RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/790046 / KG ZA 26-555 MK/EV
Vonnis in kort geding van 24 augustus 2026
in de zaak van
CAFECITO FRANCHISE B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij bij dagvaarding van 23 juli 2026,
hierna te noemen: Cafecito,
advocaat: mr. L.M.F. Relouw,
tegen
[gedaagde]
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaten: mr. J.S. ’t Hart en mr. A.C. Van Engel.
1 De procedure
Op de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026 zijn namens Cafecito verschenen [naam 1] ([functie 1]), [naam 2] ([functie 2]) met mr. Relouw. [gedaagde], mede handelend onder de naam [gedaagde], is verschenen met mr. ’t Hart en mr. Van Engel. Cafecito heeft haar vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht aan de hand van een pleitnota. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een pleitnota. Beide partijen hebben producties ingediend en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Vonnis is bepaald op vandaag.
2 De feiten
Cafecito exploiteert winkels op het gebied van koffie en daaraan gerelateerde producten. Er bestaan acht Cafecito vestigingen, waarvan er zes franchisevestigingen zijn.
[gedaagde] exploiteert een Cafecito-vestiging aan [adres]. Daartoe hebben partijen op 1 februari 2022 een franchiseovereenkomst (hierna: de Overeenkomst) gesloten.
Op grond van artikel 11.3 van de Overeenkomst is de franchisenemer verplicht uitsluitend producten af te nemen bij Cafecito, dan wel bij de door haar aangewezen leveranciers.
In artikel 18 van de Overeenkomst hebben partijen vastgelegd dat [gedaagde] een franchisevergoeding (hierna ook: franchisefee) van 6% is verschuldigd over de door hem gerealiseerde omzet en een marketingbijdrage (hierna ook: marketingfee) van 3% over zijn jaaromzet aan marketingactiviteiten die Cafecito uitvoert.
Per 1 januari 2025 hebben partijen een korting toegepast op de franchisefee van 4,5%. Dit betekent dat 1,5% over de gerealiseerde omzet in rekening wordt gebracht in plaats van 6%.
Sinds november 2025 betaalt [gedaagde] de overeengekomen vergoedingen niet meer (volledig). [gedaagde] is per e-mail van 1 december 2025 en 23 januari 2026 door Cafecito gesommeerd om volledige betaling te hervatten. Bij brieven van 22 mei en 16 juni 2026 heeft zij [gedaagde] gesommeerd om tot betaling van de openstaande bedragen over te gaan. [gedaagde] heeft daar niet aan voldaan.
3 Het geschil
Cafecito vordert – kort gezegd – om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. [gedaagde] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan Cafecito een bedrag van € 60.747,72 te betalen, vermeerderd met primair de contractuele rente en subsidiair de wettelijke handelsrente;
II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten aan Cafecito ten bedrage van € 1.382,47, vermeerderd met de wettelijke rente;
III. [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de Overeenkomst, meer specifiek artikel 11.3, binnen één dag na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Cafecito legt aan haar vorderingen (kort gezegd) het volgende ten grondslag.
franchisefee
Partijen hebben aanvullende afspraken gemaakt bij de Overeenkomst, onder meer over de hoogte van de franchisefee, die zijn vastgelegd in een allonge. Hoewel de allonge niet door [gedaagde] is ondertekend, hebben partijen hier over en weer wel uitvoering aan gegeven. Cafecito verstuurde immers maandelijks facturen voor de volledige franchisefee van 6% met (vanaf 1 januari 2025) creditfacturen waarbij de korting op de franchisefee werd toegepast. Op deze creditfacturen wordt ook verwezen naar de allonge. [gedaagde] betaalde de facturen onder aftrek van de creditfacturen. Zelfs als de allonge partijen niet bindt, geldt de Overeenkomst en komt aan [gedaagde] dus geen korting toe. Op grond van de in de allonge opgenomen terugvorderingsbepaling geldt de korting op de franchisefee voorwaardelijk: de lagere fee van 1,5% komt (met terugwerkende kracht) te vervallen als [gedaagde] in strijd handelt met bepalingen in de Allonge en/of de Overeenkomst. Dat heeft hij gedaan: hij weigert zich sinds eind 2025 te conformeren aan geldende afspraken en schort zijn betalingsverplichtingen op. Cafecito maakt daarom, conform de bepalingen van de allonge, (met terugwerkende kracht) aanspraak op betaling van de volledige franchisefee voor een totaalbedrag van € 35.566,20.
marketingfee
Cafecito heeft de op haar rustende informatieverplichting ten aanzien van haar marketinguitgaven niet geschonden. [gedaagde] mag haar betaling van de marketingfee dus niet (langer) opschorten, terwijl zij dat sinds november 2025 wel doet. Cafecito heeft op 22 mei 2026 een aanvullende marketingonderbouwing over 2024 en een uitgebreide toelichting over 2025 verstrekt. Verder heeft Cafecito op 16 juni 2026 gereageerd op de brief van [gedaagde] waarin openstaande vragen zijn beantwoord. Desondanks weigert [gedaagde] de achterstallige facturen te voldoen.
vreemde inkoop artikel 11.3
Tot slot houdt [gedaagde] zich, ondanks herhaalde sommaties, niet aan de verplichting om producten uitsluitend in te kopen bij de aangewezen leverancier. Cafecito heeft [gedaagde] geen toestemming gegeven voor vreemde inkoop en zij betwist dat zij haar leveringsverplichting niet (tijdig) zou nakomen. Zelfs als een product gedurende een korte periode niet direct leverbaar is geweest, rechtvaardigt dat niet dat producten tegen de gemaakte afspraken in door [gedaagde] elders worden ingekocht.
[gedaagde] voert (kort gezegd) het volgende verweer.
franchisefee
[gedaagde] voert aan dat hij nooit heeft ingestemd met de allonge en de daarin opgenomen terugvorderingsbepaling. De vorige [functie 3] van Cafecito, [naam 3], heeft hem de korting van 4,5% toegezegd. [naam 3] heeft namens Cafecito ook zelf gezegd "het gesprek dat we nooit hebben gehad mbt de korting die je hebt en de voorwaarden die daar aanhangen". De stelling van Cafecito dat de 6% franchisefee onverminderd geldt als de allonge niet bindend zou zijn faalt eveneens: als de allonge [gedaagde] niet bindt, kan de door Cafecito toegepaste verlaging niet worden omgezet in een terugvorderingsmechanisme. [gedaagde] heeft de franchisefee van 1,5% overigens steeds volledig betaald; hij schort uitsluitend een deel van de marketingfee op.
marketingfee
Ten aanzien van de marketingfee voert [gedaagde] het volgende aan. Cafecito schendt structureel de verplichting om jaarlijks voldoende inzichtelijke verantwoording te geven over de besteding van de marketingfee ex artikel 7:916 lid 2 BW. De verantwoording over 2025 kwam te laat en over 2024 is de verantwoording inhoudelijk ontoereikend. Er wordt volstaan met globale impressies (zonder identificeerbare opdrachtnemers) en interne personeelskosten voor operationeel personeel worden als marketingfondsuitgaven geboekt. Volgens een onafhankelijk financieel expert vormt de gegeven informatie geen sluitende en controleerbare financiële verantwoording. [gedaagde] schort overigens slechts 0,5% van de overeengekomen 3% op. Hij is bereid het opgeschorte deel te voldoen zodra hij volledige, inzichtelijke en verifieerbare openheid heeft gekregen over de daadwerkelijk gemaakte marketingkosten.
vreemde inkoop artikel 11.3
De vordering met dwangsom, gericht op het exclusief inkopen bij Cafecito, is volgens [gedaagde] evenmin toewijsbaar. Hij handelde met toestemming, vanwege structurele leveringsproblemen en binnen een door Cafecito geaccepteerde collectieve praktijk, terwijl Cafecito in haar eigen correspondentie erkent dat er geen algemene inkoopplicht bestaat. Wanneer de groothandel van Cafecito haar eigen leveringsverplichting structureel niet nakomt, kan Cafecito haar franchisenemers niet houden aan een exclusieve inkoopverplichting.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
geldvordering € 60.747,72
De eerste vordering van Cafecito strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing daarvan is in kort geding slechts plaats als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is.
Cafecito heeft gesteld dat [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van artikel 18 van de Overeenkomst en vordert betaling van de opgeschorte betalingen, een totaalbedrag van € 60.747,72. Daarbij wordt opgemerkt dat er een onderscheid bestaat tussen de franchisefee van – oorspronkelijk – 6% en de marketingfee van – oorspronkelijk – 3%.
franchisefee
Cafecito stelt dat de korting op de franchisefee en de creditnota’s die in dat verband zijn gestuurd een gevolg zijn van de overeengekomen allonge. Omdat [gedaagde] inmiddels tekortschiet onder de Overeenkomst is [gedaagde] gehouden alsnog 4,5% te betalen overeenkomstig de allonge, aldus Cafecito. [gedaagde] betwist dat de allonge (in het bijzonder de voorwaarde dat bij enig tekortschieten de korting met terugwerkende kracht vervalt) is overeengekomen en heeft aangevoerd dat de korting van 4,5% het gevolg is van een afspraak die de vertrekkende [functie 3] van Cafecito ([naam 3]) heeft gemaakt. [gedaagde] heeft dit standpunt onderbouwd met een verklaring van [naam 3], die zegt dat hij een structureel verlaagde fee tot 1,5% voor [gedaagde] als voorwaarde heeft gesteld om zijn handtekening onder de aandelenoverdracht te zetten bij zijn vertrek. Volgens [naam 3] is de korting afgesproken als correctie op het tekortschieten van de Cafecito in de ondersteuning van de vestiging van [gedaagde] in [plaats]. Verder staat vast dat partijen negen maanden lang uitvoering hebben gegeven aan de korting doordat Cafecito creditnota’s aan [gedaagde] heeft gestuurd waarin de korting is verwerkt. Op de creditnota’s wordt “allonge” genoemd, zonder verdere details. Bij deze stand van zaken is het voorshands onvoldoende aannemelijk dat de allonge zoals Cafecito die ziet tussen partijen geldt en dus dat [gedaagde] gehouden is de 4,5% alsnog moet betalen. Voor toewijzing in kort geding moet de verschuldigdheid van de geldvordering immers klip en klaar zijn en dat is het niet. Dat betekent dat de geldvordering van Cafecito voor zover deze bestaat uit de franchisefee wordt afgewezen.
marketingfee
Ten aanzien van de marketingfee heeft [gedaagde] aangevoerd dat Cafecito haar informatieverplichting uit artikel 7:916 lid 2 BW structureel schendt. Die bepaling verplicht de franchisegever om de franchisenemer jaarlijks te informeren over in hoeverre de financiële bijdragen van de franchisenemer de beoogde kosten of investeringen hebben gedekt. Dat heeft Cafecito volgens [gedaagde] onvoldoende gedaan. [gedaagde] betwist niet dat hij gewoonlijk de volledige bijdrage van 3% moet betalen, maar hij schort sinds november 2025 de betaling van 0,5% van de marketingfee op. Artikel 6:52 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) biedt een schuldenaar een opschortingsbevoegdheid tot voldoening van zijn vordering, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat.
Tussen partijen is niet in geschil dat Cafecito op 22 mei 2026 en 16 juni 2026 aanvullende informatie heeft verschaft ten aanzien van haar marketinguitgaven. Voor zover de gegeven verantwoording voor [gedaagde] ook nadien nog onvoldoende was om duidelijkheid en vertrouwen te verkrijgen, had het op zijn weg gelegen om dit aan Cafecito kenbaar te maken en nadere vragen te stellen. Dat heeft [gedaagde] onvoldoende gedaan. De voorzieningenrechter heeft hem tijdens de mondelinge behandeling gevraagd wat hij na ontvangst van de brief van Cafecito van 16 juni 2026, waarin antwoorden zijn gegeven op zijn vragen, nog heeft gedaan, maar daar kwam geen helder antwoord op. Hij heeft daartoe ook geen stukken overgelegd. Dat betekent dat [gedaagde] vanaf 16 juni 2026 niet (langer) gerechtigd is om de betaling van de marketingfee op te schorten. Het deel van de vordering van Cafecito dat ziet op de opgeschorte 0,5% die sinds 16 juni 2026 onbetaald is gebleven, wordt toegewezen. Het is aan partijen zelf om vast te stellen om welk bedrag dat precies gaat nu dat niet eenvoudig uit de opstelling van Cafecito is te herleiden.
Ten aanzien van de gevorderde rente geldt het volgende. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit dat [gedaagde] haar betaling van een deel van de marketingfee terecht heeft opgeschort tot 16 juni 2026. Dat betekent dat [gedaagde] tot die tijd niet te laat heeft betaald en over die periode dus ook geen rente is verschuldigd. Voor de betalingen over de maanden daarna is [gedaagde] in verzuim. Derhalve wordt de contractuele rente van 1% toegewezen vanaf 1 juli 2026.
buitengerechtelijke incassokosten
Cafecito vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze zijn gevorderd op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De voorzieningenrechter stelt vast dat Cafecito voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Nu er geen concrete hoofdsom wordt toegewezen kunnen de kosten niet met het Besluit worden berekend. Forfaitair zal € 300 worden toegewezen.
vreemde inkoop artikel 11.3
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] producten bij anderen heeft ingekocht, althans buiten de Cafecito Groothandel om. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij daar toestemming voor heeft verkregen van Cafecito. Zelfs als dat waar is – wat door Cafecito wordt betwist – is [gedaagde] meermaals, in ieder geval bij brieven van 6 november en 10 december 2025, erop gewezen dat Cafecito dat niet toestaat. Daarmee zou voor [gedaagde], ook als zou blijken dat toestemming in het verleden is gegeven, duidelijk moeten zijn dat de toestemming van Cafecito niet (langer) geldt. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij belang heeft bij een goede voorraad van zijn benodigdheden om de winkel draaiende te kunnen houden. Zolang de levering door Cafecito hapert, zegt [gedaagde] recht te hebben op andere manieren van inkoop. Het uitgangspunt is, zoals Cafecito terecht stelt, dat partijen zijn overeengekomen (artikel 11.3 van de Overeenkomst) dat [gedaagde] dat niet mag doen. Als zich een specifieke situatie voordoet waarbij Cafecito producten of de juiste kwaliteit daarvan niet levert, is dat vervelend, maar is het aan [gedaagde] om dat aan Cafecito concreet en spoedig duidelijk te maken. De vordering die ziet op nakoming van de Overeenkomst, meer specifiek artikel 11.3, wordt derhalve toegewezen. Aan die veroordeling zal geen dwangsom worden verbonden om nodeloze executiegeschillen te voorkomen.
proceskosten
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de opgeschorte 0,5% marketingfee,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de contractuele rente van 1% over het te betalen bedrag onder 5.1. vanaf 1 juli 2026,
veroordeelt [gedaagde] om aan Cafecito te betalen een bedrag van € 300 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW met ingang van 14 dagen na aanschrijving,
veroordeelt [gedaagde] tot nakoming van de Overeenkomst, meer specifiek artikel 11.3 van de Overeenkomst,
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.P.M. Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026.1