vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/071582-26
Datum uitspraak: 11 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna: verdachte.
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Eck Rasmussen, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. Nijssen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .
Voorts is [reclasseringsmedewerker 1] , reclasseringswerker, als deskundige gehoord.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
-
Diefstal van diverse goederen, toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] , door middel van braak en/of verbreking op 15 november 2025. Dit is subsidiair ten laste gelegd als poging tot diefstal door middel van braak en/of verbreking en meer subsidiair als vernieling van één of meer ruiten en/of een bloempot toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] ;
-
Diefstal van een geldbedrag, toebehorende aan [bedrijfsnaam 3] , door middel van braak op 18 november 2025;
-
Diefstal in vereniging van een geldbedrag en/of geldpotje/geldbakje, toebehorende aan [benadeelde partij 2] , door middel van braak op 18 november 2025;
-
Diefstal van één of meer rokersbenodigdheden, toebehorende aan [bedrijfsnaam 2] , door middel van braak op 18 november 2025;
-
Diefstal in vereniging van een mobiele telefoon en/of mobiel pinapparaat en/of rokersbenodigdheden, toebehorende aan [bedrijfsnaam 2] , door middel van braak op 18 november 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte vrijgesproken wordt van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor diefstal. Hoewel aangeefster in haar aanvullende verklaring heeft aangegeven dat er goederen zijn weggenomen, heeft zij eerder verklaard dat dit niet het geval was en zij heeft dit later nogmaals in haar aangifte bevestigd. Wel kan de onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde vernieling worden bewezen. De overige ten laste gelegde feiten kunnen volgens haar eveneens worden bewezen. De officier van justitie heeft de daartoe relevante bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aanvullende aangifte van aangeefster niet geloofwaardig is en geen steun vindt in het dossier. Wel kan de onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde vernieling worden bewezen, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte.
Ten aanzien van de overige feiten heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, nu niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van (een poging tot) diefstal. Gelet op de ter terechtzitting ingenomen standpunten behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
Bewezenverklaring
4.3.2.1. Feit 1 meer subsidiair
Op grond van de bewijsmiddelen uit bijlage II, waaronder de bekennende verklaring van
verdachte ter terechtzitting, acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
4.3.2.2. Feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5
Op grond van de bewijsmiddelen uit bijlage II acht de rechtbank bewezen dat verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft gepleegd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. In de nacht van 18 november 2025 zijn er bij drie verschillende bedrijven inbraken gepleegd. Deze inbraken zijn in een korte tijd na elkaar gepleegd en de bedrijven zijn in elkaars nabijheid gelegen. De bedrijven hebben camerabeelden van de desbetreffende nacht aan de politie verstrekt. Uit de beschrijving van deze camerabeelden blijkt dat het signalement van degene die heeft ingebroken telkens overeenkomt. Daarnaast is er telkens sprake van dezelfde modus operandi, namelijk: het vernielen van een raam en via dit raam binnentreden. Verdachte is door een verbalisant herkend op de camerabeelden van [bedrijfsnaam 2] (feit 4 en feit 5). Tot slot is er bij iedere inbraak bloed aangetroffen, welk bloed is bemonsterd. . Uit het forensisch DNA-onderzoek blijkt dat bij ieder afzonderlijk bedrijf uit de bemonsteringen telkens op z’n minst één enkelvoudig DNA-profiel is verkregen dat overeenkomt met . het DNA-profiel van verdachte. In het kader van de bewijskracht wordt nog opgemerkt dat de frequentie van voorkomen van deze (uit de bemonsteringen verkregen) DNA-profielen, kleiner is dan één op één miljard.. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, bewezen dat verdachte de ten laste gelegde inbraken heeft gepleegd.
Vrijspraak braak (feit 5)
De rechtbank komt ten aanzien van feit 5 niet tot een bewezenverklaring voor diefstal met braak, nu uit de aangifte blijkt dat het raam is vernield bij de eerste keer dat er is ingebroken bij de tabakswinkel (feit 4) en dat bij de tweede inbraak (feit 5) de deur kennelijk is geopend door met een arm door het reeds kapotte raam te reiken. Derhalve is er geen sprake van braak en kan dit bestanddeel niet worden bewezen.
Medeplegen en geen sprake van eendaadse samenloop (feit 5)
Uit het dossier leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het onder 5 tenlastegelegde het volgende af. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte de winkel binnenloopt. Vervolgens komt een medeverdachte in beeld. Beide lopen rond in de winkel en stoppen diverse goederen in hun tas. Later lopen zij beiden via de deur naar buiten. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat er geen sprake is van eendaadse samenloop. Van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is sprake indien de bewezen verklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt.
De rechtbank is van oordeel dat de feiten 4 en 5 wezenlijk verschillende verwijten opleveren, omdat er tijdsverloop van bijna twee uur tussen de inbraken zit en blijkens de camerabeelden verdachte de tweede inbraak heeft gepleegd met een medeverdachte.
Medeplegen (feit 3)
Uit het dossier leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het onder feit 3 tenlastegelegde het volgende af. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte het raam vernielt en de winkel binnentreedt. Nadat verdachte een goed pakt, verlaat hij de winkel door het raam. Zodra hij naar buiten stapt, treedt een medeverdachte binnen. Het signalement komt overeen met de medeverdachte van feit 5. Verdachte komt vervolgens ook weer door het raam naar binnen. Vervolgens stapt de medeverdachte weer naar buiten. Even later verlaat verdachte de winkel. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1 meer subsidiair
op 15 november 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk, één ruit en een bloempot, die aan [bedrijfsnaam 1] toebehoorde, heeft vernield;
Feit 2
op 18 november 2025 te Amsterdam, een geldbedrag, dat aan [bedrijfsnaam 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Feit 3
op 18 november 2025 te Amsterdam, , tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag en een geldpotje die aan [benadeelde partij 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
Feit 4
op 18 november 2025 te Amsterdam, meerdere rokersbenodigdheden, die aan [bedrijfsnaam 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Feit 5
op 18 november 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een mobiele telefoon, een mobiel pinapparaat en rokersbenodigdheden, die aan [bedrijfsnaam 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
5 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straf
Strafeis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen, waarvan 28 dagen voorwaardelijk en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf dienen daarnaast de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering te worden verbonden, met dien verstande dat de voorwaarde middelencontrole op dezelfde wijze dient te worden geformuleerd als bij het toezicht met parketnummer 13/296848-25.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht in de strafoplegging rekening te houden met het feit dat artikel 63Sr van toepassing is. Hij heeft daarnaast verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, eventueel aan te vullen met een voorwaardelijk deel met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in korte tijd viermaal schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) bedrijfsinbraken. Bij deze inbraken is verdachte op agressieve en destructieve wijze te werk gegaan door telkens een ruit te vernielen om vervolgens de hele winkel overhoop te halen en schade in de bedrijfsruimte toe te brengen. Inbraken brengen niet alleen voor de slachtoffers, de eigenaren van de winkels, maar ook in de maatschappij gevoelens van onveiligheid teweeg.
Verdachte heeft met zijn handelswijze aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Hij heeft geen oog gehad voor de schade die hij heeft veroorzaakt en heeft zich kennelijk laten leiden door zijn zucht naar geldelijk en materieel gewin. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling. Verdachte heeft hiermee nogmaals getoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 27 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder meermaals is veroordeeld voor vermogensdelicten. Daarnaast blijkt dat verdachte op 4 december 2025 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, voor diverse inbraken. Aangezien de bewezenverklaarde feiten op 15 en 18 november 2025 zijn gepleegd, betekent dit dat artikel 63 Sr van toepassing is.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam van 28 mei 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 2] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
De gepleegde delicten zijn onderdeel van een bestaand patroon in het plegen van vermogensdelicten. Dit patroon hangt samen met een al jaren bestaande verslaving aan alcohol, cannabis en cocaïne.
Er is bij verdachte sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Er zijn zorgen met betrekking tot het gebrek aan een duurzame en gestructureerde woonvoorziening, het gebrek aan dagbesteding en er is sprake van een licht verstandelijke beperking in combinatie met verslavingsproblematiek. Dit betreffen allemaal factoren die door de reclassering als risicoverhogend worden gezien met betrekking tot het delictgedrag.
Verdachte is reeds aangemeld voor behandeling en begeleiding van het FACT team van
Inforsa, hetgeen beschermend zou kunnen werken en de kans op recidive zou kunnen doen
verminderen. Ook het contact met familie, het feit dat betrokkene onder bewind staat en betrokkene zijn houding zouden als beschermend gezien kunnen worden.
In eerdere rapporten is te lezen dat uit het verleden blijkt dat de verdachte goed gedijt in een gestructureerde setting met voldoende begeleiding. Momenteel staat verdachte op de wachtlijst bij Domus +1 en onderzoekt zijn toezichthouder de mogelijkheden met betrekking tot zijn WLZ-indicatie.
De reclassering acht de kans op recidive en harddrugsgebruik onverminderd hoog wanneer verdachte detentie verlaat zonder zicht op een stabiele (begeleide) woonvorm.
De reclassering ziet desalniettemin voldoende mogelijkheden om de verdachte verder te begeleiden in een ambulant kader. Verdachte loopt reeds in een toezicht bij Reclassering Inforsa en de reclassering is van mening dat het van essentieel belang is om met de huidige bijzondere voorwaarden verdere uitvoering te geven aan het huidige plan van aanpak, om zo te werken aan recidivevermindering. Indien verdachte uit detentie komt zonder vaste woonplek is het risico op terugval in middelengebruik en het daarmee samenhangende recidiverisico echter onverminderd hoog.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van een email van de reclassering van 25 augustus 2026 waarin mevrouw [reclasseringsmedewerker 1] , reclasseringswerker, ten behoeve van de inhoudelijke zitting een update geeft over ontwikkelingen na datum van voornoemd reclasseringsadvies ten aanzien van huisvesting en behandeling. Verdachte staat momenteel op de wachtlijst voor een woning bij locatie [locatie] van het Leger des Heils en is ook aangemeld voor een woonplek bij HVO Querido. Ten aanzien van de op te starten behandeling heeft inmiddels een intakegesprek plaatsgevonden met het FACT team van Inforsa; zij hebben laten weten verdachte in behandeling te nemen wanneer hij vrijkomt.
Oriëntatiepunten
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf ook gekeken naar de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten. Voor een (bedrijfs)inbraak – waarbij sprake is van veelvuldig recidive – is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 4 maanden.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende en met inachtneming van artikel 63 Sr acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden passend en geboden. De rechtbank ziet geen redenen om naast de onvoorwaardelijke straf een voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte is op 4 december veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zijn bijzondere voorwaarden opgelegd. Het toezicht is nog niet opgestart, omdat verdachte sinds het onherroepelijk worden van dat vonnis ononderbroken is gedetineerd. De rechtbank acht het daarom niet nodig om daarnaast nog een voorwaardelijke straf op te leggen, temeer nu de reclassering heeft geadviseerd om nagenoeg dezelfde voorwaarden op te leggen. Een extra toezicht, met deels verschillende voorwaarden, zou bovendien slechts tot verwarring kunnen leiden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
8 Vorderingen van de benadeelde partijen
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 5741,97 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente Tevens is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vordering bestaat uit een bedrag van € 5.550,- aan goederen (twee föhns en een Cartier-armband) en € 191,97 aan gemaakte kosten voor het herstel van de ruit. Ter onderbouwing van die laatste post heeft de benadeelde partij een factuur overgelegd van AA glas. Hieruit volgt dat het gevorderde bedrag inclusief € 27,51 aan BTW is.
De officier van justitie en raadsman hebben zich beide op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de schade die ziet op de goederen, gelet op de bepleitte vrijspraak van de (poging tot) diefstal. Het deel dat ziet op het herstel van de ruit, minus de BTW, kan worden toegewezen.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar deel van de vordering dat ziet op de goederen, omdat verdachte wordt vrijgesproken van de (poging tot) diefstal.
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door de vernieling (feit 1, meer subsidiair) rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding voor de ruitschade toewijzen omdat dit door de benadeelde partij door middel van de overgelegde factuur voldoende is onderbouwd. De berekende en tevens gevorderde BTW komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat de benadeelde partij die als ondernemer kan verrekenen. De rechtbank zal dit deel van de schadepost, ter hoogte van € 27,51 dan ook afwijzen. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 164,46 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 481,77 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit een bedrag van € 150,- aan gemaakte schoonmaakkosten en een bedrag van € 331,77 aan gemaakte kosten voor het herstel van de ruit en de deur. Ter onderbouwing van die laatste post heeft de benadeelde partij een factuur overgelegd van Accuut glasservice. Hieruit volgt dat het gevorderde bedrag inclusief € 57,58 BTW is.
De benadeelde partij heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De officier van justitie en raadsman hebben zich beide op het standpunt gesteld dat het deel dat ziet op het herstel van de ruit en deur, minus de BTW, kan worden toegewezen. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in het deel dat ziet op de schoonmaakkosten, nu deze post onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding voor de ruitschade toewijzen omdat dit door de benadeelde partij door middel van de overgelegde factuur voldoende is onderbouwd. De berekende en tevens gevorderde BTW komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat de benadeelde partij die als ondernemer kan verrekenen. De rechtbank zal dit deel van de schadepost, ter hoogte van € 57,58 dan ook afwijzen. Ten aanzien van de gevorderde schoonmaakkosten van € 150 overweegt de rechtbank dat dit onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 274,19 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
De verdachte is naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] wordt als extra waarborg voor betaling aan hen de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 311 en 350 Sr.
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor
is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
Ten aanzien van feit 2 en 4:
telkens: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
ten aanzien van feit 3:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Ten aanzien van feit 5:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Vorderingen tot schadevergoeding
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 164,46 (honderdvierenzestig euro en zesenveertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van de schade die ziet op de goederen.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 164,46 (honderdvierenzestig euro en zesenveertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van€ 274,19 (tweehonderd vierenzeventig euro en negentien eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van de post ‘schoonmaakkosten’.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 274,19 (tweehonderd vierenzeventig euro en negentien eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. Bode, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 september 2026.
[… ]
-
[… ]
-
[… ]
-
[… ]
-
[… ]
|
[… ] |
[… ] |
[… ] |
|
[… ] |
[… ] |
[… ] |
|
[… ] |
[… ] |
[… ] |
|
[… ] |
[… ] |
[… ] |
|
[… ] |
[… ] |
[… ] |
|
[… ] |
[… ] |
[… ] |
|
[… ] |
[… ] |
[… ] |
|
[… ] |
[… ] |
[… ] |
|
[… ] |
[… ] |
[… ] |
|
[… ] |
[… ] |
[… ] |
|
[… ] |
[… ] |
[… ] |
-
[… ]
-
[… ]
-
[… ]
-
[… ]
-
[… ]
-
[… ]
-
[… ]