) moet met deze uitzondering terughoudend worden omgegaan.6 Het horen is het uitgangspunt, met name in zaken waarin sprake is van beslissingsruimte en waarin een individuele belangenafweging moet worden gemaakt, waaronder zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. In de situatie dat een vreemdeling in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of de situatie waarin er, om welke reden dan ook, nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan, komt volgens de Afdeling bijzonder belang toe aan het uitgangspunt dat de vreemdeling wordt gehoord. Als alle mee te wegen omstandigheden wijzen op een twijfelgeval, moet een vreemdeling worden gehoord.
De rechtbank constateert dat de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat, voor zover het de sociale binding van eiseres met Irak betreft, niet is gebleken dat niemand anders de zorg voor haar kleinkinderen kan overnemen, dat de minister veronderstelt dat de overige meerderjarige kinderen van eiseres voor zichzelf kunnen zorgen en dat niet is gebleken van een bijzondere zorgplicht van eiseres ten opzichte van haar ouders en broers en zussen, of andersom. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat uit de door eiseres afgelegde verklaringen over haar economische situatie en haar pensioenpas, onduidelijk blijft hoe haar financiële situatie eruitziet.
De rechtbank constateert dat eiseres in bezwaar de zogenaamde ‘vragenlijst visumaanvraag’ heeft ingevuld en daarbij een aantal verklaringen en documenten heeft overgelegd aangaande haar sociale en economische binding met Irak. Daaruit volgt bijvoorbeeld dat zij naar eigen zeggen voor haar kleinkinderen zorgt als de ouders werken. Verder heeft eiseres in bezwaar bijvoorbeeld nog verklaard over de zorgtaken voor haar ouders. Ook heeft zij gewezen op het feit dat zij een goed leven heeft in Irak en daar een groot sociaal netwerk heeft. Zij heeft ook meer inzicht gegeven in hoe zij, samen met haar broers en zussen, voor haar ouders zorgt en dat haar zoon met zijn gezin bij haar thuis woont.
In dit geval heeft de minister weliswaar geconstateerd dat uit de door eiseres overgelegde verklaringen en stukken volgt dat er kennelijk sprake is van familiebanden, maar zich vervolgens, zonder eiseres daarover te bevragen, op het standpunt gesteld dat uit deze verklaringen en stukken niet blijkt van voldoende sociale binding met Irak die een tijdige terugkeer naar Irak garanderen. Eiseres betoogt echter terecht dat omstandigheden over de sociale binding van eiseres met Irak bij uitstek omstandigheden zij die zich lenen voor nadere uitleg en duiding. Als het de minister daarom niet bekend is dat sprake is van een zorgplicht, of als dit volgens de minister onvoldoende voortvloeit uit de door eiseres overgelegde verklaringen, dan is het uitgangspunt dat de minister eiseres daarover hoort en dat hij zich aldus rekenschap geeft van haar verklaringen daarover en eventuele aanvullingen daarop. Dit heeft de minister ten onrechte nagelaten.
Met betrekking tot de economische binding van eiseres met Irak heeft eiseres niet alleen aangegeven dat zij pensioen geniet en een huis bezit, maar ook dat zij in dat huis samenwoont met haar zoon en zijn gezin. Dit maakt dat er sprake is van een wisselwerking tussen de economische binding en de sociale binding van eiseres met Irak. Daarom is niet zonder meer gegeven dat dit aspect van het economisch bestaan van eiseres in Irak zonder nadere bevraging door de minister kan worden beoordeeld. De minister heeft deze omstandigheid in het bestreden besluit weliswaar erkend en niet bestreden, maar zich slechts op het standpunt gesteld dat een huis op afstand kan worden verhuurd en verkocht. Uit de door eiseres afgelegde verklaringen volgt echter dat dit niet zonder meer het geval is. Daarover had de minister eiseres kunnen en moeten horen. Eiseres heeft verder een pensioenpas overgelegd, waaruit volgens de minister niet blijkt dat eiseres inkomen geniet. Eiseres had ook hierover meer uitleg kunnen geven in een hoorzitting.
Hoewel uit het betoog van eiseres volgt dat bijvoorbeeld van haar pensioen ook bonnetjes moeten bestaan, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank voldoende documenten overgelegd en inspanning verricht om een hoorzitting te rechtvaardigen. Dat de minister het wel door eiseres overgelegde nog onvoldoende vindt, kan in een hoorzitting aan de orde komen.
De rechtbank volgt niet het standpunt van de minister dat uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 oktober 2025 volgt dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een voldoende economische en sociale binding met Irak.7 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft allereerst een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Zoals verder uit de uitspraak van de voorzieningenrechter volgt, is de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening zonder voorlopig karakter streng. Een dergelijk verzoek zal alleen in uitzonderlijke gevallen voor toewijzing in aanmerking komen, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding tot het belang van de minister bij de handhaving van die afwijzing zó onevenredig zijn, dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Het oordeel van de voorzieningenrechter over de sociale en economische binding met Irak moet dan ook in dat licht worden beschouwd.
Gezien voorgaande komt de rechtbank ook tot het oordeel dat ten aanzien van het doel en de omstandigheden van het door eiseres voorgenomen verblijf reden bestond om haar te horen. De minister heeft zijn standpunt, dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onduidelijk zijn, namelijk gebaseerd op de aanwezigheid van vestigingsgevaar wegens gebrek aan voldoende sociale en economische binding met Irak. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister betwijfelt of eiseres wel daadwerkelijk voor een kort verblijf naar Nederland wilde komen. Nu deze twijfel van de minister in de kern samenhangt met zijn standpunt over de sociale en economische binding, had de minister eiseres ook over dit deel van de besluitvorming moeten horen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet daarom een nieuw besluit op bezwaar nemen en daarbij rekening houden met deze uitspraak. Hij moet eiseres dus ook horen. De rechtbank geeft de minister acht weken voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Ook moet de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 200 aan haar vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 januari 2026;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
- bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van € 200 aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.