Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-3127
Zaaknummer: C/09/702382
Datum beschikking: 30 juni 2026
Wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 30 maart 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. van den Hoek in Leiden.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
-
het verzoekschrift;
-
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de moeder.
De minderjarige [minderjarige] heeft in een gesprek met de kinderrechter zich uitgelaten over het verzoek.
Op 2 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat, de moeder bijgestaan door waarnemend advocaat mr. N. van Amsterdam en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
-
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2017 tot [datum 2] 2022.
-
Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats].
-
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
-
[minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
-
Bij beschikking van 10 december 2021 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken. Daarnaast is – voor zover hier van belang – bepaald:
-
[minderjarige] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
-
in het kader van de vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:
-
tot zij naar school gaat: de ene week van zaterdag 10:00 uur tot dinsdag 10:00 uur en de andere week van zondag 10:00 uur tot dinsdag 10:00 uur;
-
zodra zij naar school gaat:
- de ene week van zaterdag 10:00 uur tot dinsdag naar school;
- de andere week van maandag na school tot woensdag naar school;
- tijdens de volgende vakanties en feestdagen:
- drie weken in de zomervakantie, waarvan twee weken aaneengesloten, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen;
- een week in de meivakantie, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen;
- in de even jaren in de voorjaars- en herfstvakantie;
- in de even jaren van 24 december 17:00 uur tot 25 december 13:00 uur en in de oneven jaren van 25 december 13:00 uur tot 26 december 13:00 uur;
- elk jaar van 1 januari 12:00 uur tot 2 januari 12:00 uur;
- op Vaderdag;
- één keer in de twee jaar op de verjaardag van [minderjarige], in onderling overleg tussen de ouders te bepalen.
-
Bij beschikking van 27 oktober 2023 van deze rechtbank is – met wijziging van de beschikking van 10 december 2021 van deze rechtbank – voor zover hier van belang:
-
de verdeling van de vakanties- en feestdagen gewijzigd in die zin dat [minderjarige] bij de vader is:
-
in de oneven jaren: drie weken in de zomervakantie, te weten de eerste week van vrijdag uit school tot zaterdag 10:00 uur, de vierde en de vijfde week, waarbij het wisselmoment steeds op zaterdag om 10:00 uur is;
-
in de even jaren: drie weken in de zomervakantie, te weten de tweede, derde en zesde week waarbij het wisselmoment steeds op zaterdag om 10:00 uur is;
-
de overige vakantieweken die [minderjarige] bij de vader zal zijn, aanvangen op vrijdag uit school als dit de eerste of enige week van de vakantie betreft;
-
handhaaft de beschikking van 10 december 2021 voor het overige.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt, naar de rechtbank begrijpt en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
-
de zorgregeling uit te breiden per datum van de beschikking in die zin dat [minderjarige] bij de vader zal zijn van vrijdag uit school tot dinsdag naar school, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag op school zal ophalen;
-
ten aanzien van de verdeling van de vakanties:
-
dat de ingangsdatum van de vakantie zal zijn op de laatste schooldag;
-
dat de Kerstvakantie bij helfte wordt verdeeld, waarbij [minderjarige] een week onafgebroken bij de ene ouder en het volgende jaar weer bij de andere ouder verblijft. In 2026 is [minderjarige] dan de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Wijziging verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van het vierde lid van voornoemd artikel is artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing en kan een regeling omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) worden gewijzigd op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Ontvankelijkheid
De vader stelt zich op het standpunt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de beschikking van 27 oktober 2023. Zo heeft hij inmiddels bijna twee kinderen met zijn huidige partner (in plaats van één) en is een derde kindje onderweg. Hij vindt het belangrijk dat [minderjarige] met haar broertje, zusje en de nieuwe baby een goede band kan opbouwen. In de huidige zorgregeling is daar volgens de vader te weinig tijd voor. Daarnaast is de vader sinds april begonnen met een nieuwe baan als planner bij [bedrijfsnaam] waardoor hij [minderjarige] wel op vrijdag uit school kan ophalen, terwijl dit bij zijn vorige baan niet mogelijk was.
De moeder voert verweer en is van mening dat de door de vader aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen voor een wijziging van de zorgregeling. Het zijn dezelfde omstandigheden die bij de vorige beschikking werden aangehaald. De vader moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat de komst van de nieuwe kinderen in samenhang met de nieuw baan van de vader – waardoor hij meer tijd zou over hebben voor [minderjarige] dan voorheen – relevante wijzigingen van omstandigheden zijn, zodat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De vader voert ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende aan. Hij wil een wijziging van de zorgregeling waardoor [minderjarige] vanaf vrijdag uit school in plaats van zaterdagochtend bij hem is. Volgens de vader zorgt dit voor meer structuur en rust in de regeling, en wordt tegelijkertijd de zorg tussen de ouders eerlijker verdeeld. Daarnaast gaat het om een minimale aanpassing omdat alleen het startmoment van de zorgregeling zal veranderen. Door deze wijziging kan de vader met [minderjarige], zijn partner en de andere kinderen makkelijker een weekend weg of op familiebezoek. De vader geeft aan meermaals geprobeerd te hebben de wijziging van de zorgregeling met de moeder te bespreken, maar dat dit helaas niet is gelukt omdat volgens de moeder de zorgregeling nu goed loopt.
De moeder voert verweer en stelt zich op het standpunt dat een wijziging van de zorgregeling niet in het belang is van [minderjarige]. Voor de sociale ontwikkeling van [minderjarige] is het volgens de moeder belangrijk dat zij op vrijdagmiddag kan spelen met klasgenootjes in [plaats 1], en dit is niet mogelijk als zij direct uit school naar [plaats 2] moet. De moeder betwist verder dat een wijziging van de zaterdag naar de vrijdag zorgt voor meer mogelijkheden om familie te bezoeken, omdat de zoon van de vader voetbaltraining heeft op zaterdagochtend vanaf 09:00 uur. Door deze training is namelijk het ophaalmoment van [minderjarige] in de loop van de jaren steeds vervroegd.
De rechtbank is van oordeel dat een wijziging van de zorgregeling niet in het belang is van [minderjarige]. Een wijziging naar vrijdag uit school (in plaats van zaterdagochtend) zorgt volgens de rechtbank juist voor meer onrust in het leven van [minderjarige]. Zij moet dan op vrijdagmiddag uit school worden opgehaald door de vader om vervolgens in de file van [plaats 1] naar [plaats 2] te rijden, in plaats van dat zij rustig aan het weekend kan beginnen. Daarnaast blijkt zowel uit het kindgesprek en uit de brief van [minderjarige] dat zij op vrijdagmiddag wil kunnen spelen met vriendinnetjes in [plaats 1]. Dit is een gerechtvaardigde en invoelbare wens. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de wens van de vader om meer tijd met [minderjarige] door te brengen, is zij van oordeel dat de vrijdagmiddag daar niet het geschikte moment voor is. Op de zitting heeft de rechtbank de vader gevraagd naar de invulling van de dinsdagmiddag in de week dat [minderjarige] op die dag bij hem is. De vader heeft toegelicht dat de partner van de vader [minderjarige] dan van school haalt en de middag met haar doorbrengt, totdat de vader rond 17:00 uur thuiskomt. Naar het oordeel van de rechtbank kan de oplossing om meer tijd met [minderjarige] te kunnen doorbrengen worden gevonden door deze middag effectiever in te vullen, in plaats van de zorgregeling uit te breiden. In plaats van de nieuwe partner van de vader zou de vader zelf invulling aan die middag kunnen geven. Dit sluit ook aan bij de wens van [minderjarige] om meer één op één momenten met haar vader te kunnen hebben. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling, afwijzen.
Verdeling kerstvakantie
De vader verzoekt een wijziging van de verdeling van de kerstvakantie. Momenteel is [minderjarige] alleen één kerstdag bij de vader, en de rest van de kerstvakantie bij de moeder. De vader wil graag een meer eerlijke verdeling, en stelt daarom voor om de kerstvakantie bij helfte te verdelen waardoor [minderjarige] de ene week bij de vader is en de andere week bij de moeder. Deze wijziging zorgt volgens de vader voor meer rust en duidelijkheid, en biedt tegelijkertijd meer mogelijkheden voor hem om met [minderjarige] zijn familie te bezoeken met de feestdagen. De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij is van mening dat de huidige verdeling prima is, en dat de vader altijd in overleg meer tijd met [minderjarige] kan doorbrengen in de kerstvakantie.
De rechtbank is van oordeel dat een verdeling van de kerstvakantie zoals verzocht door de vader meer rust zal brengen dan de huidige verdeling. De rechtbank zal daarom bepalen dat [minderjarige] in de even jaren de week bij de vader is en de tweede week bij de moeder, en in de oneven jaren andersom. Dit brengt met zich mee dat in sommige jaren – zoals bijvoorbeeld in 2028 – [minderjarige] de moeder of de vader niet ziet met Kerst. De rechtbank acht dat niet in haar belang, en zal daarom bepalen dat in het geval Kerst volledig in de week van één ouder valt, [minderjarige] op 2e kerstdag van 10:00 uur tot 27 december 10:00 uur bij de andere ouder is. Op deze manier kan [minderjarige] ieder jaar kerst met beide ouders vieren, zijn er minder wisselingen en kan [minderjarige] meer tijd doorbrengen met haar vader en haar broertje en zusje en de nieuwe baby.
Aanvangsmoment van de vakanties
De vader verzoekt om te bepalen dat het aanvangsmoment van de vakantieregeling zal zijn op de laatste lesdag. [minderjarige] gaat dan uit school met de ouder mee bij wie zij de vakantie zal doorbrengen. De moeder heeft op de zitting ingestemd met dit verzoek. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en het aanvangsmoment van de vakanties wijzigen.
Vervangende toestemming hulpverlening Op de zitting heeft de vader gezegd zijn toestemming te verlenen voor de benodigde hulpverlening voor [minderjarige]. Hij heeft toegezegd om direct na de zitting contact op te nemen met de jeugdconsulent van de [gemeente]. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de toezeggingen van de vader, en zal het verzoek van de moeder daarom wegens gebrek aan belang afwijzen.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikkingen van 10 december 2021 en 27 oktober 2023 van deze rechtbank – :
*
bepaalt ten aanzien van de verdeling van de vakanties en feestdagen, dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats], als volgt bij de ouders is:
-
kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, en in de oneven jaren andersom;
-
in het geval Kerst volledig in de week van de ene ouder valt, dan is [minderjarige] van 26 december 10:00 uur (2e kerstdag) tot en met 27 december 10:00 uur bij de andere ouder;
*
bepaalt dat de vakanties zullen aanvangen op de laatste lesdag van [minderjarige];
*handhaaft de beschikkingen van 10 december 2021 en 27 oktober 2023 voor het overige;
*
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Honée, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juni 2026. |