vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/018708-26 Parketnummer vordering tul: 09/373985-24
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. S.W.M. Van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.J. Moll, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren, in elk geval aanwezig hebben, van 22 liter amfetamine op 15 oktober 2025 in Nederland.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat bewezen kan worden dat verdachte 22 liter amfetamine heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad, gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, waarin wordt bevestigd dat de inhoud van de emmer inderdaad amfetamine bevatte. Ten aanzien van het verweer van verdachte dat hij wist dat het om een grondstof voor drugs ging, maar niet wist dat dit strafbaar was, is door de officier van justitie het standpunt ingenomen dat verdachte wel degelijk wist dat het ‘foute boel’ was. De officier van justitie verwijst hiervoor naar de omstandigheid dat het pakket niet zomaar met de post werd verstuurd, maar dat deze per auto vanuit België naar Nederland moest worden gereden. Ook verwijst de officier van justitie naar de verklaring van verdachte dat hij in shock zou zijn geweest toen hij zag dat het om een emmer ging in plaats van een klein pakketje.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Omdat verdachte het feit heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:
1. de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 4 juni 2026 heeft afgelegd;
2. een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025260163-12 van 15 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1], [opsporingsambtenaar 2], [opsporingsambtenaar 3], [opsporingsambtenaar 4], [opsporingsambtenaar 5], [opsporingsambtenaar 6], [opsporingsambtenaar 7], [opsporingsambtenaar 8], [opsporingsambtenaar 9], [opsporingsambtenaar 10] en [opsporingsambtenaar 11], doorgenummerde pag. 10 t/m 22;
3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025260163 van 17 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 12], doorgenummerde pag. 26 en 27;
4. Een geschrift zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met de naam ‘drugsonderzoek aan een olieachtige vloeistof aangetroffen op 15 oktober 2025 op de locatie Overschiestraat te Amsterdam’ van 18 december 2025, doorgenummerde pag. 35-38.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
15 oktober 2025 in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, 22 amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
5 De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een maximale taakstraf, met daarnaast een voorwaardelijke strafdeel. De raadsman heeft verzocht om aan dit voorwaardelijk strafdeel dezelfde bijzondere voorwaarden te verbinden, zoals die in het vonnis onder parketnummer 09-373985-24 aan verdachte zijn opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 22 liter amfetamine-olie, een grondstof voor de productie van harddrugs. Harddrugs vormen in het algemeen een gevaar voor de volksgezondheid en de productie, het gebruik ervan en de daarmee gepaard gaande handel zijn schadelijk voor de samenleving, onder andere vanwege de ermee gepaard gaande (ernstige) vormen van criminaliteit. Verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 mei 2026. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Wel liep verdachte nog in een proeftijd van een voorwaardelijke veroordeling voor een andersoortig feit.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 16 april 2026, opgemaakt door GGZ Reclassering Inforsa. De reclassering schat het risico op recidive hoog in. Verdachte heeft eigen huisvesting, maar op andere leefgebieden is er veel instabiliteit. Zo heeft verdachte al langere tijd geen zinvolle dagbesteding en heeft hij door een gokverslaving een flinke schuldenlast. Behandeling van zijn gokverslaving is tijdens de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 09-373985-24 niet van de grond gekomen, omdat verdachte zijn medewerking niet wilde verlenen aan de opgelegde bijzondere voorwaarden. De reclassering schrijft dat zij interventies kunnen inzetten om te werken aan gedragsverandering, zoals een meldplicht, dagbesteding en behandeling, maar dat verdachte hier niet gemotiveerd voor lijkt te zijn. Bij een veroordeling adviseert de reclassering daarom om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij wel graag hulp van de reclassering wil om zijn leven weer op de rit te krijgen. Verdachte heeft verklaard dat het niet nakomen van de eerder opgelegde bijzondere voorwaarden niet voortkwam uit het niet willen van hulp, maar dat hij moeite had met de tweewekelijkse meldplicht voor de duur van twee jaren en in verhouding tot de taakstraf van “slechts” 30 uur. Hij heeft er daarom toen voor gekozen die taakstraf uit te voeren, maar nu wel open te staan voor hulp in de vorm van bijzondere voorwaarden en zich hieraan te zullen houden als deze worden opgelegd.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor het bewezen verklaarde feit gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor het vervoeren van 22 liter harddrugs, zoals ten laste van de verdachte is bewezenverklaard en hetgeen op basis van de oriëntatiepunten gelijk staat aan 2.200 gram, is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Omdat het om een ernstig feit gaat kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank hanteert voor deze hoeveelheid drugs andere uitgangspunten bij de straftoemeting dan het Openbaar Ministerie, reden waarom de rechtbank tot een lagere straf komt dan de officier van justitie heeft geëist.
Hoewel de rechtbank met de reclassering twijfelt aan de intrinsieke motivatie van verdachte om daadwerkelijk onder toezicht van de reclassering met zichzelf aan te slag te gaan en zijn leven zo in te richten dat hij wegblijft van criminaliteit, zal de rechtbank toch een deel van de straf voorwaardelijk opleggen en daaraan bijzondere voorwaarden koppelen. De rechtbank vindt het namelijk noodzakelijk dat verdachte onder toezicht van de reclassering aan zichzelf gaat werken om tot gedragsverandering te komen. Omdat verdachte eerder de (beperkte) taakstraf heeft verkozen boven het reclasseringstoezicht, zal de rechtbank deze bijzondere voorwaarden koppelen aan een voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit voorwaardelijke strafdeel dient dan ook als flinke stok achter de deur voor verdachte om de bijzondere voorwaarden na te leven en zich ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw de fout in te gaan. Houdt verdachte zich niet aan de voorwaarden, of gaat hij opnieuw in de fout, dan weet hij dat de kans groot is dat hij de voorwaardelijke gevangenisstraf alsnog zal moeten uitzitten.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaardenmeldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan schuldhulpverlening verbinden.
8 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 7 mei 2026 bij de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 09-373985-24. Die vordering gaat over het onherroepelijk geworden vonnis van 9 juli 2025 van de politierechter te Den Haag. Daarbij is verdachte, kortgezegd, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, met het bevel dat van deze straf een gedeelte van 30 uren niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt of de opgelegde bijzondere voorwaarden heeft geschonden.
Ook zit in het dossier een stuk waaruit blijkt dat de mededeling voorwaardelijke veroordeling als bedoeld in artikel 366a Sv aan verdachte per post is toegezonden.
Ter terechtzitting hebben de raadsman en de officier van justitie aangegeven dat op 20 mei 2026 een vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling onder het hiervoor genoemde parketnummer is toegewezen door de rechtbank Den Haag. De rechtbank heeft dit niet kunnen controleren, omdat deze beslissing nog niet stond vermeld op het meest recente Uittreksel Justitiële Documentatie, maar gaat uit van de juistheid hiervan. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen twee werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2]. Veroordeelde blijft zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door de Forensisch Ambulante Zorg (FAZ) van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De
behandeling start op basis van beschikbaarheid bij de zorgaanbieder. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich gedurende de proeftijd in voor het vinden en behouden van betaald
werk, onbetaald werk en/of een andere vorm van vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Meewerken aan schuldhulpverlening
Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan het aflossen van zijn schulden en het
treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 09/373985-24.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Smit, voorzitter,
mr. M. Wiewel en mr. A.E. Wilbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.M. Zoetelief, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.
[…]