Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-3529
Zaaknummer: C/09/703019
Datum beschikking: 22 juni 2026
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 9 april 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.M. Emeis te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Celikkal te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift;
-
het verweerschrift, ingekomen op 20 mei 2026.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in een gesprek met de rechter laten weten wat zij van het verzoek vinden.
Op 21 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
-
[naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2015;
- [de minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] 2017.
- De kinderen staan ingeschreven op het BRP-adres van de moeder.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 8 oktober 2021 is bepaald dat de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen zullen uitoefenen.
- Bij beschikking van 21 februari 2024 is een (definitieve) zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat de kinderen:
-
om het weekend met de vader bij de opa vaderszijde verblijven, van vrijdagmiddag 17.30 uur tot zondagmiddag 17.30 uur, waarbij de vader de kinderen bij de moeder haalt en terugbrengt en waarbij de stiefzoon van de vader, [naam 2] , tijdens de omgangsmomenten niet aanwezig is;
-
iedere donderdag om 18.30 uur met de vader videobellen.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
- een opbouwende zorgregeling vast te stellen, conform het voorstel van de vader en de moeder te bevelen daaraan mee te werken onder verbeurte van een dwangsom van € 50,- voor iedere dag dat zij de zorgregeling niet naleeft, met een maximum van €500,-;
- te bepalen dat de vader en de kinderen iedere donderdag na het weekend waarin ze bij hem zijn geweest om 18.00 u met elkaar videobellen, en de moeder te bevelen daaraan mee te werken op straffe van een dwangsom van € 25,- voor iedere keer dat zij dit niet nakomt met een maximum van € 250,-;
- te bepalen dat de kinderen bij de vader zullen zijn: in de zomervakantie drie weken, in de mei- en kerstvakantie één week, en de gehele voorjaars- en herfstvakantie afwisselend bij de vader en de moeder, telkens om en om per jaar.
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig wijziging van de zorgregeling, in die zin dat:
- voorlopig uitsluitend begeleide omgang plaatsvindt;
- omgang plaatsvindt onder begeleiding van een professionele instantie, dan wel onder regie van de hulpverlening;
- verdere uitbreiding van de omgang eerst plaatsvindt nadat de hulpverlening positief adviseert omtrent de belastbaarheid van de kinderen.
Beoordeling
Wettelijk kader In artikel 1:253a BW is bepaald dat de ouders in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening hun geschillen hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank kunnen voorleggen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Artikel 1:377e BW is van overeenkomstige toepassing.
Dit betekent dat een vastgestelde zorgregeling gewijzigd kan worden als er nadien sprake is van een wijziging van omstandigheden of de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank is gebleken dat na de vaststelling van de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de omstandigheden zijn gewijzigd. Immers, door de ouders is aangegeven dat zij geen uitvoering meer geven aan deze zorgregeling. De vader en de kinderen hebben al geruime tijd geen (fysiek) contact met elkaar.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting is de situatie uitgebreid met de ouders en de zittingsvertegenwoordiger van de Raad besproken. De rechtbank constateert dat beide ouders openstaan voor contact tussen de vader en de kinderen, maar dat de ouders van mening verschillen over hoe de omgang tussen de vader en de kinderen eruit moet komen te zien. De vader vindt het belangrijk dat het contact tussen de kinderen en hem door middel van een opbouwregeling weer hersteld wordt, omdat hij de kinderen inmiddels anderhalf jaar niet heeft gezien. De moeder vindt het belangrijk dat het contact tussen de vader en de kinderen uitsluitend onder begeleiding plaatsvindt en niet bij de vader thuis. De moeder vindt het niet in het belang van de kinderen dat zij in contact komen met de [naam 2] , de stiefzoon van de vader, gelet op de beschuldigingen van [de minderjarige 1] dat [naam 2] haar in 2021 onzedelijk heeft betast.
Tijdens de zitting hebben zowel de vader als de moeder de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Begeleide Omgang (BOR). De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan deze trajecten, zoals blijkt uit het aan deze beschikking gehechte proces-verbaal van doorverwijzing. Dit proces-verbaal is reeds per e-mailbericht doorgezonden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemde trajecten en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie(s). De rechtbank zal ook deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemde trajecten. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie van het traject Ouderschapsbemiddeling verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
In het geval het traject Ouderschapsbemiddeling niet heeft geleid tot een positief resultaat moet de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd zenden aan de Raad. De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover te informeren en, als de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vraag te beantwoorden: Welke zorgregeling tussen de vader en de kinderen is het meest in het belang van de kinderen?
Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
De rechtbank ziet aanleiding om een voorlopige zorgregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen, inhoudende dat er eenmaal per week gedurende drie uren contact zal zijn tussen de vader en de kinderen, onder begeleiding van BOR Humanitas. In onderling overleg met BOR Humanitas moet worden afgesproken op welke dag en op welk tijdstip het contactmoment zal plaatsvinden.
Tijdens het traject Ouderschapsbemiddeling is het aan de ouders om afspraken te maken over de verdere uitbouw van het contact en hoe de (definitieve) zorgregeling eruit moet komen te zien. De rechtbank benadrukt hierbij dat het noodzakelijk is dat er een bestendige (definitieve) zorgregeling tot stand komt, waar beide ouders zich aan gaan houden. Het is niet in het belang van de kinderen dat het contact (weer) stagneert. In afwachting van het verloop van de trajecten zal de rechtbank de beslissing tot het vaststellen van een definitieve zorgregeling aanhouden tot 1 december 2026 pro forma.
In het geval de ouders tijdens de trajecten tot overeenstemming komen dan moeten zij de rechtbank hierover informeren en kunnen zij de rechtbank verzoeken om de bereikte overeenstemming zonder nadere zitting in een eindbeschikking op te nemen.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 21 februari 2024 – :
*
stelt een voorlopige zorgregeling vast, inhoudende dat:
-
de vader en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] drie uur per week contact met elkaar hebben, onder begeleiding van BOR Humanitas, waarbij de ouders in onderling overleg met BOR Humanitas bepalen op welke dag en op welk tijdstip het wekelijkse contactmoment zal plaatsvinden;
-
de vader en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] iedere donderdag om 18.30 uur videobelcontact met elkaar hebben.
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de moeder] , (de moeder)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de vader] , (de vader)
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan de hulpverleningstrajecten Ouderschapsbemiddeling en Begeleide Omgang (BOR), en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie(s);
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:
- Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
- de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemde trajecten;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie van het traject Ouderschapsbemiddeling de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders en daarvan;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van wat de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot 1 december 2026 pro forma.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, bijgestaan door mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2026. |