ECLI:NL:RBAMS:2026:9607

Datum uitspraak
24-09-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
09/244973-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op twee momenten schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Daarnaast heeft verdachte, gedurende het opsporingsonderzoek naar de verdenking tegen hem vanwege verkrachting, een getuige beïnvloed door hem instructies te geven voorafgaand aan een politieverhoor. Juist vanwege zijn kennis als rechtenstudent en juridisch medewerker van een rechtbank had hij beter moeten weten. De rechtbank legt aan verdachte een taakstraf van 180 uur met aftrek op.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 09/244973-25

Datum uitspraak: 24 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Briejer, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D. van Eijsden, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij] , en van wat zij en haar advocaat, mr. J. Klein Molekamp, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd en na wijziging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

feit 1: gekwalificeerde opzetverkrachting van [benadeelde partij] op 14 juli 2025 te Fuerteventura, Spanje;

feit 2: bedreiging van [benadeelde partij] op 14 juli 2025 te Fuerteventura, Spanje;

feit 3: mishandeling van [benadeelde partij] op 14 juli 2025 te Fuerteventura, Spanje;

feit 4: mishandeling van [benadeelde partij] op 4 juli 2025 te [plaats 1] ;

feit 5: het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van [getuige 1] om naar waarheid/geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen in de periode van 1 december 2025 tot en met 8 december 2025 te Wassenaar en/of Leiden.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

Op 15 juli 2025 verschijnt aangeefster op het politiebureau in Nederland voor een informatief gesprek zeden. Daarin verklaart zij dat zij de dag ervoor op vakantie op Fuerteventura tegen haar wil onder dwang seks heeft gehad met verdachte, hij is haar ex-vriend. Ook verklaart zij dat hij haar heeft mishandeld door onder andere haar hoofd in de wc-pot te duwen en haar op verschillende plekken op haar lichaam te slaan en te schoppen. Verder zou hij haar hebben bedreigd. Op 23 juli 2025 doet zij aangifte van deze feiten. Tijdens haar aangifte verklaart zij dat zij ook al eerder, namelijk eind juni 2025, bij haar thuis in [plaats 1] door verdachte is mishandeld.

Gedurende het opsporingsonderzoek naar deze feiten, ontstaat de verdenking dat door of namens verdachte een aangepaste getuigenverklaring van getuige [getuige 1] is verstrekt aan de politie. Op vordering van de officier van justitie wordt daarom door de rechter-commissaris een machtiging afgegeven om de telefoongesprekken te tappen die binnenkomen op het telefoonnummer van deze getuige. Naar aanleiding van die tapgesprekken is ook de verdenking ontstaan dat verdachte deze getuige zou hebben beïnvloed voorafgaand aan zijn verhoor bij de politie.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte zich aan deze feiten heeft schuldig gemaakt.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft de volgende verweren aangevoerd.

Ten aanzien van de feiten die zouden zijn gepleegd op Fuerteventura, dient terughoudend te worden omgegaan met de verklaringen van aangeefster omdat de verbalisanten tijdens haar verhoor veel suggestieve en sturende vragen zouden hebben gesteld. Om die reden dienen zwaardere eisen te worden gesteld aan het steunbewijs. Dat steunbewijs is er voor de feiten 1, 2 en 3 niet. Dat bij aangeefster emoties zijn waargenomen, is onvoldoende steunbewijs, omdat daarvoor ook een andere oorzaak mogelijk is, namelijk haar beschuldiging dat hij zou zijn vreemdgegaan.

Ten aanzien van feit 1 is het zo dat de tenlastegelegde handelingen geen dwang of geweld kunnen opleveren. Er is geen onderzoek op activiteitenniveau gedaan naar de verkleuringen op de hals van aangeefster en dus is het onduidelijk hoe die daar zijn gekomen.

De uiting ‘Ik hoop dat je aan de kankerdood sterft’ ten laste gelegd onder feit 2, is geen strafbare bedreiging. Voor de uiting ‘Het is een godswonder dat jij nog leeft. Want ik had je eigenlijk mee willen nemen naar het strand, naar de zee en je daar willen verdrinken’ geldt dat er onvoldoende steunbewijs is dat die uiting door verdachte is gedaan.

Ten aanzien van feit 3 is er geen forensisch steunbewijs voor het stompen op de romp en het trappen tegen de schenen. Verder is er bij het vastpakken van haar bovenarm geen sprake van opzet op het toebrengen van letsel, omdat verdachte haar het appartement uit wilde begeleiden.

Naast de verklaring van aangeefster is er geen bewijs voor feit 4. Verder blijkt uit haar verklaring niet duidelijk wanneer dit feit zou zijn gepleegd. Dat verdachte ‘ok, maar jij doet dat mentaal’ heeft gezegd, kan niet worden gezien als een ondubbelzinnige bekentenis voor een mishandeling. Bovendien kan het schelden dat te horen is op de opnames van de videodeurbel niet gelden als steunbewijs.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat er sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De rechter-commissaris heeft niet in redelijkheid kunnen komen tot de beslissing om een machtiging af te geven voor het tappen van het belverkeer van [getuige 1] . De informatie die in de aanvraag voor de machtiging is gegeven, is geen correcte weergave van het dossier. Verder is geen sprake van een voor de rechtsorde schokkend misdrijf, waardoor de wettelijke grondslag voor de machtiging ontbreekt. Ook was het opnemen van de telecommunicatie disproportioneel. Dit vormverzuim dient te leiden tot uitsluiting van de tapgesprekken van het bewijs.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte [getuige 1] niet wilde beïnvloeden, maar dat hij hem slechts tips wilde geven hoe hij met de politie om moest gaan bij het verhoor in het licht van zijn ervaring als griffier bij de rechtbank [plaats 2] .

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 om te beginnen uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals die blijken uit het dossier en waar zowel verdachte als aangeefster hetzelfde over hebben verklaard.

Verdachte en aangeefster hadden in juli 2025 al enige tijd een relatie. Op 4 juli 2025 was aangeefster thuis in [plaats 1] . Zij en verdachte hadden die dag ruzie. Een deel van deze ruzie is vastgelegd op opnames van de videodeurbel.

Op 14 juli 2025 waren verdachte en aangeefster samen op vakantie op Fuerteventura. Nadat zij die avond samen uit waren geweest, kwamen zij terug in hun appartement. Zij hadden allebei gedronken. Verdachte is gaan slapen. Aangeefster is vanwege eerdere ruzies over ontrouw gaan zoeken in de telefoon van verdachte en vond een bericht over een vriendin van de moeder van verdachte waarover zij boos werd. Zij gooide zijn telefoon tegen hem aan en sloeg hem in zijn gezicht. Verdachte en aangeefster kregen ruzie. Tijdens deze ruzie kwam aangeefster tegen een lamp aan, waardoor deze uiteen spatte en haar hand begon te bloeden. Verdachte en aangeefster zijn samen naar de badkamer gegaan waar ze haar hand hebben gespoeld. Nadat zij de badkamer uitkwamen, zette de ruzie zich voort. Op enig moment is aangeefster het balkon op gegaan en zei ze dat ze zelfmoord wilde plegen. Daarna zijn ze weer het appartement ingegaan en zijn ze in bed gaan liggen, waar zij in bed vrijwillige seks hebben gehad. Daarna hebben zij weer ruzie gekregen. Tijdens deze ruzie vonden er telefoongesprekken plaats met de vader en een vriendin van aangeefster en met getuige [getuige 1] , een vriend van verdachte. Verdachte heeft aangeefster toen het appartement uitgezet, waarna zij direct naar Nederland is vertrokken.

Over wat zich precies bij aangeefster thuis in [plaats 1] en in het appartement op Fuerteventura heeft afgespeeld, lopen de verklaringen van verdachte en aangeefster buiten de hierboven beschreven punten uiteen.

3.4.2.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster

In zedenzaken gaat het vaak om (beweerde) seksuele handelingen waarbij alleen het vermeende slachtoffer en de vermeende dader aanwezig waren. In deze zaak geldt dat ook voor de tenlastegelegde mishandelingen en bedreiging. Aangeefster zegt dat verdachte het gedaan heeft en verdachte zegt dat hij het niet gedaan heeft. Bij de beoordeling komt het aan op een zorgvuldige waardering en afweging van verklaringen die elkaar tegenspreken.

De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster zoals zij die heeft afgelegd bij het informatief gesprek zeden en bij de aangifte en de aanvulling daarop betrouwbaar, omdat deze in de kern met elkaar overeenkomen en zij innerlijk en ten opzichte van elkaar consistent en gedetailleerd zijn. Rechtspsycholoog [rechtspsycholoog] heeft op 24 juni 2026 in opdracht van de verdediging een rapport over de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster opgemaakt. Daarin worden kanttekeningen geplaatst bij de vraagstelling van de politie, maar het rapport werpt naar het oordeel van de rechtbank geen ander licht op de betrouwbaarheid van aangeefster. Dit betekent dat de rechtbank de verklaringen van aangeefster bruikbaar acht voor het bewijs.

De rechtbank mag niet op basis van de verklaring van één getuige oordelen dat bewezen is dat de verdachte de feiten heeft begaan, als de door die getuige geuite beschuldigingen op zichzelf staan. Naast de aangifte is dus ander bewijs (steunbewijs) nodig. Deze regel is er om ervoor te zorgen dat er een deugdelijke bewijsbeslissing wordt genomen. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Als dat steunbewijs er is, dan moet worden beoordeeld of het geheel van het bewijsmateriaal de rechtbank ervan overtuigt dat de verdachte gedaan heeft waarvan hij beschuldigd wordt.

De rechtbank zal hierna per feit ingaan op de vraag of er naast de verklaringen van aangeefster voldoende steunbewijs is voor de tenlastegelegde feiten.

3.4.3.

Vrijspraak van gekwalificeerde opzetverkrachting (feit 1)

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster in de nacht van 14 juli 2025 heeft verkracht, omdat het ondersteunend bewijs in het dossier van onvoldoende gewicht is om dat met de vereiste mate van zekerheid vast te kunnen stellen.

Steunbewijs kan bestaan uit een waarneming van een getuige van de emotie(s) bij het slachtoffer kort na het strafbare feit. Een dergelijke getuigenverklaring kan steunbewijs opleveren als de emotionele toestand die de getuige bij het slachtoffer heeft waargenomen, niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaring van het slachtoffer. In dit geval is door verschillende getuigen gezien en gehoord dat aangeefster overstuur was. Zo heeft getuige [getuige 2] , de vader van aangeefster, verklaard dat hij aangeefster tijdens een deel van de ruzie met verdachte in de nacht van 14 juli 2025 aan de telefoon had en dat zij in paniek was. Een vriendin van aangeefster, getuige [getuige 3] , heeft ook op enig moment tijdens de ruzie met aangeefster gebeld. Zij heeft verklaard dat zij hoorde dat aangeefster ‘in een soort stress of shock’ was. De verbalisant die aangeefster op het politiebureau heeft ontvangen, heeft verklaard dat aangeefster aangeslagen bij de balie stond, dat zij moeite had om haar verhaal te doen, dat ze zichtbaar geëmotioneerd was en dat ze steeds moest huilen.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren deze waarnemingen van de emotionele toestand van aangeefster echter onvoldoende steunbewijs op, omdat de waargenomen emoties in dit geval mogelijk ook door andere oorzaken kunnen worden verklaard. Vast staat dat die nacht enorm turbulent is verlopen en dat er een heftige ruzie heeft plaatsgevonden waarbij de emoties aan beide kanten hoog opliepen. Ook staat vast dat aangeefster door verdachte in de vroege ochtend het appartement is uitgezet, waarna zij halsoverkop naar Nederland is teruggereisd. De relatie is toen ook geëindigd. Verder staat vast dat aangeefster verdachte ook van ontrouw beschuldigde en verklaarde dat hij haar die nacht fors heeft mishandeld onder andere door haar hoofd in de wc-pot te duwen. Dit zijn ook redenen die de emotionele toestand van aangeefster tijdens en kort na die nacht zouden kunnen verklaren. Dat maakt dat de bij aangeefster waargenomen emoties niet per definitie een bevestiging zijn van haar verklaring dat zij door verdachte is verkracht. Daarom kunnen deze waarnemingen niet als steunbewijs dienen voor de tenlastegelegde verkrachting (met geweld).

Ook het door de verbalisanten waargenomen letsel bij aangeefster kort na die nacht levert onvoldoende steunbewijs voor de verkrachting op. Aangeefster heeft namelijk verklaard dat zij ook door verdachte is mishandeld. Het waargenomen letsel, bestaande uit verschillende blauwe plekken en wondjes over haar hele lichaam, is daarmee niet onderscheidend voor de tenlastegelegde verkrachting.

Omdat het dossier ook verder geen bewijs bevat dat de verklaringen van aangeefster over de verkrachting ondersteunt, kan de rechtbank op dit punt niet met voldoende zekerheid vaststellen wat er die nacht precies is gebeurd. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de tenlastegelegde verkrachting.

3.4.4.

Vrijspraak van bedreiging (feit 2)

De rechtbank spreekt verdachte ook vrij van de tenlastegelegde bedreiging. Er is sprake van een strafbare bedreiging als de uiting naar haar aard en de concrete omstandigheden de redelijke vrees kon opwekken dat het slachtoffer zou worden gedood of zwaar mishandeld. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ‘Ik hoop dat je aan de kankerdood sterft’ geen strafbare bedreiging is. Over de uiting ‘Het is een godswonder dat jij nog leeft. Want ik had je eigenlijk mee willen nemen naar het strand, naar de zee en je daar willen verdrinken’ heeft aangeefster verklaard dat zij dacht dat verdachte dat niet meer zou doen, omdat hij het in de verleden tijd zei. Nog los van de vraag of er voldoende bewijs is dat verdachte deze uiting heeft gedaan, is geen sprake van een strafbare bedreiging, omdat de uiting bij aangeefster niet de redelijke vrees heeft opgewekt dat verdachte haar zou doden.

3.4.5.

Bewezenverklaring van mishandeling op Fuerteventura (feit 3)

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte aangeefster op 14 juli 2025 heeft mishandeld door haar te slaan, te stompen, te trappen, haar hoofd in de wc-pot te duwen en aan haar enkels uit bed te trekken. De verklaringen van aangeefster, die de rechtbank betrouwbaar acht, worden op dit punt ondersteund door het letsel dat bij haar door verbalisanten is waargenomen op 16 juli 2025, kort na de nacht waarin de ruzie is geweest. Dit letsel past goed bij de geweldshandelingen die door aangeefster zijn beschreven en leveren daarom voldoende steunbewijs op voor dit feit.

Omdat zowel verdachte als aangeefster hebben verklaard dat verdachte haar niet met opzet tegen de lamp heeft geduwd, spreekt de rechtbank verdachte vrij van dit onderdeel van de tenlastelegging.

3.4.6.

Bewezenverklaring van mishandeling in Wassenaar (feit 4)

De rechtbank komt ook tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde mishandeling op 4 juli 2025 in [plaats 1] . De verklaring van aangeefster wordt op dit punt ondersteund door de opnames van de videodeurbel. Nadat aangeefster zei ‘nee, je slaat mij’ zei verdachte ‘ok, maar jij doet dat mentaal’. Verder zei verdachte ‘sorry, als je normaal je excuses had aangeboden, was dit niet gebeurd’. Ook biedt een Whatsapp-gesprek tussen verdachte en aangeefster van 5 juli 2025 ondersteuning voor de aangifte. Verdachte heeft in dit gesprek gezegd ‘ik ben ook geschrokken dat ik op dat moment mezelf niet kon “inhouden”’. Uit deze uitingen tezamen en in samenhang bezien blijkt – in combinatie met de verklaring van aangeefster – naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte aangeefster die dag heeft geslagen.

3.4.7.

Bewezenverklaring van beïnvloeding van getuige [getuige 1] (feit 5)

Geen vormverzuim ex artikel 359aSv

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim ex artikel 359a Sv, omdat de rechter-commissaris in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om een machtiging af te geven om de telefoon van getuige [getuige 1] te tappen.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechter-commissaris heeft, anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, wel beschikt over een correcte weergave van het dossier. Uit de beslissingen van de rechter-commissaris van 19 november 2025 en 4 december 2025 blijkt namelijk dat de officier van justitie ter onderbouwing van de vorderingen een proces-verbaal met kenmerk 2025237303 / JM31 van 13 november 2025 en een proces-verbaal met kenmerk 2025237303 / JM43 van 3 december 2025 heeft overgelegd. Dat de samenvatting van deze informatie in de aanvragen zelf mogelijk op detailniveau onjuist is geweest, doet geen afbreuk aan het feit dat de originele processen-verbaal ter onderbouwing aan de rechter-commissaris zijn verstrekt bij het doen van de vorderingen en de rechter-commissaris zijn beslissing dus daarop heeft gebaseerd.

Artikel 126m Sv bepaalt dat telefoongesprekken mogen worden opgenomen op bevel van de officier van justitie met voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris, als aan de vereisten van het eerste lid is voldaan. Kort gezegd moet sprake zijn van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. De machtiging is afgegeven wegens een verdenking van beïnvloeding van een getuige, als bedoeld in artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit feit wordt bedreigd met een gevangenisstraf van vier jaar. Ten tijde van de inzet van de bevoegdheid bestond tegen verdachte een verdenking van verkrachting. In dat tegen verdachte lopende onderzoek waren er aanwijzingen dat hij had geprobeerd getuige [getuige 1] aan te zetten tot een voor verdachte voordelige verklaring. Dat zou een gevaar zijn voor de waarheidsvinding, een van de pijlers van het strafproces. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, vormen dan ook een ernstige inbreuk op de rechtsorde. De aard en de ernst van de verdenking en de mogelijke gevolgen voor de waarheidsvinding, maakten dat het onderzoek dringend vorderde dat de telecommunicatie van getuige [getuige 1] werd opgenomen. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 126m lid 1 Sv.

Beoordeling

Vast staat dat verdachte de tenlastegelegde uitingen heeft gedaan in verschillende telefoongesprekken die in de periode van 1 tot en met 8 december 2025 zijn gevoerd met [getuige 1] . Ook staat vast dat verdachte wist dat [getuige 1] op 4 december 2025 als getuige zou worden gehoord bij de politie naar aanleiding van de door de verdediging ingediende schriftelijke getuigenverklaring. Deze punten staan niet ter discussie.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door verdachte gedane uitlatingen niet anders worden begrepen dan uitdrukkelijke en gedetailleerde instructies aan [getuige 1] met betrekking tot hoe hij zijn verklaring bij de politie diende af te leggen. Deze instructies zagen op de inhoud van de verklaring van [getuige 1] en kwamen erop neer dat verdachte [getuige 1] telkens maande om geen antwoord te geven op vragen en telkens terug te verwijzen naar de ingediende schriftelijke verklaring, waarvan in ieder geval op 8 december 2025 voor zowel verdachte als [getuige 1] duidelijk was dat die (kennelijk door de vader van verdachte) zonder medeweten van [getuige 1] was aangepast. Daarmee heeft verdachte de vrijheid van [getuige 1] om naar waarheid en geweten te verklaren beïnvloed, zo blijkt ook uit de getuigenverklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris op 24 februari 2026. De rechtbank concludeert daaruit dat [getuige 1] zich in de aanloop naar zijn getuigenverhoor bij de politie op 4 december 2025 niet vrij voelde om te verklaren, door de combinatie van de zonder zijn medeweten aangepaste schriftelijke verklaring en verdachtes aanmaningen om bij het verhoor steeds terug te verwijzen naar die aangepaste verklaring.

Dat verdachte zelf van mening is dat dit geen instructies zijn geweest aan [getuige 1] , doet aan het bovenstaande niet af. De uitingen gaan veel verder dan slechts het ‘doen inzien van de ernst van de situatie’, zoals verdachte heeft verklaard en kunnen niet anders worden begrepen dan als concrete instructies. De rechtbank acht dit feit dan ook bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

feit 3:

op 14 juli 2025 te Fuerteventura [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij]

- meermalen op het hoofd en het lichaam, te stompen en te slaan en

- haar beet te pakken en het hoofd van die [benadeelde partij] in de wc-pot te stoppen en heen en weer te bewegen en

- bij haar enkels vast te pakken en uit het bed te trekken en

- tegen haar schenen te trappen en

- bij haar bovenarmen beet te pakken en aan haar bovenarmen mee te trekken;

feit 4:

op 4 juli 2025 te [plaats 1] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] tegen haar arm te slaan;

feit 5:

op meerdere tijdstippen in de periode van 1 december 2025 tot en met 8 december 2025 te [plaats 1] en Leiden opzettelijk mondeling, zich jegens [getuige 1] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist dat die verklaring zou worden afgelegd, door tegen die [getuige 1] te zeggen:

- “ Jij bent echt een enorme stoorzender want jij hebt een enorme sleutelpositie.” (p.

550) en

- “ Ze gaan natuurlijk proberen jouw verklaring onderuit te halen. En jou moeilijke

vragen te stellen dat je je vast gaat lullen. Het zijn zulke tering lijers die agenten, ik

heb dat zelf twee dagen helemaal moeten doorstaan. Ik denk dat het handigste is als

jij gaat zeggen op alle vragen die zij stellen, ik verwijs naar mijn verklaring, die is

hartstikke uitgebreid. Ik heb daar niets aan toe te voegen en als u vragen heeft dan

verwijs ik u graag naar mijn schriftelijke verklaring.” (p. 550) en

- “ En als ze door blijven vragen met [getuige 1] , ach geef nou maar gewoon antwoord. We

willen jouw visie weten, dat je dan toch maar blijft zeggen, ik wil toch dan nogmaals

benadrukken dat ik bij mijn verklaring blijf en dat u dat uitgebreid kunt teruglezen

in mijn verklaring” (p. 550) en

- “ Dat je eigenlijk de hele tijd zegt eigenlijk geen antwoord geeft op die vragen, maar

telkens zegt meneer agent u kunt dat teruglezen in mijn verklaring” (p. 550) en/of

- “ En dat je ook een beetje speelt, ik snap ook niet dat ik hier moet zijn, want ik heb

al een uitgebreide verklaring afgegeven.” (p. 550) en

- “ Als dat gesprek een half uur duurt, en ze blijven maar doortimmeren, dat je op

een bepaald moment zegt, nou meneer, mevrouw, of heren. Ik vind het een

onprettig gesprek worden. Ik heb nog meer te doen vandaag, ik wens u een prettige

middag. En dat je naar huis gaat.” (p. 550) en

- “ Ze gaan jou proberen helemaal onderuit te halen. En daarom is het van belang

dat jij, omdat je al een briljante verklaring op schrift hebt afgegeven is het van

belang dat je, je hebt het mondeling. De schriftelijke overhoring daar heb je een

dikke negen voor gehaald” (p. 551) en

- “ Alleen nu word je ook nog mondeling overhoord. En dat is het vervelende, omdat

die gasten je dusdanig kunnen manipuleren eigenlijk. En daarom is het van belang

dat je blijft zeggen, nou meneer, ik verwijs u graag door naar mijn schriftelijke

verklaring.” (p. 551) en

- “ En ook niks tekenen. Pas tekenen wanneer je, nee niks tekenen. Je komt daar

gewoon op gesprek, je komt daar gewoon op de koffie, je bent er eigenlijk gewoon

om aan die agenten te vertellen ik ben hier eigenlijk om te benadrukken dat ik

eigenlijk alles al heb gezegd. en dat is te lezen in mijn verklaring. Schriftelijke

verklaring van 28 juli 2025” (p. 551) en

- “ Dan zeg je dat ook direct vooraf bij de kennismaking ik verwacht dat dit gesprek

niet langer dan een uur gaat duren want ik heb om half 12 een afspraak.” (p. 551)

en

- “ Dat je dat gewoon zegt ik heb direct aansluitend een afspraak. Dus ik denk dat we

binnen een uur klaar zijn. En dan gaan zij zeggen oh hoezo . Ja naja omdat ik u

alleen maar heb mede te delen dat hetgeen wat ik wilde zeggen al gezegd heb,

namelijk in mijn schriftelijke verklaring, en daar wil ik u graag nogmaals op wijzen.

Dat die verklaring bestaat en dat ik daar achter sta.” (p. 551) en

- “ Pas op voor die agenten want het zijn manipulatieve engerds. Maar dat zou je

moeder waarschijnlijk ook nog wat zeggen, want die heeft natuurlijk ook bergen

ervaring met die klojo’s. Maar jij bent zo'n geweldige rots, maar dat weet je zelf ook

natuurlijk, maar houd wel in je achterhoofd dat jij een hele belangrijke

sleutelpositie hebt.” (p. 551) en

- “ En je weet het hè. Gewoon kort houden en wat ik gisteravond nog tegen je zei van

gewoon wijzen op de verklaring die je al hebt gegeven en dat je niets er aan toe te

voegen hebt.” (p. 552) en

- “ Dat is het zinnetje dat er voor heeft gezorgd dat ik nu thuis ben en niet in de

gevangenis zit of thuis met een enkelband. Dat zinnetje heeft ervoor gezorgd dat ik

vrij ben. Jij hebt misschien het gevoel dat je belazerd bent, maar het is niet de tijd

om de moraal ridder (..) het wordt heel vies gespeeld. En het is de bedoeling dat er

een beetje (..) het is een weegschaal en de weegschaal is nu in mijn voordeel, in ons

voordeel.” (p.555) en

- “ Als ze daar vragen over stellen van he, we hebben die verklaring op de telefoon

van [verdachte] gevonden dat is niet dezelfde verklaring die je hebt ondertekend. Ja en

daarvan is dan het antwoord "Nee, dat is inderdaad niet dezelfde, want die heb ik

later nog aangepast." (p. 556) en

- “ Ik kan 12 jaar de bak in gaan he, dit is niet even iets kleins piet lulligs.” (p. 556)

en

- “ Maar zeg dan het verhoor af” (p. 556) en

- “ Nee gewoon niks zeggen, "Ik heb gezegd wat ik wil zeggen en ik heb verder geen

commentaar." (p. 556),

of woorden van gelijke aard of strekking.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft op de zitting de gevangenneming van verdachte bij de uitspraak gevorderd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een vrijspraak van de verkrachting komt, maar de andere feiten (deels) bewezen vindt, een gevangenisstraf conform het reeds ondergane voorarrest afdoende is, eventueel in combinatie met een taakstraf. Zij heeft verzocht de vordering gevangenneming af te wijzen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op twee momenten schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige vriendin. De eerste keer heeft hij haar tegen haar arm geslagen, de tweede keer was veel heftiger. Hij heeft haar onder andere geslagen, gestompt en getrapt en haar hoofd in de wc-pot geduwd. Ze heeft daar over haar hele lichaam blauwe plekken door opgelopen. Verdachte is veel groter en sterker dan het slachtoffer. Hij had zich moeten beheersen en nooit fysiek geweld tegen haar mogen gebruiken. Daarnaast heeft verdachte, gedurende het opsporingsonderzoek naar de verdenking tegen hem vanwege verkrachting, een getuige beïnvloed door hem instructies te geven voorafgaand aan een politieverhoor. Juist vanwege zijn kennis als rechtenstudent en juridisch medewerker van een rechtbank had hij beter moeten weten.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 1 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsrapport van 7 september 2026. De beschuldigingen en de mogelijke gevolgen van de strafzaak drukken zwaar op verdachte. Hij heeft baat bij gesprekken met een psycholoog.

Strafoplegging

Tot slot houdt de rechtbank rekening met straffen die in andere zaken voor vergelijkbare feiten worden opgelegd. Alles afwegende, legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 180 uur op met aftrek van het voorarrest. Dat is fors lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht. De vordering tot gevangenneming wordt afgewezen.

8 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 1.466,64 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 604,05 voor ad hoc vliegtickets terug naar Nederland, € 358,60 voor de betaalde kosten van het niet genoten deel van de vakantie en het retourticket van Nederland naar Fuerteventura van € 504,-. Verder vordert zij € 12.500,- aan vergoeding van immateriële schade voor de tenlastegelegde verkrachting, bedreiging en mishandelingen. Beide bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente.

8.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden toegewezen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat [benadeelde partij] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de schadepost van € 604,05 onvoldoende is onderbouwd en dat de schadeposten van € 358,60 en € 504,- geen rechtstreekse schade betreffen. De vergoeding van de immateriële schade moet aanzienlijk worden gematigd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de schadeposten van € 604,05 voor de ad hoc terugvlucht naar Nederland en de kosten voor het niet genoten deel van de vakantie van € 358,60 zijn onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd zijn betwist. Daarom wordt een totaalbedrag van € 962,65 toegewezen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2025.

De schadepost van € 504,- aan kosten die [benadeelde partij] al had gemaakt voor haar oorspronkelijke retourvlucht naar Nederland van Fuerteventura is na betwisting van een rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde onvoldoende onderbouwd. Omdat nadere bewijslevering leidt tot een onevenredige belasting van het strafproces dat dan zou moeten worden aangehouden, wordt Verlinden in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Immateriële schade

Vast staat dat aan [benadeelde partij] door de bewezenverklaarde mishandelingen (feit 3 en feit 4) rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van de tenlastegelegde verkrachting en bedreiging, komt zij tot toewijzing van een lager bedrag dan gevorderd. Voor het bepalen van de hoogte van de schade zoekt de rechtbank aansluiting bij categorie 13 sub c (licht letsel) van de Rotterdamse schaal. In het bijzonder de mishandeling op 14 juli 2025 ging er heftig aan toe – [benadeelde partij] hoofd is in de wc-pot geduwd, ze is geslagen, gestompt en getrapt – en als gevolg daarvan had [benadeelde partij] over haar hele lichaam blauwe plekken. Zij was alleen met verdachte in het buitenland en is na de mishandeling door hem het appartement uitgezet. Gelet op deze omstandigheden begroot de rechtbank de vergoeding voor immateriële schade naar billijkheid op € 1.000,- en wijst dat bedrag toe met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2025. [benadeelde partij] zal in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Als extra waarborg voor betaling legt de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel op.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 285a en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 3, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 3 en feit 4:

telkens: mishandeling;

Ten aanzien van feit 5:

het opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid of geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 962,65 (negenhonderdtweeënzestig euro en vijfenzestig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 juli 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 1.962,65 (negentienhonderdtweeënzestig euro en vijfenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2025, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 17 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af de vordering tot gevangenneming van de officier van justitie van 10 september 2026.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Wildeman, voorzitter,

mr. P. Sloot en mr. C.C.J. Maas-van Es, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 september 2026.

[…]

[…]

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »