ECLI:NL:RBAMS:2026:7915

Datum uitspraak
09-07-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
13/188421-20
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling 31-jarige man voor het medeplegen van een gijzeling en de mishandeling van een jongeman op 18 juli 2020. De rechtbank acht de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar. Bewezen kan worden dat verdachte geweldshandelingen heeft verricht en dat verdachte zich ten aanzien van de gijzeling heeft schuldig gemaakt een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten en dat verdachte hieraan een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte en de medeverdachten kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat zij allen het oogmerk hadden om het slachtoffer te gijzelen. Aan verdachte wordt een maximale taakstraf van 240 uur opgelegd met aftrek van voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Afwijking eis van de officier van justitie, toepassing artikel 63 Sr, overschrijding van de redelijke termijn. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/188421-20 (Promis)

Datum uitspraak: 9 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

hierna: verdachte.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.M. Cnossen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Ketting, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van wat mr. T.A.E. Bossen, waarnemend voor mr. R.A. Korver, advocaten in Amsterdam, namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op of omstreeks 18 juli 2020 in Amsterdam en/of Helmond, in elk geval in Nederland, heeft schuldig gemaakt aan:

primair medeplegen van gijzeling, impliciet subsidiair medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde partij] met het oogmerk om de familie van [benadeelde partij] te dwingen een geldbedrag van € 150.000,- en/of € 30.000 te betalen aan verdachte en zijn mededaders

en/of

mishandeling van [benadeelde partij] door [benadeelde partij] in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam te slaan/stompen.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

De rechtbank leest het in de vijfde regel van het ten laste gelegde geldbedrag van “1.500.000” euro als een geldbedrag van “150.000” euro, omdat blijkens de verdere inhoud van de tenlastelegging en het dossier sprake is van een kennelijke verschrijving. De verbetering van deze verschrijving schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. De aangifte is betrouwbaar, omdat deze gedetailleerd is en op veel onderdelen wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte verschillende (gewelds)handelingen heeft verricht en bedreigingen heeft geuit, waarbij er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee medeverdachten, zodat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van gijzeling van [benadeelde partij] . Ook heeft verdachte zich blijkens de bewijsmiddelen schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken het ten laste gelegde. Zij heeft dit als volgt gemotiveerd.

De raadsvrouw gaat ervan uit dat er een ontvoering heeft plaatsgevonden maar dat verdachte daaraan geen essentiële bijdrage heeft geleverd zodat er geen sprake is van medeplegen. Verdachte was de bestuurder van de Golf en heeft geen vrijheidsbenemende handelingen verricht. De kern van de strafbare handelingen vonden plaats in de Audi waar aangever in zat en werden met name verricht door medeverdachten. Ook heeft verdachte niet gehandeld met het oogmerk de familie te dwingen tot betaling, Hij wist niet wat er in die andere auto werd gezegd en niet kan vastgesteld worden dat hij wilde dat de familie tot betaling werd gedwongen.

Ten aanzien van de ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsvrouw primair het standpunt ingenomen dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de verklaringen van aangever onvoldoende betrouwbaar zijn. Subsidiair is door de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat voor zover bewezen kan worden dat verdachte bij de woning van het slachtoffer aan laatstgenoemde “enkele tikken” heeft gegeven, dit gaat om een geweldsincident van beperkte aard en duur, dat op zichzelf niet de ernstige letsels in Helmond verklaart.

Tot slot is door de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat het verhoor van verdachte d.d. 21 juli 2020 ex artikel 359a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Het verhoor heeft plaatsgevonden in afwezigheid van een advocaat, terwijl de verdachte wel om een advocaat verzocht. Verdachte is hierdoor in zijn verdediging geschaad, wat betekent dat zijn recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vraag beantwoorden of bewezen kan worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Hieronder zal de rechtbank eerst de feiten en omstandigheden schetsen waar zij op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vanuit gaat. Daarna zal worden gemotiveerd tot welke juridische conclusies de rechtbank is gekomen, waarbij ook hetgeen de officier van justitie en de raadsvrouw hebben aangevoerd zal worden besproken, voor zover sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

4.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de in bijlage II opgenomen wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte is op 18 juli 2020 op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) samen met medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) in de middag met een Volkswagen Golf naar de woning van [benadeelde partij] (hierna: het slachtoffer) in Amsterdam gereden, in de wetenschap dat het slachtoffer een auto van mededader [medeverdachte 1] had gehuurd die niet was teruggebracht. Verdachte en [medeverdachte 2] hadden dit van [medeverdachte 1] gehoord. [medeverdachte 1] had hen gevraagd om te kijken waar de auto was gebleven. Verdachte heeft rond 13.00 uur ‘s middags, met anderen, bij de deur van de woning van het slachtoffer gestaan. Het slachtoffer is bij zijn arm vastgepakt en gesommeerd mee te lopen naar een auto.

Het slachtoffer is vervolgens door onder meer verdachte naar de aldaar aanwezige auto van het merk Audi gebracht en op de achterbank gezet, waarbij het slachtoffer meermaals is geslagen door verdachte. Hierop volgend zijn de inzittenden van de Audi met het slachtoffer naar een parkeerplaats in Helmond gereden. Verdachte is samen met onder meer [medeverdachte 2] in een Volkswagen Golf achter hen aangereden. Gedurende deze rit naar Helmond is de telefoon van het slachtoffer afgepakt, is het slachtoffer bedreigd door de in de Audi aanwezige personen en zat de deur van de Audi op kinderslot. De telefoon is tijdens een tussenstop op het tankstation aan verdachte gegeven.

Ook is het slachtoffer meermaals met vuisten in het gezicht geslagen door verdachte.

[medeverdachte 1] is ook naar de parkeerplaats in Helmond gekomen, nadat hij die dag om 13:14 uur van [medeverdachte 2] via WhatsApp het bericht had ontvangen dat hij naar Helmond moest komen. Dit bericht hield verder in dat ze gingen praten met de “kleine jongen”, waarbij [medeverdachte 2] via WhatsApp de gps-locatie van de parkeerplaats in Helmond aan [medeverdachte 1] heeft toegestuurd.

Op de parkeerplaats in Helmond is het slachtoffer meegenomen naar de auto van [medeverdachte 1] , een Mercedes B Klasse. Deze Mercedes B Klasse werd door [medeverdachte 1] op slot gedaan. Ook bedreigde [medeverdachte 1] het slachtoffer en sloeg hij het slachtoffer meermalen met vuisten op zijn hoofd.

Toen het slachtoffer vervolgens probeerde te vluchten en in het water sprong is verdachte, samen met onder meer de medeverdachten achter het slachtoffer aangerend. Toen het slachtoffer uit het water kwam, werd hij door [medeverdachte 2] onderuit geschopt en kreeg hij van [medeverdachte 1] klappen tegen het hoofd.

Uiteindelijk is het slachtoffer bij [medeverdachte 1] op de achterbank van de Mercedes B Klasse neergezet en is [medeverdachte 1] met het slachtoffer op de achterbank in de auto, die op kinderslot zat, naar Amsterdam vertrokken. Verdachte is in de Volkswagen Golf met [medeverdachte 2] achter [medeverdachte 1] aangereden naar Amsterdam, alwaar de politie rond 1.00 uur in de nacht van 19 juli 2020 verdachte en de medeverdachten heeft aangehouden en het slachtoffer heeft bevrijd.

Gedurende de gebeurtenis is getuige [getuige 1] via het Snapchataccount van het slachtoffer gebeld. In dit gesprek vertelde een voor hem onbekende man hem dreigend dat losgeld diende te worden geregeld, anders zou het slachtoffer niet meer terugkomen. Ook is gedurende de gebeurtenis met het telefoonnummer van [medeverdachte 1] gebeld naar het telefoonnummer van de vader van het slachtoffer. In het gesprek dat daarop volgde werd door een Duits persoon gezegd dat het geld van de auto of de auto zelf moest worden gegeven. Zo lang dit niet het geval was, hield deze persoon het slachtoffer bij zich.

Het slachtoffer heeft meerdere letsels opgelopen door de gebeurtenissen. De verbalisant heeft deze letsels waargenomen en deze zijn ook beschreven in een rapport van de huisarts.

Tijdens de aanhouding van verdachte is onder hem een telefoon in beslag genomen. Blijkens onderzoek van de politie is op de dag van de gebeurtenis genavigeerd naar de locatie [locatie] in Helmond. Ook is uit onderzoek van de politie gebleken dat op de dag van de gebeurtenis het Snapchat-account [naam Snapchat-account] aan verdachte een bericht heeft gestuurd met: “hopen dat die jood thuis is”.

4.3.2

Beoordeling door de rechtbank

4.3.2.1 Slachtoffer: verklaringen betrouwbaar

De rechtbank oordeelt dat de door het slachtoffer afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn. Deze verklaringen zijn namelijk gedetailleerd, voor het overgrote gedeelte consistent, en worden op meerdere punten ondersteund door de andere bewijsmiddelen in het dossier. Dit betreffen niet alleen getuigenverklaringen maar ook objectieve bewijsmiddelen, zoals onder meer de camerabeelden in het dossier en de bij aangever waargenomen/geconstateerde letsels. Daar waar er verschillen zijn tussen de verklaringen van het slachtoffer , overweegt de rechtbank dat dit niet dermate zwaarwegende inconsistenties zijn dat deze afdoen aan de betrouwbaarheid van de door het slachtoffer afgelegde verklaringen. De rechtbank zal de door aangever afgelegde verklaringen dan ook gebruiken voor bewijs van het ten laste gelegde.

4.3.2.2 Geweldshandelingen door verdachte

Op grond van de verklaringen van het slachtoffer, de getuigenverklaringen, de herkenning van verdachte door het slachtoffer tijdens de fotoconfrontatie en de verklaring van verdachte ter terechtzitting oordeelt de rechtbank dat bewezen kan worden dat verdachte meerdere geweldshandelingen heeft verricht.

Verdachte is blijkens zijn eigen verklaring naar de woning van het slachtoffer gegaan en heeft de bijnaam “ [bijnaam verdachte] ”. Dit komt overeen met de verklaringen van het slachtoffer dat hij bij zijn woning door “ [bijnaam verdachte] ” werd geslagen. Verder wordt de beschrijving van “ [bijnaam verdachte] ” en de (gewelds)handelingen die hij volgens het slachtoffer heeft verricht bij de woning in Amsterdam ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 2] . Daarnaast acht de rechtbank de herkenning van verdachte door het slachtoffer naar aanleiding van de fotoconfrontatie eveneens ondersteunend. De rechtbank twijfelt niet aan deze herkenning van verdachte door het slachtoffer. Het slachtoffer heeft tijdens de gebeurtenis meerdere uren in de aanwezigheid van verdachte doorgebracht en aan het slachtoffer is een foto van verdachte getoond waarop laatstgenoemde dezelfde kleding aan had als tijdens de aanhouding. Ook heeft deze fotoconfrontatie zeer kort na de gebeurtenis plaatsgevonden.

Verdachte is gelet op het voorgaande dan ook degene geweest die met zijn vuist tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen toen hij mee werd genomen vanaf zijn woning in Amsterdam. Ook is verdachte degene geweest die het slachtoffer tijdens de tussenstop bij het tankstation onderweg naar Helmond opnieuw meermaals heeft geslagen, ditmaal met de vuist tegen het gezicht.

4.3.3

Medeplegen

Juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel medeplegen is vereist dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de verdachte met zijn handelen een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet zou hebben bestaan uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Bepalend is of de door betrokkenen geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Aan dit laatste aspect komt volgens de Hoge Raad op zichzelf geen grote betekenis toe, omdat het steeds moet gaan om het leveren van een wezenlijke bijdrage aan het delict. Niet vereist is dat de medeplegers eenzelfde rol vervullen of dezelfde soort gedragingen verrichten bij de uitvoering van het delict of dat de rollen inwisselbaar zijn. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Nauwe en bewuste samenwerking en significante en wezenlijke bijdrage

De rechtbank oordeelt dat bewezen kan worden dat verdachte samen met onder meer de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] nauw en bewust heeft samengewerkt en een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de hierna door de rechtbank te bewezen achten strafbare feiten. Niet alleen heeft verdachte de hiervoor uiteengezette geweldshandelingen verricht, ook is verdachte samen met [medeverdachte 2] op verzoek van [medeverdachte 1] naar de woning van het slachtoffer gegaan, waarna hij het slachtoffer bij zijn arm heeft vastgepakt en hem in de Audi heeft gezet, waarvan de deuren op slot werden gedaan. Verdachte is vervolgens in de Volkswagen Golf samen met [medeverdachte 2] achter de Audi aan naar Helmond gereden. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat verdachte op de dag van de gebeurtenis de navigatie op zijn telefoon had ingesteld op de plek waar in Helmond gestopt is. Hieruit maakt de rechtbank op dat verdachte bij vertrek vanuit Amsterdam op de hoogte was van de plek waarnaartoe gereden zou worden met het slachtoffer. Gedurende de rit naar Helmond heeft verdachte tijdens de tussenstop bij een tankstation de telefoon van het slachtoffer in zijn bezit gekregen. Verder heeft de rechtbank waargenomen op “Video4” van de aan het dossier toegevoegde camerabeelden afkomstig van de telefoon van [medeverdachte 2] dat verdachte één van de personen is die achter het slachtoffer aan is gerend toen laatstgenoemde in Helmond probeerde te vluchten. De rechtbank baseert deze herkenning op de kleding die de persoon, die vanaf 00:02 minuten rechts in beeld komt, aan heeft en die exact overeenkomt met de kleding die verdachte aan had tijdens zijn aanhouding. Verdachte heeft ook verklaard dat hij aanwezig was op de parkeerplaats in Helmond toen het slachtoffer probeerde te vluchten. Tot slot is verdachte met [medeverdachte 2] achter [medeverdachte 1] aangereden, toen laatstgenoemde met het slachtoffer op de achterbank vanuit Helmond terug naar Amsterdam reed “om te kijken of het allemaal goed ging”.

Voornoemd handelen van verdachte geeft blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking met onder meer de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en is naar het oordeel van de rechtbank van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een significante en wezenlijke bijdrage.

Aangezien verdachte de hierna te bewezen achten feit heeft medegepleegd, kunnen de handelingen die door de mededaders zijn verricht aan verdachte worden toegeschreven.

4.3.4

Gijzeling

Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte en de mededaders kan de rechtbank niet anders dan concluderen dan dat zij allen het oogmerk hadden om het slachtoffer opzettelijk en wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven en dat zij gedurende de vrijheidsberoving van het slachtoffer eveneens het oogmerk hadden een ander, onder meer de familie van het slachtoffer, te dwingen de verdwenen auto te retourneren dan wel een geldbedrag te betalen.

De rechtbank schuift het verweer van de raadsvrouw dat verdachte geen opzet heeft gehad op de ontvoering en het afdwingen van auto’s of geld (de gijzelingshandelingen) dan ook terzijde.

Dat één van de telefoongesprekken gevoerd is met getuige [getuige 1] (niet zijnde een familielid) staat niet aan een bewezenverklaring van de ten laste gelegde gijzeling in de weg, nu in de tenlastelegging eveneens staat opgenomen dat verdachte en zijn mededaders het oogmerk hadden om “een ander” te dwingen een geldbedrag aan verdachte en zijn mededaders te betalen. Ook blijkt uit de genoemde feiten en omstandigheden duidelijk dat het slachtoffer zonder instemming werd meegenomen naar Amsterdam. Zo probeerde hij kort voordat hij naar Amsterdam werd meegenomen op de parkeerplaats in Helmond nog te vluchten. Gelet op het voorgaande en alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende, schuift de rechtbank het verweer van de raadsvrouw dat geen sprake is geweest van een gijzelingssituatie in de zin van artikel 282a Sr dan ook terzijde.

4.3.5

Vormverzuim

Omdat de rechtbank het verhoor van verdachte d.d. 21 juli 2020 niet voor het bewijs van het ten laste gelegde gebruikt, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van het verweer van de raadsvrouw ex artikel 359a Sv met betrekking tot die verklaring.

4.3.6

Conclusie

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich samen met onder meer [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft schuldig gemaakt aan de gijzeling van het slachtoffer. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van het slachtoffer.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

omstreeks 18 juli 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon, te weten [benadeelde partij] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, met het oogmerk een ander te dwingen een bedrag van 150.000 of 30.000 euro aan verdachte en zijn mededaders te betalen, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededaders,

- zich met een auto (Volkswagen Golf HSM 1998) naar de woning van voornoemde

[benadeelde partij] begeven en

- vervolgens meermalen voornoemde [benadeelde partij] geslagen en

- voornoemde [benadeelde partij] bij zijn arm vastgepakt en meegenomen naar voornoemde auto en vervolgens in de auto gedwongen en op de achterbank geduwd en

- in voornoemde auto weer meermalen met gebalde vuist op het hoofd van voornoemde [benadeelde partij] geslagen en

- de telefoon van voornoemde [benadeelde partij] afgepakt en

- voornoemde auto op slot gedaan en

- meermalen voornoemde [benadeelde partij] bedreigd door de woorden toe te voegen dat hij de Mercedes GLE moest terugbrengen of anders het geld, te weten 160.000 euro, omdat hij anders niet zou thuiskomen en

- voornoemde [benadeelde partij] voortdurend bewaakt en

- vervolgens voornoemde [benadeelde partij] naar de auto (Mercedes B Klasse ERK YL99) toe genomen en die auto op slot gedaan en dreigend de woorden toegevoegd dat als hij het geld niet zou betalen, dat de eigenaar van de Mercedes CLS hem naar Duitsland zou meenemen, al waar twintig man klaar zou staan met honden om hem om te brengen en “I will shoot you if you don’t tell me where the car is” en

- meermalen met gebalde vuist op het hoofd van voornoemde [benadeelde partij] gestompt en

- een vluchtpoging van voornoemde [benadeelde partij] voorkomen door achter hem aan te springen in het water en vervolgens voornoemde [benadeelde partij] weer meermalen te slaan en onderuit te schoppen en

- naar de vader van voornoemde [benadeelde partij] gebeld en dreigend de woorden toegevoegd “dat hij iets wilde, dus of het geld van de auto of de auto zelf. Zo lang hij dit niet kreeg zou [benadeelde partij] houden” en

- naar [getuige 1] gebeld en dreigend de woorden toegevoegd: “dat hij moet zorgen dat het geld op tafel komt, te weten 150.000 euro, de auto of hij verdwijnt. Hij gaf hen de dag de tijd om het geld te regelen, anders zou [benadeelde partij] niet meer terugkomen en “als jullie 30.000 euro komen brengen wordt [benadeelde partij] vrijgelaten. Je levert 30.000 of je krijgt de jongen niet terug”

en

op 18 juli in Nederland [benadeelde partij] heeft mishandeld door tegen het hoofd te stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De strafeis van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien maanden. De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de toepassing van artikel 63 Sr.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij een bewezenverklaring geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen langer dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en aan verdachte een taakstraf op te leggen al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Verder is door de raadsvrouw bij het bepalen van de strafmaat verzocht rekening te houden met de geringe rol die verdachte heeft gehad, het vormverzuim tijdens het verhoor d.d. 21 juli 2020 en de overschrijding van de redelijke termijn. Ook heeft de raadsvrouw verzocht er rekening mee te houden dat verdachte te laat in verzekering is gesteld, het reeds ondergane voorarrest en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de baan die verdachte heeft en twee jonge kinderen. Tot slot heeft de raadsvrouw erop gewezen dat artikel 63 Sr van toepassing is en heeft zij erop gewezen dat verdachte zich bereid heeft getoond een mediationtraject in te gaan, dat overigens niet door toedoen van verdachte zonder succes is afgerond.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

8.3.1

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan gijzeling van een 19-jarige jongeman. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van diezelfde jongeman. Het slachtoffer in deze zaak is in de middag rond 13.00 uur vanaf zijn woning in Amsterdam op hardhandige wijze door onder meer verdachte in een auto gezet, waarna met het slachtoffer naar Helmond is gereden. Gedurende deze autorit werd de telefoon van het slachtoffer door verdachte van hem afgenomen, is hij bedreigd door de in de auto aanwezige personen en heeft verdachte hem tijdens een tussenstop met de auto meermaals met de vuist geslagen. Op een parkeerplaats in Helmond is het slachtoffer in de auto van één van de mededaders gezet en is hij opnieuw bedreigd en meermalen met de vuist geslagen. Toen het slachtoffer probeerde te vluchten en uit wanhoop het water in sprong, zijn verdachte en de mededaders achter hem aangerend, is het slachtoffer door één van de mededaders uit het water gehaald en onderuit geschopt, waarna hij opnieuw naar een auto werd gebracht. Door één van de mededaders zijn toen opnieuw geweldshandelingen op het slachtoffer uitgeoefend door het slachtoffer meermaals in het gezicht te slaan. Laatstgenoemde geweldshandelingen zijn gefilmd en het desbetreffende filmpje is aan het dossier toegevoegd. Te zien is dat het slachtoffer languit bewusteloos op de achterbank ligt, terwijl hij in het gezicht wordt geslagen. Hierna is één van de mededaders, met het slachtoffer op de achterbank naar Amsterdam gereden, gevolgd in een andere auto waarin verdachte zich bevond met één van de andere mededaders. Pas rond 1.00 uur ’s nachts, is het slachtoffer in Amsterdam door de politie bevrijd.

Gedurende de gebeurtenis is naar meerdere personen dreigend gebeld dat er losgeld moest worden betaald, dan wel dat de gehuurde auto diende te worden teruggegeven, alvorens het slachtoffer zou worden vrijgelaten.

Ter zitting is door het slachtoffer een slachtofferverklaring afgelegd. De gebeurtenis is voor hem een zeer beangstigende en bedreigende situatie geweest en ook zijn vader, die tijdens de ontvoering is gebeld, voelde zich machteloos. Het is algemeen bekend dat het ervaren van dergelijke gebeurtenissen ernstige psychische gevolgen kan hebben, zowel voor het betrokken slachtoffer als voor diens omgeving. Ook in deze zaak blijkt dat het slachtoffer, zo volgt uit zijn slachtofferverklaring, nog dagelijks de gevolgen van de gebeurtenis ondervindt. Het slachtoffer is gediagnosticeerd met PTSS en kampt nog regelmatig met nachtmerries.

Strafbare feiten als deze veroorzaken daarnaast gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Zo hebben meerdere getuigen de vluchtpoging van het slachtoffer en de achtervolging die daarop volgde gezien, waarna zij direct de politie hebben gebeld.

Uit het dossier blijkt dat verdachte en de mededaders het slachtoffer hebben gegijzeld, omdat het slachtoffer een dure auto van één van de mededaders had gehuurd en deze niet had teruggebracht. De rechtbank acht het zich bedienen van eigenrichting binnen ons rechtssysteem niet acceptabel, juist omdat daarin officiële instanties zijn aangewezen om strafbare feiten op te sporen en te vervolgen, met de daarbij behorende rechtswaarborgen. Omdat die waarborgen bij eigenrichting ontbreken is er een groot risico op fouten en extreme uitwassen en geweld, wat in deze zaak ook is gebeurd. Wanneer niet stevig wordt opgetreden tegen eigenrichting is uiteindelijk gewelddadige chaos het gevolg en delft de rechtsstaat het onderspit.

8.3.2

De persoonlijke omstandigheden

Het strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte na het plegen van de bewezenverklaarde feiten nog tweemaal is veroordeeld, voor het laatst op 19 februari 2025. Aan verdachte is toen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Dit betekent dat artikel 63 Sr van toepassing is.

Vormverzuimen

Verdachte is op 19 juli 2020 om 01:00 uur aangehouden en diezelfde dag om 18:27 uur in verzekering gesteld. De maximale termijn voor het ophouden voor verhoor liep die dag af om 18:00 uur. De rechtbank constateert dat verdachte te laat in verzekering is gesteld. Anders dan door de raadsvrouw verzocht, zal de rechtbank hieraan geen strafvermindering verbinden en het laten bij een constatering, omdat de overschrijding van de termijn waarbinnen verdachte in verzekering diende te worden gesteld slechts met een half uur is overschreden. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf evenmin rekening met het door de raadsvrouw gestelde vormverzuim ten aanzien van het verhoor van verdachte op 22 juli 2020, omdat dit verhoor door de rechtbank niet voor het bewijs van het ten laste gelegde is gebruikt.

8.3.3.

Overschrijding van de redelijke termijn

Als uitgangspunt geldt dat een verdachte recht heeft op berechting van zijn zaak binnen een termijn van twee jaar. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt vast dat de termijn in dit geval is aangevangen op 19 juli 2020, de datum waarop verdachte in verzekering is gesteld. Het onderhavige vonnis wordt op 9 juli 2026 uitgesproken.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM, met bijna vier jaar is overschreden, wat niet te wijten is aan de ingewikkeldheid van de zaak en ook niet aan de verdediging. Deze periode komt daarom voor compensatie in de vorm van strafvermindering in aanmerking. De rechtbank hanteert hierbij de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit volgt dat bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden, zoals in deze zaak, naar bevind van zaken wordt gehandeld.

8.3.4

Strafoplegging

De ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten rechtvaardigen in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op de overschrijding van de redelijke termijn gekozen dient te worden voor een andere strafmodaliteit. Gelet hierop en tevens op de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd De rechtbank acht de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten niet meer passend. Verdachte dient echter nog wel bestraft te worden en de consequenties van zijn handelen destijds te ondervinden. Dit maakt dat de rechtbank, alles in overweging nemende, aan verdachte een maximale taakstraf van 240 uur zal opleggen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Ook zal de rechtbank aan verdachte, gelet op de ernst van de feiten en als stok achter de deur, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden opleggen met een proeftijd van twee jaren.

9 De vordering van de benadeelde partij

9.1

De vordering van [benadeelde partij]

Het slachtoffer [benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Hij heeft de rechtbank verzocht om toewijzing van zijn vordering, en deze te vermeerderen met de wettelijke rente van het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is verzocht om de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte op te leggen.

De benadeelde partij vordert in totaal € 36.684,98 aan schade.

Dit bedrag bestaat voor € 26.684,98 uit materiële schade, inhoudende:

  • medische kosten (eigen risico): € 385,-;

  • kosten psycholoog: € 565,53;

  • gestolen telefoon: € 709,50;

  • beschadigde kleding en schoenen: € 374,95;

  • één jaar studievertraging: € 22.650,-;

  • toekomstige medische kosten en reis- en parkeerkosten: € 2.000,-.

De benadeelde partij vordert € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade.

9.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de kosten die worden verzocht voor studievertraging niet-ontvankelijk te verklaren, omdat onvoldoende vaststaat dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de gepleegde strafbare feiten. De toekomstige medische kosten en reis- en parkeerkosten dienen bij gebrek aan onderbouwing van de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor de overige gevorderde materiële schade acht de officier van justitie de vordering toewijsbaar, te weten een bedrag van € 2.034,98.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie verzocht de gevorderde schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 2.000,- vanwege de rol die de benadeelde partij zelf heeft gespeeld in de aanleiding van de gijzeling en het financieel nadeel dat hij heeft veroorzaakt door de auto’s niet terug te brengen.

9.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de kosten die worden gevorderd voor de telefoon, de kleding en de schoenen primair verzocht deze gevorderde schade af te wijzen wegens onvoldoende onderbouwing. Subsidiair is door de raadsvrouw verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen.

Ten aanzien van de kosten die worden gevorderd voor studievertraging heeft de raadsvrouw primair verzocht het slachtoffer niet-ontvankelijk te verklaren, omdat onvoldoende vaststaat dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de gepleegde strafbare feiten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen naar billijkheid.

Verder heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de medische kosten (eigen risico) en de kosten voor de psycholoog kritisch te beoordelen en eventueel te matigen.

Ten aanzien van de gevorderde toekomstige medische kosten en reis- en parkeerkosten is door de raadsvrouw verzocht het slachtoffer niet-ontvankelijk te verklaren.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade is door de raadsvrouw verzocht om het gevorderde bedrag bij toewijzing te matigen.

9.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schadevergoeding

Ten aanzien van schade die is gevorderd met betrekking tot de kleding en schoenen overweegt de rechtbank dat de stukken in het dossier onvoldoende aanleiding geven tot toewijzing van de gevorderde schade en dat deze posten onvoldoende onderbouwd zijn. Niet alleen zijn deze posten niet onderbouwd met aankoopbonnen, maar tevens is niet aangetoond dat de kleding en schoenen door het bewezenverklaarde feit zodanig zijn beschadigd dat deze onbruikbaar zijn geworden. Deze gevorderde schade zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde toekomstige medische kosten en reis- en parkeerkosten niet toewijsbaar zijn, omdat onvoldoende onderbouwd is dat deze schade zal optreden. Het betreft derhalve een toekomstige onzekere situatie zodat de rechtbank de benadeelde partij hierin niet-ontvankelijk zal verklaren.

Ook de gevorderde kosten voor studievertraging acht de rechtbank niet toewijsbaar, omdat onvoldoende onderbouwd is dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde strafbare feiten. Uit de bij de gevorderde schade gevoegde stukken blijkt dat de benadeelde partij niet alleen in de jaren na de bewezenverklaarde feiten, maar ook in de jaren daaraan voorafgaand, na het behalen van zijn middelbareschooldiploma, veel van opleiding is gewisseld en geen van de gevolgde opleidingen heeft afgemaakt. Ook acht de rechtbank deze gevorderde kosten onvoldoende onderbouwd, omdat zij niet kan vaststellen of de benadeelde partij in het jaar waarvoor de studievertraging wordt gevorderd überhaupt gestart is met de desbetreffende opleiding, te weten Leidinggevende & travel hospitality bij [naam school] .

Voor het overige komt de gevorderde materiële schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en acht de rechtbank de gevorderde schade, mede gelet op de stukken in het dossier, voldoende onderbouwd. Dit geldt ook, anders dan de officier van justitie en de verdediging, voor de kosten voor de weggenomen telefoon. Niet is gebleken dat deze aan het slachtoffer is teruggegeven. De rechtbank schat de schade voor het verlies van de telefoon op het gevorderde bedrag. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade voor het overige dan ook toewijzen, in totaal € 1.660,03. De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de gehele schade van de desbetreffende schadepost is ontstaan.

Immateriële schadevergoeding

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de door de benadeelde partij overgelegde medische verklaringen en stukken objectief kan worden vastgesteld dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade, in de vorm psychisch letsel, is toegebracht. De benadeelde partij is gediagnosticeerd met PTSS, zo blijkt uit de brief van [naam] van [website] van 7 september 2022. Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b BW (op andere wijze in zijn persoon aangetast) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.

De rechtbank zal niet de volledige door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding toewijzen, omdat de duur en intensiteit van de behandeling die de benadeelde partij heeft ondergaan in verband met het opgelopen psychisch letsel onvoldoende is onderbouwd voor inschaling in de namens hem voorgestelde categorie PTSS “middelzwaar” van de Rotterdamse schaal. Ook is onvoldoende met objectieve stukken onderbouwd in hoeverre de benadeelde partij op dit moment nog wordt gehinderd in zijn dagelijks leven door het opgelopen psychische letsel.

De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade niet matigen, vanwege de rol die de benadeelde partij zelf zou hebben gespeeld in de aanleiding van het bewezenverklaarde en het financieel nadeel dat de benadeelde partij heeft veroorzaakt. De immateriële schade is het gevolg van het bewezenverklaarde en kan ingevolge artikel 6:101 BW niet worden toegerekend aan het normoverschrijdend gedrag van het slachtoffer voorafgaand aan het bewezenverklaarde, dat voor verdachte en de mededaders kennelijk aanleiding vormde om de bewezenverklaarde strafbare feiten te plegen.

Op grond van de door benadeelde partij gestelde omstandigheden, begroot de rechtbank de immateriële schade, onder verwijzing naar de categorie PTSS “minder ernstig”, naar billijkheid op een bedrag van € 4.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de inbreuk is aangevangen, namelijk op 18 juli 2020.

Schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijke toewijzing

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling de maatregel van artikel 36f Sr aan de verdachte opgelegd.

Verder overweegt de rechtbank dat aangezien verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met anderen heeft gepleegd, zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 55, 63, 282a en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Eendaadse samenloop van:

medeplegen van gijzeling

en

mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Wijst de vordering van [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 1.660,03 (zestienhonderdzestig euro en drie cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 709,50 vanaf 18 juli 2020, over € 385,- vanaf 2 september 2022 en over € 565,53 vanaf 28 september 2022, steeds tot de dag van de volledige betaling.

Wijst de vordering van [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juli 2020 tot de dag van de volledige betaling.

Verdachte is niet gehouden tot betaling van de materiele en immateriële schadevergoeding voor zover het bedrag door zijn mededader is betaald.

Legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] , aan de Staat in totaal

€ 5.660,03 (vijfduizendzeshonderdzestig euro en drie eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4000,- vanaf 18 juli 2020, over € 709,50 vanaf 19 juli 2020, over € 385,- vanaf 2 september 2020 en over € 565,53 vanaf 28 september 2022, steeds tot de dag van volledige betaling, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander of anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 53 (drieënvijftig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen ten behoeve van [benadeelde partij] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat [benadeelde partij] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.J. Bos, voorzitter,

mr. M. Vaandrager en mr. H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Zoetelief, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2026.

[… 1]

[… 1]

[… 1]

[… 1]

[… 1]

[… 1]

[… 1]

[… 1]

[… 1]

[… 1]

[… 1]

[… 1]

[… 1]

  • [… 1]

  • [… 1]

[… 2]

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »