ECLI:NL:RBAMS:2026:9976

Datum uitspraak
07-08-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
13/280594-25 (A), 13/251374-25 (B) en 13/268252-25 (eerder ter terechtzitting gevoegd)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling, gijzeling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling. Vrijspraak voorbedachten rade en geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op de dood. GEV voor de duur van 6 maanden en TBS met voorwaarden. Vorderingen BP.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/280594-25 (zaak A), 13/251374-25 (zaak B) en 13/268252-25 (zaak C) (eerder ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 7 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

nu gedetineerd in het [Penitentiaire Inrichting]

hierna: verdachte.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.H.B. Budde, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.R. Pronk, advocaat te Putten, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van

de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] , en van wat hetgeen door [medewerkster Slachtofferhulp Nederland] , medewerkster Slachtofferhulp Nederland, namens [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , naar voren is gebracht.

Voorts zijn [klinisch psycholoog] , klinisch psycholoog, en [psychiater] , psychiater, als deskundigen

gehoord.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting – (kort gezegd) tenlastegelegd dat hij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

Zaak A

  1. poging tot moord dan wel doodslag van [benadeelde partij 2] op 14 oktober 2025. Dit is subsidiair tenlastegelegd als poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en meer subsidiair als een mishandeling met voorbedachten rade.

  2. gijzeling van [benadeelde partij 2] op 14 oktober 2025. Dit is subsidiair tenlastegelegd als poging tot gijzeling;

  3. bedreiging van [benadeelde partij 2] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling op 14 oktober 2025;

  4. mishandeling met voorbedachten rade van [benadeelde partij 1] op 14 oktober 2025.

Zaak B

  1. vernieling van één of meer (auto)ruiten toebehorende aan [benadeelde partij 5] en/of [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 4] op 22 september 2025;

  2. vernieling van één of meer ruit(en) toebehorende aan [benadeelde partij 3] op 8 september 2025.

Zaak C

Vernieling van een raam(kozijn) en/of een rooster toebehorende aan [benadeelde partij 7] op 12 oktober 2025.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten en heeft hiertoe de bewijsmiddelen opgesomd. Meer specifiek heeft de officier van justitie zich ten aanzien van zaak A op het standpunt gesteld dat de (primair) tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Ten aanzien van de in zaak A onder 1 en 4 tenlastegelegde feiten heeft hij daartoe aangevoerd dat er sprake was van voorbedachte raad, omdat verdachte tegen de psychiater van [benadeelde partij 7] heeft gezegd dat hij het wurgen had gepland om te ontsnappen. Volgens de officier van justitie heeft verdachte ook vol opgezet gehad op de dood (feit 1) gelet op de uiterlijke verschijningsvorm. Verdachte heeft gedurende twee á drie minuten een nekklem aangelegd waarbij aangeefster [benadeelde partij 2] (hierna [benadeelde partij 2] ) steeds minder lucht kreeg, het benauwd kreeg en rood aanliep. Hierbij heeft verdachte geschreeuwd dat hij haar nek zou breken en haar zou gaan vermoorden.

Ten aanzien van het in zaak B onder 2 tenlastegelegde heeft hij aangevoerd dat de kleding van verdachte die is aangetroffen bij de fouillering overeenkomt met de kleding die de dader op de camerabeelden draagt. Daarnaast heeft de dader telkens een skateboard in bezit, terwijl verdachte ook is gezien met een skateboard. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte dat de persoon ook [naam 1] zou kunnen zijn onaannemelijk. Verdachte heeft geen gegevens van deze [naam 1] kunnen geven.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 4 ten laste gelegde verzocht verdachte vrij te spreken van het bestanddeel voorbedachte raad. Verdachte heeft gehandeld in een gemoedsopwelling. De verklaring van de psychiater kan niet als betrouwbaar bewijsmiddel worden aangemerkt. Er is geen informatie over de totstandkoming van de verklaring, verdachte was ten tijde van het gesprek nog psychotisch en hij heeft binnen één gesprek verschillende verklaringen afgelegd. Ook de uiterlijke verschijningsvorm duidt niet op voorbedachte raad gericht op letsel of de dood, nu verdachte als doel had om te ontsnappen.

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat er onvoldoende bewijs is dat er sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel. Uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat hij niet de indruk had dat verdachte het doel had om aangeefster buiten bewustzijn te brengen. Daarnaast zijn de uiterlijke verschijningsvorm en de gegeven context onvoldoende om (voorwaardelijk) opzet aan te nemen.

Tot slot kan op basis van het letsel niet worden vastgesteld dat verdachte zodanig hard heeft geknepen dat hiermee de kans op zwaar lichamelijk letsel of de dood aanmerkelijk was.

De raadsvrouw heeft daarnaast vrijspraak bepleit van het in zaak B onder 2 tenlastegelegde, nu er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte kan niet enkel op grond van een overeenkomst in kleding worden veroordeeld. De beelden bevatten onvoldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken op grond waarvan een herkenning kan worden gebaseerd. Daarnaast is de alternatieve verklaring van cliënt niet onderzocht.

Ten aanzien van de overige feiten refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A

4.3.1.

Vaststaande feiten en omstandigheden

Uit het strafdossier en het verhandelde op de zitting is komen vast te staan dat verdachte op 14 oktober 2025 vanuit zijn separeercel bij [benadeelde partij 7] in de richting van aangeefster [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) rende en haar vastpakte. Hij kwam toen samen met [benadeelde partij 1] buiten de separeercel terecht. Zij voelde dat verdachte een arm om haar hoofd/ hals deed en dat zij klem zat. [benadeelde partij 1] voelde druk en pijn op haar hoofd. Hierop mengde [benadeelde partij 2] zich in de worsteling. Verdachte heeft toen zijn arm om de nek van [benadeelde partij 2] gedaan. Hierop voelde zij veel druk op haar nek en kreeg zij moeite met ademhalen. Zij voelde een brandend gevoel in haar linkerkaak en aan de linkerkant van haar nek. Verdachte schreeuwde meermaals dat hij de nek van [benadeelde partij 2] ging breken. Daarnaast schreeuwde hij dat hij haar ging vermoorden en dat hij wilde dat zij hem zouden vrijlaten. [benadeelde partij 2] heeft ongeveer twee á drie minuten in een nekklem gezeten. Tijdens deze nekklem kreeg zij minder lucht en werd zij steeds benauwder. Na die twee á drie minuten schoten twee extra collega’s te hulp. Getuige [getuige] zag dat verdachte één arm om de nek van [benadeelde partij 2] had geplaatst waarbij zijn elleboog ter hoogte van haar strottenhoofd zat. [benadeelde partij 2] had een rood hoofd op het moment dat de arm om haar nek zat. Zij was in paniek en had stress. Haar ogen puilden niet uit. Nadat drie collega’s 15 tot 20 seconden aan de arm van verdachte trokken, is het [benadeelde partij 2] uiteindelijk gelukt los te komen. Hierna zag [benadeelde partij 2] dat zij een wondje op haar bovenlip had, voelde zij brandende pijn en zag zij bloed op haar bovenlip.

4.3.2.

Zaak A

Vrijspraak voorbedachten rade (feit 1 en feit 4)

De rechtbank zal allereerst de vraag moeten beantwoorden of er sprake is

van voorbedachten rade.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel

voorbedachte raad moet komen vast te staan, dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft

kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in

een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij moet dus de gelegenheid hebben gehad om na

te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan

rekenschap te geven.

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verdachte planmatig heeft gehandeld, zoals tenlastegelegd. Verdachte heeft het plan gehad om te ontsnappen, maar uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte het plan heeft gehad om [benadeelde partij 2] te doden of (zwaar) te mishandelen dan wel [benadeelde partij 1] te mishandelen. Van de verklaring van de psychiater van [benadeelde partij 7] , dat verdachte na doorvragen heeft gezegd dat hij het opspringen en wurgen wel had gepland om te ontsnappen, kan de objectiviteit en het waarheidsgehalte onvoldoende worden vastgesteld. Het is niet duidelijk hoe de verklaring tot stand is gekomen en [benadeelde partij 7] had kennelijk een belang bij die verklaring, nu uit het dossier blijkt dat de directeur zijn teleurstelling heeft uitgesproken over het aanvankelijk niet aanhouden van verdachte en met het oog daarop nadere informatie heeft aangeleverd aan de politie.

Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van verdachte het gevolg van een spontane beslissing die is genomen in een gemoedsopwelling omdat hij wilde ontsnappen uit de separeercel. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en spreekt hem vrij van dit bestanddeel ten aanzien van zaak A feit 1 en feit 4.

(Voorwaardelijk) opzet op de dood? (feit 1 primair)

De rechtbank moet daarna de vraag beantwoorden of verdachte opzet heeft gehad op de dood van aangeefster [benadeelde partij 2] . De rechtbank overweegt dat het dossier, mede gelet op het voorgaande, onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot het oordeel te komen dat verdachte willens en wetens geprobeerd heeft aangeefster van het leven te beroven, zodat vol opzet daarop niet kan worden bewezen.

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. Daarvoor is nodig dat er (naar algemene ervaringsregels) een aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster door zijn handelen zou komen te overlijden. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg, dat het – afgezien van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.

Uit de hiervoor genoemde verklaringen van aangeefster maakt de rechtbank op dat verdachte aangeefster [benadeelde partij 2] gedurende twee á drie minuten in een nekklem had. Met het aanleggen van een nekklem is de aanmerkelijke kans op de dood op zichzelf nog niet gegeven. Of die kans er was, dient te worden beoordeeld op grond van de duur, kracht en intensiteit van de nekklem. Uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat [benadeelde partij 2] een rood hoofd had en dat ze in paniek was, maar niet dat haar ogen uitpuilden. Daarnaast was [benadeelde partij 2] nog in staat om tegen [benadeelde partij 1] te zeggen dat ze de alarmknop moest indrukken. Hoewel de rechtbank begrijpt dat deze situatie zeer beangstigend moet zijn geweest, is dat niet voldoende om in de gegeven omstandigheden vast te kunnen stellen dat er een aanmerkelijke kans was dat [benadeelde partij 2] kwam te overlijden en dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de tenlastegelegde poging tot doodslag.

Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling

De rechtbank ziet allereest geen aanknopingspunten in het dossier om tot het oordeel te komen dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster [benadeelde partij 2] . Dan komt de rechtbank toe aan de vraag of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad om [benadeelde partij 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Bij beantwoording van deze vraag moet worden vastgesteld of verdachte een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [benadeelde partij 2] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en of verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard. Dat is, zoals hiervoor overwogen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Door gedurende twee á drie minuten een nekklem aan te brengen heeft verdachte – naar de uiterlijke verschijningsvorm – de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde partij 2] zwaar lichamelijk letsel zou lopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de hals en keel kwetsbare en vitale onderdelen van het lichaam bevinden, zoals de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader. Het beklemmen van de keel brengt, naar algemene ervaringsregels, een aanmerkelijke kans met zich mee op een snel intredend zuurstofgebrek in de hersenen, wat weer een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Dat moet ook verdachte zich hebben gerealiseerd, zodat hij die kans bewust heeft aanvaard.

Omdat de nekklem niet daadwerkelijk tot zwaar lichamelijk letsel heeft geleid, is er sprake van een poging.

Zaak A feit 2, feit 3, en feit 4

Op grond van de bewijsmiddelen uit bijlage II acht de rechtbank bewezen dat verdachte de in zaak A onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en van de verdediging behoeft dit oordeel, met uitzondering van de hierboven besproken voorbedachte rade ten aanzien van feit 4, geen nadere motivering.

Eendaadse samenloop en voorgezette handeling

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 4 en feit 1 sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De verschillende bewezen verklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen hangen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') zo nauw met elkaar samen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. De rechtbank is verder van oordeel dat ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, Sr. De bewezenverklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend, feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. In beide gevallen geldt dat de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.

4.3.2.

Zaak B

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen uit bijlage II acht de rechtbank bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en van de verdediging behoeft dit oordeel geen nadere motivering.

Feit 2

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig bewijs en overtuigend is dat verdachte de ruiten van de horecazaak heeft vernield. De rechtbank acht de kleding dermate specifiek dat dit voldoende is om als wettig bewijs te gelden. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de overeenstemmende specifieke kenmerken van de kleding van degene die de ruit bij [naam 2] heeft ingegooid en de verdachte bij zijn aanhouding na het vernielen van de autoruiten. Voorts is het volgens de rechtbank onwaarschijnlijk dat indien een ander de kleding zou hebben gedragen, deze persoon de kleding op exact dezelfde wijze aan zou hebben gehad. Hierbij gaat het niet alleen om het telkens dragen van hetzelfde vest, maar ook om het dragen van dezelfde schoenen, rugzak en het gebruik van een gelijkend skateboard. De alternatieve verklaring van verdachte, dat een man genaamd [naam 1] zijn kleren zou hebben gedragen en rugzak zou hebben gebruikt, is onvoldoende aannemelijk geworden.

4.3.3.

Zaak C

Op grond van de bewijsmiddelen uit bijlage II, waaronder de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, acht de rechtbank bewezen dat verdachte het in zaak C tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

4.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Zaak A

1. subsidiair).

op 14 oktober 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, gedurende enige tijd met kracht een arm om de nek en keel van voornoemde [benadeelde partij 2] heeft gebracht, gehouden en gedrukt en de keel van voornoemde [benadeelde partij 2] gedurende enige tijd heeft dichtgedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening;

2.

op 14 oktober 2025 te Amsterdam, opzettelijk [benadeelde partij 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden met het oogmerk een ander, te weten [benadeelde partij 1] , te dwingen iets te doen, te weten hem, verdachte de gelegenheid te geven vrij te worden gelaten en te kunnen vluchten uit de separeercel en het gebouw van het [benadeelde partij 7] , (toen voornoemde [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] de separeercel, waarin hij, verdachte verbleef, hadden geopend) naar de uitgang van de separeercel is gerend en/ gedurende enige tijd met kracht een arm om de nek, en keel van voornoemde [benadeelde partij 2] heeft gebracht, gehouden en gedrukt en de keel van voornoemde [benadeelde partij 2] gedurende enige tijd heeft dichtgedrukt en/ daarbij vervolgens tegen voornoemde [benadeelde partij 1] heeft gezegd; “Ik wil dat jullie mij vrijlaten, ik ga haar nek breken, ik ga haar vermoorden”;

3.

op 14 oktober 2025 te Amsterdam, [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door in tegenwoordigheid van en tegen voornoemde [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga je/haar nek breken, ik ga je/haar vermoorden (daarmee verwijzende naar voornoemde [benadeelde partij 2] )";

4.

op 14 oktober 2025 te Amsterdam, [benadeelde partij 1] heeft mishandeld, door voornoemde [benadeelde partij 1] met kracht vast te pakken en een arm om de nek en keel van voornoemde [benadeelde partij 1] te brengen, te houden, te drukken en tegen diens lichaam te duwen, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;

Zaak B

1.

op 22 september 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk autoruiten, die aan een ander, te weten aan [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 4] , toebehoorde heeft vernield;

2.

op 8 september 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van Horecazaak Het [naam 2] gevestigd op perceel [adres] , die aan een ander, te weten aan [benadeelde partij 3] , toebehoorde heeft vernield;

Zaak C

op 12 oktober 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een raamkozijn, die aan een ander, te weten aan [benadeelde partij 7] of Stichting [Stichting] , toebehoorde heeft vernield.

5 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn Pro Justitia-rapportages opgemaakt over verdachte die hierna onder rubriek 6 behandeld worden. Uit die rapportages volgt dat verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de delicten. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 De op te leggen straf en maatregel

6.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast moet aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging worden opgelegd met dadelijke uitvoerbaarheid. Voorts heeft de officier van justitie verzocht om aan verdachte een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (hierna: GVM) zoals bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest en daarnaast aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. De raadsvrouw heeft daarnaast verzocht om de GVM niet op te leggen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, gijzeling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling. Verdachte heeft koste wat het kost willen ontsnappen en heeft zijn eigen belangen zwaarder laten wegen dan de veiligheid van de betrokken verpleegkundigen. Dit is een zeer beangstigende situatie voor hen geweest, terwijl zij gewoon hun werk deden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan meerdere vernielingen. Verdachte heeft hiermee blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 5 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Pro Justitia psychologisch onderzoek van 23 april 2026, opgesteld door [klinisch psycholoog] , klinisch psycholoog en een Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 1 mei 2026, opgesteld door [psychiater] , psychiater.

De psycholoog komt – kort gezegd – tot de conclusie dat ten tijde van de tenlastegelegde feiten er bij verdachte sprake was van een aandachtstekort-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD), een ernstige stoornis in het gebruik van een amfetamineachtig middel (speed) en cannabis, een middelen-geïnduceerde psychotische stoornis, alsmede persoonlijkheidsproblematiek gekenmerkt door beperkte emotieregulatie, impulsiviteit en een beperkt introspectief vermogen. In de periode voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten was sprake van een duidelijke toename van ontregeling, in samenhang met fors en langdurig middelengebruik. Verdachte heeft moeite met het reguleren van spanning en emoties, waarbij negatieve gevoelens zoals frustratie, boosheid en onmacht snel kunnen oplopen. In dergelijke situaties is verdachte geneigd tot impulsief en externaliserend gedrag. Zijn vermogen om situaties realistisch te interpreteren en de intenties van anderen juist in te schatten is daarbij beperkt, met name onder invloed van middelen in combinatie met verhoogde spanning. Verdachte is bovendien sterk afhankelijk van externe structuur, terwijl hij zich tegelijkertijd moeilijk kan voegen naar opgelegde kaders en beperkingen. Dit leidt tot een patroon van zorgmijding, het niet nakomen van afspraken en het zich onttrekken aan begeleiding. Vanuit zijn problematiek en middelengebruik beschikt verdachte over onvoldoende mogelijkheden om tijdig hulp te zoeken, grenzen aan te geven of zijn gedrag bij te sturen voordat escalatie optreedt. De psycholoog adviseert om het bewezenverklaarde in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De psychiater komt tot vergelijkbare conclusies en adviseert om het bewezenverklaarde in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de rapporten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden de conclusies over de toerekenbaarheid van het feit aan de verdachte gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt gelet hierop de conclusies van de gedragsdeskundigen over en maakt die tot de hare.

TBS met voorwaarden

De psycholoog heeft gerapporteerd dat op basis van de HCR-20v3 een matig tot hoog risico op gewelddadig recidivegedrag wordt ingeschat. Het risico op ernstig lichamelijk letsel wordt als matig beoordeeld en het risico op acuut dreigend geweld als laag tot matig. Verdachte heeft langdurige en ernstige verslavingsproblematiek, waarbij eerdere ambulante en gedwongen behandelingen onvoldoende effect hebben gehad. Er was herhaaldelijk sprake van beperkte motivatie, terugval in middelengebruik en het niet naleven van voorwaarden. Ook tijdens recente klinische opname liet verdachte ernstig ontregeld en risicovol gedrag zien, met middelengebruik, agressie en het zich onttrekken aan zorg, ondanks een gestructureerde setting. Gelet op de ernst en complexiteit van de problematiek, het beperkte ziekte-inzicht, de ontwikkelings- en persoonlijkheidsproblematiek en het verhoogde recidiverisico, wordt een langdurig en intensief verplicht behandeltraject noodzakelijk geacht. Eerdere kaders, waaronder toezicht en ambulante behandeling, hebben onvoldoende geleid tot duurzame stabilisatie.

Een zorgmachtiging wordt in dit kader als onvoldoende passend beschouwd, gezien de combinatie van verslavingsproblematiek, psychotische ontregeling en het recidive risico. Een tbs-maatregel met voorwaarden wordt daarom als meest passend geacht, omdat dit kader ruimte biedt voor langdurige klinische behandeling, intensief toezicht en adequate mogelijkheden tot opschaling bij terugval of ontregeling. Tegelijkertijd biedt het mogelijkheden om stapsgewijs toe te werken naar resocialisatie, met nadruk op abstinentie, behandeling en maatschappelijke stabilisatie, met als doel het verminderen van recidive en het vergroten van het behandelperspectief.

De psychiater heeft gerapporteerd dat de combinatie van psychische en verslavingsproblematiek als belangrijkste risicofactor voor herhaling van ernstig fysiek gewelddadig gedrag wordt gezien. Hierbij is de ernstige verslaving aan speed en cannabis, hetgeen uiteindelijk na een periode van langer dagelijks gebruik, leidt tot ontregeling van zijn gedrag (ook in de onthoudingsfase), van zijn emoties en denken (desorganisatie en wanen), de belangrijkste factor. De onderliggende ADHD en kwetsbare persoonlijkheidstrekken zorgen ervoor dat verdachte nog sterker geneigd is naar de middelen te grijpen om zich o.a. productiever te voelen en om met negatieve emoties om te gaan. Als verdachte geen behandeling krijgt voor zijn verslaving, ADHD en kwetsbare persoonlijkheidstrekken is de kans op terugval in middelengebruik groot. Vervolgens is dan bij dagelijks gebruik van speed en cannabis gedurende wat langere tijd de kans op (psychotische) ontregeling ook groot. Binnen deze ontregeling kan verdachte vervolgens tot gewelddadig gedrag komen. Dit maakt dat de psychiater het risico op toekomstig ernstig gewelddadig gedrag, zoals in het tenlastegelegde, door verdachte dan ook op de korte termijn inschat als laag-matig en op de langere termijn als hoog.

Om het risico op recidive te verminderen is het allereerst van belang dat verdachte binnen een forensisch kader intensieve langer durende klinische behandeling krijgt voor zijn verslaving aan amfetamine en cannabis. Ook is het belangrijk dat hij binnen deze behandeling ingesteld wordt op medicatie voor de ADHD (om o.a. impulsiviteit te verminderen) en dat er de tijd genomen wordt voor (psychotherapeutische) behandeling gericht op o.a. het vergroten van zijn copingsvaardigheden (omgaan met en regulatie van emoties) en de neiging tot vermijding. Hierbij is het van belang dat er ook zicht komt op eventuele onderliggende persoonlijkheidsproblematiek. Een forensisch kader (met

verslavingsexpertise) is hierbij nodig om goed zicht te houden op risicoanalyse met recidivepreventie.

Overwogen is om deze behandeling op te leggen binnen bijzondere voorwaarden bij een (voorwaardelijk) strafdeel. Echter, bij verdachte is sprake van een ernstige verslaving met daarbij ook ADHD en kwetsbare persoonlijkheidstrekken. Tevens is het verdachte in de loop van zijn leven al meerdere malen binnen ‘probation’ en behandelsettingen niet gelukt om gedurende langere tijd mee te werken en clean te blijven. Dit maakt de kans groot dat verdachte zich niet aan de voorwaarden zal kunnen (blijven) houden, waardoor hij uiteindelijk onbehandeld zou blijven. Ook is de inschatting dat er een langer durend kader nodig is, omdat, naast de klinische behandeling er ook de tijd genomen moet worden voor een stapsgewijze resocialisatie. Een zorgmachtiging wordt vanwege de korte duur, het ontbreken van een forensisch kader en de beperkte mogelijkheden om in te zetten bij verslavingsproblematiek onvoldoende geacht om het risico op recidive te beperken. Om het risico op recidive voldoende te verlagen is het advies dan ook om een tbs-maatregel op te leggen. Verdachte is op dit moment bereid mee te werken aan klinische behandeling voor zijn (verslavings)problematiek en een tbs-maatregel met voorwaarden lijkt naar de inschatting van de psychiater dan ook een passend kader om een langdurige en intensieve behandeling, inclusief resocialisatie, te kunnen laten plaats vinden.

De reclassering heeft naar aanleiding van de Pro Justitia-rapportages gerapporteerd over de uitvoerbaarheid van de geadviseerde maatregel. Uit het rapport van GGZ Verslavingsreclassering Nederland van 29 juni 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] , blijkt dat de reclassering positief adviseert over tbs met voorwaarden. Hoewel er contra-indicaties te noemen zijn voor een behandeltraject binnen een tbs met voorwaarden (zoals eerdere therapie-ontrouw, geringe intrinsieke behandelmotivatie en een tot nu toe beperkte behandelrespons), is de reclassering van mening dat er binnen een tbs met voorwaarden voldoende mogelijkheden zijn om het risicomanagement vorm te geven en in te grijpen indien nodig, zoals bij terugval in gebruik. De reclassering heeft bijzondere voorwaarden opgesteld, waarvan verdachte heeft gezegd zich daaraan te willen houden.

Daarnaast heeft de reclassering geadviseerd om de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de GVM van artikel 38z Sr aan verdachte op te leggen. Middels de GVM kunnen na de beëindiging van de tbs-maatregel gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast worden.

De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van de bewezen geachte feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De bewezen geachte feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoren tot een van de misdrijven omschreven in lid 1 onder 2 van artikel 37a Sr. Voorts vereist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, de oplegging van deze maatregel.

De rechtbank ziet, gelet op de adviezen van de deskundigen, onvoldoende aanknopingspunten voor het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat tbs met voorwaarden passend en geboden is en zal zij die opleggen. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met voorwaarden. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten en het gevaar voor herhaling. Ook de verdachte heeft aangegeven de noodzaak van behandeling in te zien en zich ook ter zitting bereid verklaard om zich te houden aan alle door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Straf

Naast voornoemde maatregel veroordeelt de rechtbank verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest. De gevangenisstraf is daarmee korter dan het al ondergane voorarrest. De rechtbank wijkt hierbij af van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Dit komt allereerst doordat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. Daarnaast weegt de rechtbank in sterkere mate mee dat de feiten in sterk verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend en de verwachting is dat verdachte ook met een tbs met voorwaarden een intensieve en langdurige behandelperiode tegemoet gaat.

Ongemaximeerde tbs in geval van omzetting

De rechtbank overweegt dat de tbs-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging tot zware mishandeling, gijzeling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling. De maatregel kan daarom bij omzetting naar tbs met dwangverpleging langer duren dan vier jaar.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Er moet rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, indien hij niet behandeld wordt. De rechtbank zal om die reden de maatregel van tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren op grond van artikel 38 lid 6 Sr.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr)

Gelet op de op te leggen tbs-maatregel met voorwaarden acht de rechtbank het – anders dan de officier van justitie en de reclassering – niet opportuun om aan verdachte aansluitend een GVM als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. De verwachting dat daartoe te zijner tijd nog een noodzaak aanwezig zal zijn, is niet concreet geworden.

Voorlopige hechtenis

Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk zal zijn, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek (of een plek voor overbruggingszorg). Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als die aan de tbs-maatregel worden verbonden.

Die schorsing houdt verband met de tevens op te leggen dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden. Zou verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.5.

7 Vorderingen tot schadevergoeding

7.1.

De vorderingen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een

vordering tot schadevergoeding:

  1. [benadeelde partij 1] vordert na vermeerdering van de vordering ter terechtzitting € 2,64 aan vergoeding van materiële schade en € 3350,- (waarvan € 3000,- dient als ophoging in het geval van hoger beroep nu nog geen sprake is van een eindsituatie) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  2. [benadeelde partij 2] vordert € 3000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  3. [benadeelde partij 3] vordert € 1541,30 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  4. [benadeelde partij 4] vordert € 75,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 8] gerekwireerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Daarnaast heeft hij verzocht tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , met uitzondering van een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade. Voor dat deel verzoekt de officier van justitie de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Tot slot heeft de officier van justitie verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tot een bedrag van € 530,- toe te wijzen, voor zover zijn vordering ziet op de bestickering van het raam. Het overige bedrag ziet op de BTW en kan door het bedrijf worden teruggevraagd. De benadeelde partij dient in het deel van de vordering dat ziet op de gederfde winst niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat dit onvoldoende is onderbouwd.

7.3.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft zich bereid verklaard de schade te vergoeden ten aanzien van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 4] , met uitzondering van de verhoging van € 3000,- van de vordering van [benadeelde partij 1] . De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] af te wijzen voor zover die zien op de BTW. Daarnaast heeft zij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in het deel van de vordering dat ziet op de gederfde winst, nu dit onvoldoende is onderbouwd.

7.4.

Oordeel van de rechtbank

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte materiële en immateriële schade heeft geleden. De vordering is, met uitzondering van de verhoging, niet betwist. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het deel dat ziet op de verhoging. Het overige deel van de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 14 oktober 2025.

De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure

heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het

toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 14 oktober 2025.

De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure

heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het

toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte materiële schade heeft geleden. De gevorderde materiële schade wat betreft de bestickering acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 530,-, vermeerderd met de rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 8 september 2025. Het overige gedeelte betreft BTW. In de situatie dat een onderneming schade heeft geleden vanwege een strafbaar feit en er in verband met de schade (herstel)kosten zijn gemaakt, zal de vordering in beginsel exclusief BTW moeten worden toegewezen, omdat de onderneming de betaalde BTW in voornoemde situatie kan terugvragen. De rechtbank wijst de vordering voor dit gedeelte, betreffende de BTW ter hoogte van € 113,30 af.

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van het deel dat ziet op de gederfde winst niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is op dat punt door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering nog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure

heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het

toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 22 september 2025.

De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure

heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het

toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil.

7.5.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] wordt als extra waarborg voor betaling aan hen de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 38, 38a, 45, 55, 56, 57, 282a, 285, 300, 302, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 1 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 subsidiair, 2, 3, en 4, zaak B onder 1 en 2 en zaak C tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 en 4:

De voortgezette handeling van:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

en

poging tot zware mishandeling; terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

De eendaadse samenloop van:

poging tot zware mishandeling; terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

en

gijzeling;

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van zaak B feit 1, feit 2 en zaak C

telkens: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat veroordeelde ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

1) Geen strafbaar feit plegen

Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

2) Meewerken aan reclasseringstoezicht

Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

a. Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.

b. Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen.

c. Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan

aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden.

d. Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.

e. Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.

f. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.

g. Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

h. Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.

3) Meewerken aan time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

4) Niet naar het buitenland

Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

5) Opneming in een zorginstelling

Veroordeelde laat zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de problematiek zoals door de gedragsdeskundigen en/of behandelaar nodig wordt bevonden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

6) Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, behandelen door een nader te bepalen forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De ambulante behandeling start aansluitend op de klinische behandeling, welke is gericht op de problematiek zoals door de zorgverlener wordt vastgesteld. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

7) Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een forensische instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, indien nodig geacht, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

8) Verbod verdovende middelen

Veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst TI (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

9) Alcoholverbod

Veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

10) Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Geeft opdracht aan de reclassering de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de op grond van artikel 38 lid 1 Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 38 lid 2 Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorlopige hechtenis

Beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van de veroordeelde met ingang van de dag waarop hij zich heeft laten opnemen in een klinisch forensische kliniek, dan wel een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in de kliniek, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Aan de schorsing worden de voorwaarden verbonden, zoals deze onder 1 tot en met 10 zijn vermeld bij de voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Vorderingen tot schadevergoeding

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 350,- (driehonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade en € 2,64 (twee euro en vierenzestig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 14 oktober 2025 tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 352,64 (driehonderdtweeënvijftig euro en vierenzestig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 14 oktober 2025 tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve

van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 3000,-

(drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 14 oktober 2025 tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 3000,-(drieduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 14 oktober 2025 tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve

van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van € 530,- (vijfhonderddertig euro) aan vergoeding van materiële schade (volledig bestaande uit vergoeding van de bestickering van het raam), te vermeerderen met de wettelijke

rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 8 september 2025 tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd.

Wijst het meer of anders verzochte ten aanzien van de bestickering van het raam af.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 530,- (vijfhonderddertig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente

daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 8 september 2025 tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve

van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe tot een bedrag van € 75,-

(vijfenzeventig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 september 2025 tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de Staat € 75,-(vijfenzeventig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 22 september 2025 tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve

van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.F. Bögemann, voorzitter,

mrs. S.F. van Merwijk en M.E. Kleinherenbrink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 augustus 2026.

[… ]

1 [… ] [… ]

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »