ECLI:NL:RBAMS:2026:8278

Datum uitspraak
15-07-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/13/784309 / HA ZA 26-215
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Mondeling vonnis - nakoming betalingsverplichting overeenkomst - geen verrekening mogelijk

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/784309 / HA ZA 26-215

Proces-verbaal van mondelinge behandeling en mondelinge uitspraak, gehouden respectievelijk gedaan op 15 juli 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. Ch.M. van Beuningen,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. R.H. Bouwman.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.

De zaak wordt behandeld door mr. N. Versteeg, rechter, bijgestaan door mr. L.M.F. van Dijck als griffier.

Aanwezig zijn:

- de heer [eiser],

- mr. Van Beuningen, voornoemd,

- de heer [gemachtigde], als gevolmachtigde van [gedaagde],

- mr. Bouwman, voornoemd.

De volgende stukken zijn op de zitting aan het procesdossier toegevoegd:

- de brief van mr. Van Beuningen van 3 juli 2026,

- de spreekaantekeningen van mr. Bouwman.

De rechter is overgegaan tot de mondelinge behandeling. De rechter heeft na een korte schorsing mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dit proces-verbaal opgemaakt.

De rechter doet de volgende uitspraak.

1 De beoordeling

1.1.

[eiser] vordert nakoming van de op 11 oktober 2024 gesloten overeenkomst.

1.2.

Niet is betwist dat deze overeenkomst door [eiser] en [gedaagde] is aangegaan. Ook is niet betwist dat [eiser] zijn kant van deze overeenkomst is nagekomen, namelijk de levering van een deel van de inboedel aan [gedaagde].

1.3.

[gedaagde] is zijn kant van deze overeenkomst niet nagekomen, omdat hij niet op of voor 20 mei 2025 de overeengekomen € 30.000 aan [eiser] heeft betaald.

1.4.

De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] impliciet een beroep op verrekening met een tegenvordering doet. De bevoegdheid tot verrekening volgt in beginsel uit artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze bepaling is van regelend recht. Dit betekent dat partijen hier contractueel van kunnen afwijken. Dat is ook gebeurd. De overeenkomst bepaalt namelijk expliciet dat verrekening niet is toegestaan:

“Dit bedrag zal contant en ineens dienen te worden voldaan aan dhr. [eiser] zonder verrekening of inhouding op of voor 20 mei 2025.”

1.5.

[gedaagde] is daarom vanaf 20 mei 2025 in verzuim en wordt veroordeeld om € 30.000 aan [eiser] te betalen.

1.6.

Na vermindering van eis vordert [eiser] ook de wettelijke rente vanaf 2 juli 2025. In het petitum van de dagvaarding staat 2 juli 2024 vermeld, maar ter zitting heeft de advocaat van [eiser] verduidelijkt dat dit als 2 juli 2025 moet worden gelezen. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 2 juli 2025.

1.7.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht

€

93,00

- salaris gemachtigde

€

1.672,00

(2 punten × € 836,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.954,00

1.8.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2 De beslissing

De rechtbank

2.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 30.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom, met ingang van 2 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,

2.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

2.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N. Versteeg en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »