Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/059406-26, 09/213021-24 (tul), 09/197240-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 4 juni 2026 (pro forma) en 6 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L.G. de Graaf, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. P.W. Szymkowiak, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Dagvaarding 1 – 09/059406-26
hij op of omstreeks 1 januari 2026 te Gouda omstreeks 04:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de woning aan de [adres 2] sieraden en/of een reiswekker, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk omhet zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- op het lichaam van die [slachtoffer] te gaan zitten,- tegen het gezicht van die [slachtoffer] te slaan,- de mond van die [slachtoffer] dicht te drukken,- de handen van die [slachtoffer] dubbel te vouwen,- de ringen van de vingers van die [slachtoffer] af te trekken,- een ketting van de nek van die [slachtoffer] te trekken en/of- (daarbij) te zeggen "Ik maak u dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Dagvaarding 2 – 09/197240-26
hij op of omstreeks 15 januari 2026, te Gouda, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een of meerdere geldbedragen (van (in totaal) 2000 euro),
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig/eigen misdrijf.
3 De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding 1 ten laste gelegde.
Ten aanzien van het bij dagvaarding 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat opzetwitwassen door omzetten van geld kan worden bewezen. Van het medeplegen dient de verdachte volgens de officier van justitie te worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Bewijsoverwegingen
Dagvaarding 1
De rechtbank heeft in bijlage I bij dit vonnis opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Feiten en omstandigheden
Op 1 januari 2026 rond 04.00 uur heeft een inbraak plaatsgevonden in een woning gelegen aan de [adres 2] in Gouda. De bewoonster, een 85-jarige vrouw, lag op dat moment in haar bed te slapen. Het slachtoffer werd wakker toen zij een man in haar slaapkamer zag staan. De man klom op het bed van het slachtoffer, ging op haar lichaam zitten, sloeg haar meermaals tegen het gezicht, drukte haar mond dicht en vouwde haar handen dubbel. Ook bedreigde de man het slachtoffer met de dood. Op enig moment bevond zich nog een tweede man in de slaapkamer. Vervolgens hebben zij samen de ringen van de vingers van het slachtoffer en een ketting van haar nek getrokken. Naast de sieraden hebben de mannen ook een reiswekker uit de slaapkamer weggenomen. Bij het slachtoffer is letsel vastgesteld, waaronder meerdere bloeduitstortingen in het gezicht.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft bekend dat hij samen met de medeverdachte in de woning van het slachtoffer is geweest. Hij heeft verklaard dat hij via Snapchat was benaderd om een klus te doen, waarbij hij op de uitkijk zou staan. Op verzoek heeft de verdachte een fatbike geregeld en de medeverdachte opgehaald. Vervolgens hebben zij samen een voorverkenning uitgevoerd bij het desbetreffende appartementencomplex. Volgens de verdachte heeft de medeverdachte een ruitje van de woning ingetikt en is hij toen de woning binnengegaan. De verdachte is daarna eveneens de woning binnengegaan. De medeverdachte zou het geweld tegen het slachtoffer hebben gebruikt en haar hebben bedreigd. Ter terechtzitting heeft de verdachte bekend dat hij ook een ring van de vinger van het slachtoffer heeft getrokken. Volgens de verdachte zijn zij vervolgens samen op de fatbike weggevlucht. Tijdens de vlucht heeft de verdachte de rest van de buit van de medeverdachte gekregen en op diens verzoek bij zich gehouden.
De verdachten verklaren in grote lijnen gelijkluidend over wat zich in de nacht van 1 januari 2026 heeft afgespeeld, maar wijzen over en weer naar elkaar als degene die op het lichaam van het slachtoffer is gaan zitten, geweld tegen haar heeft gebruikt en haar heeft bedreigd.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
De rechtbank stelt vast dat de verdachten met het vooropgezette plan om in te breken samen naar de woning van het slachtoffer zijn gegaan. In de slaapkamer werden zij met het slachtoffer geconfronteerd. Eén van de verdachten is begonnen met het geweld tegen het slachtoffer, waarna de andere verdachte zich bij de geweldshandelingen heeft aangesloten. Beide verdachten hebben een rol gehad bij het afnemen van haar sieraden. Vervolgens zijn zij samen gevlucht op de vooraf geregelde fatbike. Ook hebben beide verdachten gezamenlijk de beschikking gehad over de buit.
Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Deze samenwerking was aanvankelijk gericht op een woninginbraak, maar is gaandeweg overgegaan in een diefstal met (bedreiging met) geweld. Beide verdachten hebben daaraan een wezenlijke bijdrage geleverd. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen. Wie van de verdachten welke geweldshandelingen heeft verricht en het slachtoffer heeft bedreigd, kan daarom in het midden blijven.
Conclusie
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld.
Dagvaarding 2
De rechtbank zal voor dagvaarding 2 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026021138, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn - Gouda, doorgenummerd pagina 1 t/m 45).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 6 augustus 2026;
2. het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 19 januari 2026 (p. 8-10).
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding 1 – 09/059406-26
hij op 1 januari 2026 te Gouda omstreeks 04:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, in de woning aan de [adres 2] sieraden en een reiswekker, die aan [slachtoffer] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en verbreking, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door
- op het lichaam van die [slachtoffer] te gaan zitten,
- tegen het gezicht van die [slachtoffer] te slaan,
- de mond van die [slachtoffer] dicht te drukken,
- de handen van die [slachtoffer] dubbel te vouwen,
- de ringen van de vingers van die [slachtoffer] af te trekken,
- een ketting van de nek van die [slachtoffer] te trekken en
- te zeggen "Ik maak u dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Dagvaarding 2 – 09/197240-26
hij op 15 januari 2026, te Gouda, tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van 2000 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5 De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de proceshouding van de verdachte en dat er - anders dan de officier van justitie heeft gesteld - sprake is van relatief gering geweld. De verdediging heeft verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf van drie jaren op te leggen. Indien de rechtbank van oordeel is dat daarmee onvoldoende recht wordt gedaan aan de ernst van het feit, heeft de verdediging verzocht een gevangenisstraf van vier jaren op te leggen, waarvan twee jaren voorwaardelijk.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een woningoverval op een bejaarde vrouw, waarbij sieraden en een reiswekker zijn weggenomen. De verdachten zijn midden in de nacht de woning binnengedrongen en hebben zich naar de slaapkamer begeven, waar het slachtoffer op dat moment lag te slapen. De verdachten hebben het slachtoffer met de dood bedreigd en haar mishandeld door op haar lichaam te gaan zitten, tegen haar gezicht te slaan, haar mond dicht te drukken en haar handen dubbel te vouwen. Vervolgens hebben zij de ringen van haar vingers en een ketting van haar nek getrokken. Dat het hier gaat om een alleenwonende dame op hoge leeftijd, hetgeen de verdachte en zijn mededader niet kan zijn ontgaan, maakt dit een meer dan laffe daad.
De verdachte heeft daarmee geen enkel respect getoond voor de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke eigendommen van een ander en heeft zich enkel heeft laten leiden door eigen financieel gewin.
Deze gebeurtenissen zijn voor het slachtoffer buitengewoon beangstigend geweest. De eigen woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Door het handelen van de verdachte en zijn mededader is het slachtoffer dit gevoel van veiligheid ontnomen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat een overval, zeker als deze gepaard gaat met geweld, vergaande gevolgen voor slachtoffers heeft. Zij houden nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid en dit heeft bovendien veel impact op hun dagelijks leven en functioneren. Naast persoonlijk leed voor de slachtoffers veroorzaken dergelijke misdrijven ook onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een contant geldbedrag. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer, faciliteert de onderliggende criminaliteit en tast de legale economie aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld. Daaruit blijkt ook dat de verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd gedurende de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 25 juni 2026, waaruit - kort samengevat - volgt dat sprake is van een hoog recidiverisico. De verdachte is eerder met justitie in aanraking gekomen, heeft geen vaste dagbesteding en er zijn aanwijzingen voor een negatief sociaal netwerk. Ook lijkt de verdachte moeite te hebben met het accepteren van gezag. Hij is gestopt met zijn opleiding en heeft schulden. Daarnaast is sprake van veelvuldig drugsgebruik. Gezien de jonge leeftijd van de verdachte en de ernst van de feiten acht de reclassering een intensief toezicht, met een enkelband in het kader van de HIC aanpak, geïndiceerd. Gelet op de te verwachten straf heeft de reclassering echter geen plan van aanpak opgesteld of bijzondere voorwaarden geformuleerd. De reclassering zal de verdachte in het kader van detentiefasering en/of voorwaardelijke invrijheidsstelling opnieuw bezoeken.
Geen toepassing van het jeugdstrafrecht
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De verdachte was 20 jaar oud toen hij de bewezen verklaarde feiten pleegde. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. De vraag is of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding is om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit het reclasseringsadvies volgt dat bij de verdachte geen ernstige vaardigheidstekorten of ernstige gedragsproblemen in de vorm van impulsiviteit of agressiviteit worden gezien. Daarnaast lijkt de verdachte niet langer ontvankelijk te zijn voor pedagogische beïnvloeding. De verdachte woonde ten tijde van de woningoverval thuis, maar had geen dagbesteding en zijn moeder had weinig zicht op zijn gedrag. De reclassering heeft daarom geadviseerd om de verdachte volgens het volwassenenstrafrecht te berechten.
Alles afwegende ziet de rechtbank, gelet op wat daarover door de reclassering is gerapporteerd en het ASR-wegingskader, geen (doorslaggevende) grond voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het volwassenenstrafrecht.
Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Daarin wordt als uitgangspunt voor een woningoverval met licht geweld of bedreiging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren vermeld en voor een woningoverval waarbij ander geweld is toegepast, vijf jaren.
In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat sprake is geweest van medeplegen, dat de woningoverval midden in de nacht plaatsvond en dat sprake was van een kwetsbaar (bejaard) slachtoffer. Daarbij weegt de rechtbank zwaar mee dat het slachtoffer met de dood is bedreigd en meermaals is geslagen terwijl zij weerloos in bed lag. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank verder mee dat hij al eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Ten slotte tilt de rechtbank zwaar aan het feit dat de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd gedurende de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van de verdachte. De rechtbank constateert dat er op alle leefgebieden behoorlijke zorgen zijn over de verdachte en dat hij op deze gebieden hulp en begeleiding nodig heeft.
Gelet op de aard en ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren een passende en geboden reactie.
Hoewel de rechtbank, gelet op de zorgen over de verdachte, aanleiding ziet voor de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, zal zij daarvan afzien. De reclassering heeft geen bijzondere voorwaarden geadviseerd, waardoor de rechtbank onvoldoende handvatten heeft om passende voorwaarden te formuleren. De rechtbank ziet daarom geen mogelijkheden om een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden op te leggen. Zij gaat ervan uit dat er in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling een passend kader wordt ingezet, waarbinnen de verdachte de noodzakelijke behandeling, hulp en ondersteuning wordt geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.885,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 885,- aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van
de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging verzocht de vordering te matigen, nu de gestelde gehoorbeschadiging niet is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiële schade, is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding 1 bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 885,- en dat de verdachte daarvoor aansprakelijk is.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bij dagvaarding 1 bewezen verklaarde feit.
Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het lichamelijk letsel bestaat, kort gezegd, uit bloeduitstortingen in het gezicht en gekneusde vingers. Daarnaast is de rechtbank, gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, van oordeel dat sprake is van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
Bij het naar billijkheid vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de normschending, het letsel en bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De rechtbank neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal tot uitgangspunt. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij categorie 19.1.a. Deze categorie ziet op de meest ernstige persoonsaantastingen in het geval van bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing. In deze categorie wordt een bedrag tussen de € 3.000,- en € 8.000,- genoemd.
Al het voorgaande in ogenschouw genomen, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 5.000,- billijk is. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade daarom tot dat bedrag toewijzen.
Conclusie
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 5.885,-, bestaande uit € 885,- aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding 1 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 5.885,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .
8 De in beslag genomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen iPhone 15 (KVI: 190514) verbeurd te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de iPhone 15 (KVI: 190514) in het kader van een ander opsporingsonderzoek onder de verdachte in beslag is genomen. De rechtbank zal daarom geen beslissing nemen over de inbeslaggenomen telefoon.
9 De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 24 april 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/213021-24 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 20 mei 2025 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 14 dagen ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarde.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 20 mei 2025. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.
10 De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 47, 312 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
11 De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding 1 en het bij dagvaarding 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van dagvaarding 1:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van dagvaarding 2:
witwassen;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] hoofdelijk toe ten laste van de verdachte tot een bedrag van € 5.885,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag van € 5.885,-, bestaande uit € 885,- aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen € 5.885,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 5.885,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 54 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 14 dagen, opgelegd bij voormeld vonnis van 20 mei 2025 in de zaak met parketnummer 09/213021-24.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Anemaet, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. C.M. Koole, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2026.