Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Zaaksgegevens: C/09/702633 / JE RK 26-554
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter
Wijziging omgangsregeling (ex artikel 1:265g BW)
in de zaak van:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.D. Haytink uit Amsterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.E.A. Hendrix uit Geleen.
1 Het verloop van de procedure
Bij beschikking van 16 april 2026 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 april 2027 en is de behandeling van het verzoek tot wijziging van de vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden.
De kinderrechter heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook voornoemde beschikking van 16 april 2026.
Op 16 juli 2026 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet, gecombineerd met de verzoeken van de moeder in de familiezaak tot vernietiging van de erkenning, het wijzigen van het gezag en het wijzigen van de omgangsregeling (C/09/698826, FA RK 26-1039). Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
-
de moeder met haar advocaat;
-
J.W. Stok als de bijzondere curator;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
In de familiezaak (C/09/698826, FA RK 26-1039) is bij afzonderlijke beschikking van 30 juli 2026 van deze rechtbank – voor zover hier van belang – :
-
de moeder niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning;
-
bepaald dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over [minderjarige] ;
-
de in deze beschikking bepaalde omgangsregeling opgenomen.
Omdat de moeder met het eenhoofdig gezag zal worden belast, zal de kinderrechter in deze beschikking hierna spreken over de omgangsregeling in plaats van de zorgregeling.
2 Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de door de kinderrechter op 19 maart 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De regeling houdt in dat:
-
de vader eens per maand op vrijdag, gedurende twee uur, begeleid contact heeft met [minderjarige] ;
-
deze omgang uitsluitend plaatsvindt in [plaats 1] ;
-
onder de volgende voorwaarden om de bezoeken te hervatten:
o Een nieuwe begeleidende organisatie wordt gezocht en gevonden die bereid en in staat is deze omgang te begeleiden;
o Een gesprek met vader plaatsvindt, waarin de zorgen rondom veiligheid, voorspelbaarheid en samenwerking worden besproken en concrete afspraken worden vastgelegd over verwachtingen, gedrag en naleving van de begeleiding.
Volgens de gecertificeerde instelling is de huidige regeling onuitvoerbaar en niet in het belang van [minderjarige] . Door vele afzeggingen (10 van de 24 omgangsmomenten) van de vader en het ontstaan van onveilige situaties veroorzaakt door weerstand van de vader richting de begeleiding, heeft [hulpverlener] zich genoodzaakt gezien om de omgangsbegeleiding per 17 maart 2026 te stoppen. Deze gedragingen van de vader roepen spanning op bij [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten, waarbij zij onrustig wordt en grenzen opzoekt door niet te luisteren en haar eigen plan te trekken. Het lukt de vader ook niet om de omgang van vier uur passend en consequent in te vullen, en om de fysieke veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. De vele afzeggingen van de omgang zorgen bij [minderjarige] bovendien voor teleurstelling, een verstoring van haar ritme en een gebrek aan voorspelbaarheid. Daarnaast is er geen samenwerking tussen de vader, de jeugdbeschermer en de hulpverlening waardoor het evalueren en het maken van afspraken onmogelijk is gebleken. De vader heeft de neiging om de verantwoordelijkheid buiten zichzelf te leggen en vindt dat er een betere locatie voor de bezoekmomenten moet worden geregeld, zijn reiskosten moeten worden betaald en dat de moeder hem meer op de hoogte moet houden van de ontwikkelingen van [minderjarige] . Het realiseren van begeleide omgangsmomenten in [plaats 2] is niet uitvoerbaar gebleken vanwege het gebrek aan een begeleidende instantie en omdat het afreizen naar [plaats 2] voor [minderjarige] te belastend is. Ze zou hierdoor ook haar wekelijkse logopedie missen, die noodzakelijk is voor haar taal- en spraakontwikkeling. Ook de belmomenten verlopen moeizaam, omdat [minderjarige] een korte spanningsboog heeft en vaak niet wil bellen. Volgens de moeder is de vader bovendien vaak aan het gamen of blowen tijdens de belmomenten, en legt hij de verantwoordelijkheid voor het bellen bij de moeder.
De gecertificeerde instelling wil daarom inzetten op een regeling die wel uitvoerbaar is en in het belang is van [minderjarige] .
3 De standpunten
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek van de gecertificeerde instelling. De moeder zou het liefst willen dat er helemaal geen omgang meer is tussen de vader en [minderjarige] , reden waarom zij ontzegging van de omgang heeft verzocht in de familiezaak. Subsidiair kan zij zich vinden in een beperking van de omgangsregeling.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen de wijziging van de omgangsregeling. De vader vindt dat hem niet kan worden verweten dat hij ver weg woont, dat was immers al bekend bij het aangaan van de relatie. In de vastgestelde regeling was bepaald dat eens in de zes weken een begeleid contactmoment zou plaatsvinden in [plaats 2] , maar dat is nooit van de grond gekomen. Voor zover de vader weet is er nooit een aanmelding gedaan bij een instantie om deze momenten te begeleiden. De vader kan op deze manier ook niet groeien in zijn rol als vader en leren hoe hij kan aansluiten bij de behoefte van [minderjarige] , omdat hij die kans niet krijgt. De begeleide omgangsmomenten die in [plaats 1] niet zijn doorgegaan waren voor een groot deel verklaarbaar; de vader was een aantal keren ziek en kon soms de lange reis vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] niet maken door omstandigheden buiten zijn macht. De vader ervaart dat de jeugdbeschermer er alles aan doet om hem uit het leven van [minderjarige] te krijgen. Dit leidt bij de vader tot boosheid en frustratie. De vader heeft geen vertrouwen in de begeleiding van de omgang door William Schrikker Gezinsvormen, waar nu een aanmelding is gedaan. Als die instantie de begeleide omgang al zal doen, dan is dat volgens de vader ook mogelijk in [plaats 2] of in een plaats tussen [plaats 1] en [plaats 2] . Voor een begeleid omgangsmoment van twee uurtjes zal de vader in ieder geval niet naar [plaats 1] reizen heeft hij aangegeven, omdat zijn treinreis in dat geval langer is dan de duur van het bezoek.
4 De beoordeling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265g, tweede lid, BW de omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De kinderrechter concludeert dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, omdat is gebleken dat de in de beschikking van 19 maart 2025 vastgestelde regeling in de praktijk niet goed uit te voeren blijkt, en voor een groot deel ook niet wordt nagekomen. Zoals overwogen in de familiezaak (C/09/698826, FA RK 26-1039) is er geen reden voor ontzegging van de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Op grond van de informatie, zoals die is gebleken uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde bijlagen en wat ter zitting besproken is, komt de kinderrechter tot het oordeel dat het wel in het belang van [minderjarige] is dat de omgangsregeling wordt gewijzigd, in die zin dat [minderjarige] één keer per maand op vrijdag gedurende twee uur begeleide omgang zal hebben met de vader, waarbij de begeleide omgang plaatsvindt in [plaats 1] . Daarbij gelden ook de voorwaarden zoals verzocht door de gecertificeerde instelling. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
Uit de stukken blijkt dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is, zowel in haar ontwikkeling als in haar gedrag. Daarom is extra aandacht en toezicht nodig bij de omgangsmomenten met de vader. Vier uur omgangsbegeleiding is over het algemeen al erg lang, maar in het specifieke geval van [minderjarige] is uit de verslagen van [hulpverlener] ook gebleken dat de frequentie en duur van de omgangsbegeleiding voor haar te veel en te lang is. De vader kan de omgangsmomenten niet passend en consequent invullen en de fysieke veiligheid is onvoldoende. De kinderrechter neemt ook in haar overweging mee dat bijna de helft van de omgangsmomenten niet zijn doorgegaan. Uit het overzicht blijkt dat negen van de twaalf momenten door de vader zijn afgezegd. Daar kan een goede reden voor zijn, maar voor [minderjarige] is dit niet goed en is het van belang dat de omgangsmomenten worden nagekomen zodat het voor haar voorspelbaar en duidelijk is. Het betoog van de vader dat het allemaal aan de jeugdbeschermer ligt is naar het oordeel van de kinderrechter misplaatst, gelet op het feit dat in dit geval de omgangsbegeleiding door [hulpverlener] is afgezegd en er een nieuwe instantie moet worden gezocht voor het begeleiden van de omgang. Op de zitting is namens de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat er een aanmelding is gedaan bij William Schrikker Gezinsvormen om dit op te pakken. De beperkte samenwerking tussen de vader en de professionals maakt het in deze situatie extra lastig. Uit de verslagen blijkt dat de vader vaak bozig is en weerstand toont. Op de zitting heeft de kinderrechter de boosheid van de vader ook gezien. De kinderrechter begrijpt dat de situatie voor de vader heel moeilijk en frustrerend is, waar zijn dochter op een grote afstand woont en hij financiële beperkingen heeft om naar [plaats 1] te komen, maar dat is nu eenmaal de situatie. De kinderrechter moet beoordelen wat het meest in het belang van [minderjarige] is, en dat is naar haar oordeel dat de begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader plaatsvindt in de plaats waar [minderjarige] woont. De wens van de vader dat [minderjarige] (ook) richting [plaats 2] komt is – los van de vraag of het in het belang is van [minderjarige] om die reis samen met haar moeder af te leggen – vanwege het ontbreken van een instantie die de omgang kan begeleiden tot nu toe ook niet mogelijk gebleken. De kinderrechter geeft de vader dringend mee om zijn standpunt om niet voor twee uur begeleide omgang naar [plaats 1] af te reizen te herzien, omdat het belangrijk is dat hij laat zien dat die begeleide bezoeken goed kunnen verlopen. Als dat zo is, en de omgangsmomenten structureel worden nagekomen, dan kan door de gecertificeerde instelling gekeken worden naar een uitbreiding in frequentie in duur als dat in het belang is van [minderjarige] . Dat is op dit moment naar het oordeel van de kinderrechter echter een stap te ver. Voor nu is het belangrijkst dat er contact blijft tussen de vader en [minderjarige] , en dat hij niet uit het leven van [minderjarige] verdwijnt.
De door de gecertificeerde instelling in zijn verzoek opgenomen voorwaarden lenen zich niet voor opname in de beslissing. Zoals hiervoor al is overwogen gelden deze voorwaarden echter wel, namelijk:
-
dat er een nieuwe begeleidende organisatie wordt gezocht en gevonden die bereid en in staat is deze omgang te begeleiden;
-
dat er een gesprek met vader plaatsvindt, waarin de zorgen rondom veiligheid, voorspelbaarheid en samenwerking worden besproken en concrete afspraken worden vastgelegd over verwachtingen, gedrag en naleving van de begeleiding.
De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5 Beslissing
De kinderrechter – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 19 maart 2025 – :
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , één keer per maand op vrijdag gedurende twee uur begeleide omgang zal hebben met de vader, waarbij de begeleide omgang plaatsvindt in [plaats 1] ;
verklaart deze omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Noordegraaf als griffier.