ECLI:NL:RBDHA:2026:24755

Datum uitspraak
30-07-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/707937 / JE RK 26-1123 & C/09/707941 / JE RK 26-1124
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar. Wijziging zorgregeling op grond van 1:265g BW.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummers:

I. C/09/707937 / JE RK 26-1123

II. C/09/707941 / JE RK 26-1124

Datum uitspraak: 30 juli 2026

Beschikking van de meervoudige kamer over

I. verlenging ondertoezichtstelling

II. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op basis van 1:265g BW

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. N.D. Bauman uit Den Haag,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. S.C. Braun uit Den Haag,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift I met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2026;

  • het verzoekschrift II met bijlagen, ontvangen op 26 juni 2026;

  • het bericht van de advocaat van de moeder van 27 juli 2026;

  • de brief van de advocaat van de vader met bijgevoegde acht producties van 28 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder;

- [naam] namens de gecertificeerde instelling.

De moeder is in overleg met haar advocaat zonder advocaat ter zitting verschenen.

De vader en zijn advocaat zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. De vader en zijn advocaat hebben schriftelijk voorafgaand aan de zitting hun standpunt kenbaar gemaakt.

1.3.

De rechtbank heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek. [minderjarige] is niet bij het kindgesprek verschenen en heeft ook niet op een andere manier zijn mening kenbaar gemaakt.

2 De feiten

2.1.

Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.

2.2.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.3.

[minderjarige] woont bij zijn moeder.

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 augustus 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 21 augustus 2026.

2.5.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 september 2018 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:

“bepaalt dat de vader voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] van donderdagochtend 08:30 uur tot zondagochtend 9:30 uur bij zich te hebben, waarbij de vader [minderjarige] op donderdagochtend ophaalt bij de moeder en de moeder [minderjarige] op zondagochtend ophaalt bij de vader.”

2.6.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft bij beschikking van 8 mei 2026 de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd, in die zin dat de zorgregeling stopt zoals die is vastgesteld op 11 september 2018 tot 21 augustus 2026.

3 Het verzoek

Verzoek ondertoezichtstelling

3.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Vanuit het EMC is geadviseerd eerst MST in te zetten, voordat gekeken kan worden naar een individuele behandeling en terugkeer naar onderwijs voor [minderjarige]. In juni 2026 is duidelijk geworden, nadat de ouders hiervoor maandenlang op de wachtlijst hebben gestaan, dat MST niet kan starten, omdat dit niet passend is bij de problematiek van [minderjarige]. Volgens de deskundigen van MST zijn de gedragsproblemen van [minderjarige] ingebed in een jarenlang loyaliteitsconflict en ernstige scheidingsdynamiek. Vervolgens is opnieuw [zorginstantie] benaderd voor de inzet van Parallel Solo Ouderschap (PSO). Dit traject zit nog in de prille opstartfase. Binnen PSO krijgen zowel de ouders als [minderjarige] een aparte begeleider. Het doel van dit traject is om de samenwerking tussen de ouders te vergroten en een stap te zetten in de richting van contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. [zorginstantie] kan zelf geen contactmomenten begeleiden, dus als deze stap naar het contactherstel is gezet, zal een andere organisatie worden gezocht die het contact gaat begeleiden. Om ervoor te zorgen dat [minderjarige] steeds meer vertrouwen krijgt in (het contact met) de vader heeft de moeder de afgelopen periode meerdere afspraken gemaakt met de familie van vaderskant om zo positieve ervaringen op te doen. Daarnaast is [minderjarige] eind juni begonnen bij [organisatie] voor een zogenoemde tussenplekplaatsing. Na de zomer wil de school verder met de aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring voor [minderjarige]. Op dit moment is het de bedoeling dat [minderjarige] na [organisatie] kan starten op de groep [groep] op de SBO-school [schoolnaam]. Dit is een leer- en observatieplek waarin toegewerkt wordt naar schoolgang. Daarnaast wil de gecertificeerde instelling het komende jaar binnen de ondertoezichtstelling meer zicht krijgen op wat [minderjarige] nodig heeft – los van het toewerken naar het contactherstel met de vader – om weer rust te ervaren. Om het voorgaande vorm te geven is het noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling het komende jaar nog betrokken blijft.

Verzoek stopzetten zorgregeling voor de duur van zes maanden

3.3.

De gecertificeerde instelling verzoekt op grond van artikel 1:265g BW de zorgregeling in die zin te wijzigen dat hij wordt gestopt voor de duur van zes maanden, zodat de hulpverlening opgestart kan worden.

3.4.

[minderjarige] heeft al langere tijd geen contact met de vader. Uit onderzoek van het EMC komt naar voren dat de problematiek van [minderjarige] voortkomt uit een loyaliteitsconflict en dat bij het herstellen van het contact met de vader het tempo van [minderjarige] moet worden aangehouden. Zoals hierboven beschreven, zijn de ouders en [minderjarige] net gestart met het traject van PSO. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling toegelicht dat binnen dit traject de moeder gestimuleerd zal worden om aan [minderjarige] emotionele toestemming voor het contact te geven. Bij de vader zal er aandacht zijn voor het geven van tijd en ruimte aan [minderjarige] voor het contactherstel. Daarbij ziet de gecertificeerde instelling dat als [minderjarige] druk ervaart, hij dan juist weg wil uit de situatie en contactherstel dan lastiger is. Gezien de heftigheid van het gedrag van [minderjarige] en het geheel ontbreken van contact op dit moment, is de verwachting dat het contact tussen [minderjarige] en de vader niet op korte termijn kan worden hervat zoals dat is vastgesteld in de beschikking uit 2018. Daarom verzoekt de gecertificeerde instelling om de zorgregeling nogmaals voor zes maanden te stoppen, zodat in de tussentijd met de hulpverlening gewerkt kan worden aan de mogelijkheden van contactherstel met de vader.

4 De standpunten

4.1.

De moeder heeft ter zitting toegelicht dat zij instemt met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en het stopzetten van de zorgregeling. Het is belangrijk dat de jeugdbeschermer nog langer betrokken blijft. Het traject bij PSO is gestart en [minderjarige] heeft begin september zijn eerste gesprek. Door de vakanties en het feit dat de moeder en [minderjarige] van 15 september tot 15 oktober 2026 naar [land 1] gaan, duurt het wel langer voordat dit traject daadwerkelijk van de grond komt. De moeder heeft daarnaast recent meerdere keren met de familie van de vader uit [land 2] afgesproken, zodat [minderjarige] ook contact met hen heeft. Verder is zij kort geleden met [minderjarige] naar [plaats] geweest. De moeder vindt het belangrijk voor [minderjarige] dat hij zijn [land 2] familie blijft zien en betrokken blijft bij de cultuur. De moeder ziet dat hij – ondanks dat hij eerst aangeeft dat hij het niet wil – goed op deze afspraken en bezoeken reageert. Zo wil hij nu ook zelf graag zijn neef in [land 2] bezoeken. De moeder vindt het ingewikkelder om contact te realiseren tussen sommige vrienden van de vader en [minderjarige], door de ervaringen die zij in het verleden heeft gehad met de vader. Volgens de moeder is het belangrijk dat er geen druk wordt gelegd op [minderjarige] ten aanzien van het contactherstel, dit heeft juist een negatief effect op hem. Daarnaast vindt de moeder het belangrijk dat [minderjarige] weer kan opbouwen met school en de moeder is erg tevreden over het onderwijstraject bij [organisatie]. [minderjarige] heeft snel een vertrouwensband opgebouwd met de betrokken leerkracht. Deze leerkracht heeft aangegeven dat het traject bij [groep] mogelijk niet hoeft, maar dat het onder begeleiding en met een duidelijk opbouwplan integreren in regulier onderwijs wellicht ook mogelijk is.

4.2.

De vader heeft zijn standpunt (uitgebreid) schriftelijk kenbaar gemaakt. Samengevat en zakelijk weergegeven heeft de vader het volgende naar voren gebracht. De vader stemt niet in met een verdere opschorting van de zorgregeling en vraagt dit verzoek van de gecertificeerde instelling af te wijzen. Daarbij verzoekt de vader een gefaseerde, verplichte contactregeling vast te stellen, te beginnen met bijvoorbeeld twee begeleide contactmomenten van minimaal twee uur per twee weken met concrete doorgroeimogelijkheden naar een uitgebreidere regeling, uiterlijk te implementeren vanaf 15 oktober 2026. Daarnaast verzoekt de vader te bepalen dat de gecertificeerde instelling binnen twee weken een concreet, schriftelijk plan van aanpak opstelt voor het contactherstel, met vaste momenten, evaluatietermijnen en heldere verantwoordelijkheden voor alle betrokken partijen. Ten slotte verzoekt de vader te bepalen dat de overdrachten van de contactmomenten plaatsvinden zonder de aanwezigheid van de moeder om de spanning bij [minderjarige] te beperken, conform het advies van het EMC en de observaties van de jeugdbescherming zelf. Volgens de vader is de kern van de problematiek gelegen in de scheiding en het loyaliteitsconflict en vraagt dit om het actief werken aan contactherstel en niet het uitstellen hiervan. Er is geen probleem in de vader-zoonrelatie zelf. Het stopzetten van de zorgregeling heeft er de afgelopen periode niet voor gezorgd dat de doelen bereikt zijn die gesteld waren, namelijk het creëren van rust, het opstarten van school en de ouders laten werken aan hun onderlinge verhouding. Op deze terreinen is nog geen voortgang geboekt. Daarbij heeft het vasthouden aan het beginsel van het volgen van het tempo van [minderjarige], praktisch tot gevolg dat de verantwoordelijkheid bij de volwassenen en de betrokken instanties is weggevallen, terwijl juist een actieve, tijdige interventie noodzakelijk is. Het [zorginstantie]-traject is vrijwillig van aard en de gecertificeerde instelling kan ook niet duidelijk aangeven wat haar concrete rol en verantwoordelijkheid is in het contactherstel. Volgens de vader volstaat een vrijblijvend, vrijwillig traject zonder concreet plan en heldere verantwoordelijkheidsverdeling niet. [minderjarige] is op een cruciale leeftijd en hoe langer de vervreemding voortduurt hoe groter de schade is.

5 De beoordeling

Kern van de beslissing

5.1.

De rechtbank zal de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar verlengen tot 21 augustus 2027. Daarnaast zal de rechtbank de zorgregeling zodanig wijzigen dat toegewerkt dient te worden naar contact tussen [minderjarige] en de vader en dat de regie over het vormgeven van dit contact – waaronder de duur en de frequentie - komt te liggen bij de gecertificeerde instelling. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij die beslissingen neemt.

De toelichting

Verlenging ondertoezichtstelling

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Het is het afgelopen jaar nog niet gelukt om de zorgen, zoals die aan de orde waren aan het begin van de ondertoezichtstelling, voldoende weg te nemen. Zo zijn de zorgen over het gebrek aan contact met de vader, het stagneren van zijn schoolgang en zijn gedragsproblematiek nog (grotendeels) onverminderd aanwezig. Het afgelopen jaar is – door het onderzoek van het EMC – duidelijk geworden dat de gedragsproblematiek van [minderjarige] met name voortkomt uit een loyaliteitsconflict waar hij in zit door de complexe scheidingsdynamiek tussen de ouders. De hulpverlening die het EMC had geadviseerd – MST - is helaas niet van de grond gekomen, omdat de uitvoerende instantie een MST-traject toch niet passend vindt voor de problematiek van [minderjarige]. De rechtbank begrijpt dat het frustrerend is voor de ouders dat de hulp maar niet van de grond komt, waardoor de problematiek – en voor de vader het gebrek aan contact – in stand blijft. Positief is dat er sinds enkele maanden een vaste jeugdbeschermer is en dat ook zeer recent is gestart met het traject van PSO bij [zorginstantie]. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat dit een passend traject is. Het is goed om te horen dat de vader, de moeder en [minderjarige] zelf alle drie een eigen begeleider krijgen en dat vanuit dit traject aan de slag wordt gegaan met de ingewikkelde onderlinge dynamiek en het herstellen van het contact tussen [minderjarige] en de vader. Verder is het positief dat [minderjarige] het goed doet bij [organisatie] en dat vanuit hier intensief wordt gekeken – bijvoorbeeld via een plaats op een groep van [groep] – welke vervolgstap in het volgen van onderwijs passend is.

5.3.

Hoewel de rechtbank ziet dat de ouders ook zelf graag hulpverlening willen, volgt uit de lange voorgeschiedenis dat het de ouders niet zelfstandig zal lukken, onder meer door hun verschillende visies, om daadwerkelijk tot een verbetering van de situatie te komen. De rechtbank vindt het daarom belangrijk dat er een neutraal persoon betrokken blijft, in de vorm van de jeugdbeschermer, die toezicht kan houden op het ingezette PSO traject en regie kan voeren over het hieruit volgende contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Daarnaast is het belangrijk dat de jeugdbeschermer de ouders kan ondersteunen bij het zoeken naar een passende onderwijsvorm voor [minderjarige] en dat de jeugdbeschermer waar nodig direct passende vervolghulp kan inzetten. De rechtbank zal daarom de ondertoezichtstelling verlengen, waartegen ook geen verweer is gevoerd, voor de verzochte duur van één jaar.

Wijziging zorgregeling ex artikel 1:265g BW

5.4.

De gecertificeerde instelling heeft daarnaast verzocht om de zorgregeling, zoals die is vastgesteld op 11 september 2018 en op dit moment is stopgezet tot 21 augustus 2026, opnieuw stop te zetten voor de duur van zes maanden. De vader heeft hier uitdrukkelijk verweer tegen gevoerd en heeft – kort samengevat – verzocht om wel een (opbouwende) zorgregeling vast te stellen. De rechtbank kan op basis van artikel 1:265g lid 2 BW een regeling, zoals reeds vastgesteld op basis van artikel 1:265g lid 1 BW, wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande aan de orde is en overweegt daartoe als volgt.

5.5.

Hoewel het de afgelopen maanden nog niet is gelukt om te komen tot contactherstel tussen [minderjarige] en de vader, ziet de rechtbank wel degelijk een kleine positieve verandering. Zo zijn er verschillende afspraken geweest tussen [minderjarige] en zijn familie uit [land 2], die positief hebben uitgepakt. Daarnaast lijkt [minderjarige] – zoals de moeder op zitting heeft toegelicht – bepaalde cadeautjes van de vader te accepteren. Verder is PSO nu daadwerkelijk recent gestart en is één van de hoofddoelen van dit traject het toewerken naar contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Naar het oordeel van de rechtbank doet een complete ontzegging van de contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader, zoals door de gecertificeerde instelling verzocht, dan ook geen recht aan de huidige situatie. De uitdrukkelijke intentie is – en hier moet volgens de rechtbank ook actief op worden ingezet – dat wordt toegewerkt naar contact tussen [minderjarige] en de vader. Zoals hierboven weergegeven heeft de rechtbank er vertrouwen in dat het traject van PSO hiertoe zal leiden en dat op korte termijn (een vorm van) contact tussen [minderjarige] en de vader weer mogelijk is. De rechtbank wil dit traject een kans geven. [minderjarige] is een kwetsbare jongen die kampt met zijn eigen uitdagingen en problematiek en de rechtbank vindt het daarom extra belangrijk dat dit traject zorgvuldig plaatsvindt. Naar het oordeel van de rechtbank is het op dit moment daarom nog te vroeg - en niet in het belang van [minderjarige] - om nu al een vaste zorgregeling in duur en frequentie vast te leggen. Door de betrokken hulpverlening en de gecertificeerde instelling moet telkens bekeken worden wat er mogelijk is in het contact. Daarom vindt de rechtbank het passend dat het hiervoor genoemde toewerken naar dit contact, expliciet wordt opgenomen in de zorgregeling. De rechtbank zal daarom de regeling van 11 september 2018 zodanig wijzigen, dat vanaf dit moment concreet toegewerkt moet worden naar contact tussen [minderjarige] en de vader en dat de regie voor het vormgeven hiervan - waaronder de duur en frequentie - ligt bij de gecertificeerde instelling. De rechtbank verwacht dat de gecertificeerde instelling hierover nauw in contact blijft met de betrokken hulpverlening.

5.6.

Daarbij is het belangrijk dat de gecertificeerde instelling ook los van het PSO-traject alle mogelijkheden aangrijpt om op een positieve manier te komen tot dit contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. In de stukken die zijn ingediend door de vader worden verschillende voorstellen van familie en vrienden gedaan, die op een laagdrempelige manier kunnen bijdragen aan dit contactherstel. Het is goed om te zien dat [minderjarige] een betrokken netwerk heeft en van dit netwerk kan dan ook gebruik worden gemaakt. De rechtbank gaat ervan uit dat de gecertificeerde instelling de komende periode deze ideeën en voorstellen mee zal nemen in het vormgeven van het contactherstel. Hiernaast spreekt de rechtbank ook de hoop uit dat de moeder doorgaat met het organiseren van afspraken tussen [minderjarige] en de familie van de vader uit [land 2] - zoals zij de afgelopen periode ook heeft gedaan - zodat [minderjarige] ook op deze manier betrokken blijft bij de familie van de vader en positieve ervaringen op doet.

5.7.

Weliswaar betekent het voorgaande dat er nog steeds geen concrete zorgregeling wordt vastgesteld – zoals de vader wel wenst – maar de aangepaste zorgregeling doet volgens de rechtbank het meest recht aan de huidige feitelijke situatie. De rechtbank ziet dat op dit moment alle partijen, zowel de ouders - waarvoor zij hen ook wil complimenteren - als de gecertificeerde instelling en de hulpverlening zich volledig inzetten om te komen tot een verbetering van de situatie. De rechtbank heeft er daarom vertrouwen in dat er de komende maanden daadwerkelijk stappen gezet kunnen worden. De rechtbank wil daarbij nog wel graag opmerken dat het niet vaststellen van een vaste regeling niet is ingegeven door een wantrouwen richting vader. Het is helaas zo dat de situatie is ontstaan dat er nu eenmaal veel weerstand is bij [minderjarige]. De rechtbank wil juist ervoor zorgen dat zorgvuldig met deze weerstand wordt omgegaan zodat er gewerkt kan worden aan het contactherstel en dat dit op een prettige manier verloopt.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.8.

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 21 augustus 2027;

6.2.

wijzigt de zorgregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 11 september 2018 en stopgezet bij beschikking van 8 mei 2026, op die wijze dat:

toegewerkt dient te worden naar contact tussen de vader en [minderjarige] en dat de regie over het vormgeven van dit contact – waaronder de duur en de frequentie – ligt bij de gecertificeerde instelling;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. C.M. Koole, mr. M.M. Meijers en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier, en op schrift gesteld op 13 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »