vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/179651-25 (zaak A) en 13/338144-25 (zaak B) (gev. ttz.) Parketnummers vorderingen tul: 16/098737-23 en 13/275602-23
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1975 in [geboorteplaats] ,
nu gedetineerd te: [detentieplaats] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 14 juli 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermeld parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.T.A. de Ridder, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.G.M. Rijkhoff, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, [benadeelde partij] en [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) – die zij respectievelijk in zaak A en zaak B hebben ingediend – en van wat [aangever 1] en haar advocaat mr. A.J.W.F. Segeren, die waarnam voor mr. S.A.L. Crucq, en [benadeelde partij] naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
zaak A
feit 1:
poging tot doodslag (impliciet primair) althans poging tot zware mishandeling (impliciet subsidiair) van [aangever] door met een mes een of meer stekende en/of slaande en/of zwaaiende bewegingen in de richting van zijn (boven)lichaam en/of gezicht te maken en/of in zijn gezicht te steken en/of snijden en/of in zijn (boven)lichaam te steken, op 11 juni 2025 in Amsterdam;
feit 2:
diefstal van een tas met daarin oordopjes en/of medicatie van [aangever] op 11 juni 2025 op de openbare weg in Amsterdam, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever] .
zaak B
diefstal van sieraden, toebehorende aan [aangever 1] , door middel van braak/en of verbreking door met een baksteen een ruit in te slaan op 3 juni 2025 in Amsterdam.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft op grond van de bewijsmiddelen in het dossier gerekwireerd tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag (zaak A, feit 1). Door aangever [aangever] in zijn gezicht te steken en stekende bewegingen te maken in de richting van zijn bovenlichaam, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangever] als gevolg hiervan een levensbedreigende verwonding had kunnen oplopen. De officier van justitie vindt de ten laste gelegde diefstal met geweld (zaak A, feit 2) en de diefstal met braak (zaak B) eveneens bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde en partiële vrijspraak van het onderdeel van het onder feit 2 ten laste gelegde dat betrekking heeft op de gedragingen met het mes. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een stekende of slaande of zwaaiende beweging heeft gemaakt, of dat verdachte heeft gestoken of gesneden in het gezicht van aangever, of dat hij heeft gepoogd het mes in zijn bovenlichaam te steken. Weliswaar heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij aangever met een mes heeft gestoken, maar de raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het woord ‘steken’ enkel heeft gebruikt om kenbaar te maken dat het mes op enig moment in het gezicht van aangever terecht is gekomen. Op basis van de stukken in het procesdossier kan niet worden vastgesteld op welke wijze dit is gebeurd. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat vrijspraak moet volgen, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel, noch dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Op het derde gedachtestreepje na kan feit 2 – de diefstal met geweld – worden bewezen. Ten aanzien van de in zaak B ten laste gelegde diefstal van de sieraden heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag op [aangever] (zaak A, feit 1), diefstal van een tas van die [aangever] gevolgd van geweld en bedreiging met geweld (zaak A, feit 2) en een diefstal met braak (zaak B).
Feiten en omstandigheden zaak A
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II vast dat [aangever] op 11 juni 2025 – terwijl hij aan het werk was als postbezorger – door verdachte is bestolen van een tasje met daarin zijn oordopjes en astma medicatie. Toen [aangever] verdachte vervolgens aansprak, werd hij door verdachte vastgepakt. Hierop sloeg [aangever] verdachte in zijn gezicht, waarna verdachte [aangever] op de grond heeft geduwd en is weggerend. Toen [aangever] achter verdachte aan ging, is verdachte café [naam café] op de Haarlemmerstraat binnengegaan en heeft hij een vork gepakt, die hij kort daarna heeft verruild voor een mes, een zogenaamd ‘steak knife’. Met het mes in zijn hand is hij op [aangever] afgelopen en heeft hem naar de uitgang van het café gedreven, alwaar [aangever] vervolgens is gestruikeld en op de grond is beland. [aangever] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte een zwaai/snijbeweging met het mes maakte in de richting van zijn gezicht, waarna hij pijn voelde. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij [aangever] met een mes heeft gestoken. Door getuige [naam 2] – die ten tijde van het incident werkzaam was bij café [naam café] – is eveneens waargenomen dat [aangever] met een mes in zijn rechterwang werd gestoken. Uit een door een forensisch arts opgestelde letselrapportage blijkt dat [aangever] als gevolg van dit incident een snij-/steekwond aan de rechterzijde van zijn bovenlip heeft opgelopen.
Bewezenverklaring poging doodslag (zaak A, feit 1)
De rechtbank is – met de officier van justitie en anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat bewezen is dat verdachte, door met een ‘steak knife’ stekende bewegingen in de richting van het gezicht van [aangever] te maken en hem daarbij in het gezicht te steken, het opzet heeft gehad op de dood van [aangever] . Het handelen van verdachte kan dan ook gekwalificeerd worden als een poging doodslag. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, vanwege de fysieke ruzie die hij met [aangever] op dat moment had, het café was binnen gelopen om een mes te pakken. In eerste instantie pakte hij een vork, maar die verruilde hij kort daarna voor een mes, omdat hij, naar eigen zeggen, dacht dat een vork geen indruk zou maken. Nadat hij het mes heeft gepakt, heeft hij [aangever] vastgehouden, met het mes stekende bewegingen gemaakt richting het gezicht van [aangever] en hem uiteindelijk in zijn gezicht gestoken.
De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat het gezicht, het hoofd en de hals kwetsbare en vitale organen en bloedvaten bevatten. Verdachte heeft in een beweeglijke situatie op ongecontroleerde wijze en op korte afstand tot [aangever] , met een ‘steak knife’ van 10 centimeter lang, in de richting van het gezicht van [aangever] gestoken, waarbij hij [aangever] in elk geval een keer in zijn gezicht heeft geraakt.
Uit de beschrijving van de camerabeelden door de verbalisant leidt de rechtbank af dat verdachte tijdens het handgemeen met [aangever] in het café (veel) kracht heeft gebruikt en de omstandigheid dat verdachte niet daadwerkelijk vitale delen in het lichaam van [aangever] heeft geraakt, wat tot zijn dood had kunnen leiden, is een geluk dat niet te danken is aan de gedragingen van verdachte.
Gezien de hierboven beschreven gedragingen heeft verdachte met zijn handelen, naar het oordeel van de rechtbank, opzet op de dood van [aangever] gehad door op die bewuste dag – terwijl hij ruzie met [aangever] had – een café binnen te lopen, aldaar een mes te pakken en met dat mes stekende bewegingen te maken in de richting van het gezicht van [aangever] en [aangever] in zijn gezicht te steken.
Bewezenverklaring diefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld (zaak A, feit 2)
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend de tas van [aangever] met daarin zijn oordopjes en astma medicatie te hebben weggenomen. De raadsvrouw heeft enkel het onderdeel van het onder feit 2 ten laste gelegde betwist dat betrekking heeft op de gedragingen met het mes. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een stekende of slaande of zwaaiende beweging heeft gemaakt, of dat verdachte heeft gestoken of gesneden in het gezicht van aangever. De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien zij hiervoor heeft vastgesteld dat verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het gezicht van [aangever] en hem daarbij in het gezicht heeft gestoken.
De rechtbank acht onder feit 2 bewezen dat verdachte met geweld en bedreiging met geweld een tas van [aangever] heeft gestolen.
Bewezenverklaring diefstal met braak (zaak B)
De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsvrouw – van oordeel dat de ten laste gelegde diefstal met braak bewezen is, gelet op de bewijsmiddelen, waaronder de ter terechtzitting door verdachte afgelegde bekennende verklaring.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A
feit 1
op 11 juni 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het gezicht van die [aangever] en daarbij die [aangever] in het gezicht heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
op 11 juni 2025 te Amsterdam, op de openbare weg Haarlemmerstraat, een tas met daarin in ieder geval oordopjes en medicatie, die aan [aangever] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangever] bij de kraag vast te pakken en
- die [aangever] op de grond te duwen en
- met een mes stekende bewegingen te maken in de richting van het gezicht van die [aangever] en die [aangever] in het gezicht te steken.
ten aanzien van zaak B
op 3 juni 2025 te Amsterdam sieraden die aan [aangever 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak door met een baksteen de ruit in te slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook voor alle bewezenverklaarde feiten strafbaar.
7 Motivering van de straf en maatregel
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Gelet op de generale preventie is een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden zal worden opgelegd, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 30 juni 2026. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van tbs met voorwaarden. Zij heeft gevorderd dat hieraan de voorwaarden worden verbonden, zoals door de reclassering zijn geadviseerd, te weten: geen strafbaar feit plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, niet naar het buitenland gaan, een opname in een zorginstelling zodra de plaatsing mogelijk is, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een verbod op drugs- en alcoholgebruik en meewerken aan controles, een contactverbod met aangevers [aangever] en [aangever 1] , dagbesteding en meewerken aan het aflossen van zijn schulden.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat – anders dan in de reclasseringsrapportage staat vermeld – de ambulante behandeling niet gericht dient te zijn op seksueel grensoverschrijdend gedrag, omdat ogenschijnlijk abusievelijk in het reclasseringsrapport is opgenomen dat sprake is van seksueel overschrijdend gedrag. De officier van justitie heeft gevorderd dat de tbs – indien de tbs met voorwaarden moet worden omgezet in een tbs met dwangverpleging – ongemaximeerd dient te zijn. Verder heeft de officier van justitie gevorderd de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Indien de rechtbank na beraadslaging in raadkamer tot het oordeel zou komen dat aan verdachte een lagere gevangenisstraf dient te worden opgelegd, waardoor dit niet aansluit op zijn plaatsing in een kliniek, dan heeft de officier van justitie gevorderd om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen – onder dezelfde voorwaarden die aan de tbs-maatregel worden verbonden – tot het moment dat het vonnis onherroepelijk is geworden. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om de voorlopige hechtenis van verdachte opnieuw te schorsen onder dezelfde voorwaarden als er een plaatsing in een kliniek mogelijk is. Tot slot heeft de officier van justitie de oplegging van de Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (hierna: GVM), zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadvrouw heeft verzocht om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Om die reden heeft de raadsvrouw verzocht om het advies van de reclassering, zoals neergelegd in het rapport van 30 juni 2026, te volgen en aan verdachte tbs met voorwaarden op te leggen. Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat voornoemde maatregel onvoldoende is onderbouwd, dan heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte een straf op te leggen, waarvan een gedeelte voorwaardelijk is met daaraan verbonden een reclasseringstoezicht en een stevig kader aan bijzondere voorwaarden, waaronder een klinische opname. Behandeling van verdachte dient te prevaleren. Daarom heeft de raadsvrouw verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt. Ten aanzien van de gevorderde GVM heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten. Allereerst heeft verdachte zich in zaak B schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak, door met een baksteen de ruit van een atelierwinkel in te slaan en meerdere sieraden weg te nemen. Hierdoor heeft verdachte het slachtoffer [aangever 1] , naast (financiële) schade, veel hinder en extra werk opgeleverd. Bovendien veroorzaken inbraken, naast materiële schade en overlast, vaak gevoelens van angst, onrust en onveiligheid, zoals ook blijkt uit het door het slachtoffer ter terechtzitting voorgelezen verklaring over de gevolgen van het feit. Verdachte heeft geen enkel respect getoond voor andermans eigendom en uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financieel gewin met als doel om hier drugs van te kunnen kopen. Daarnaast heeft verdachte zich in zaak A schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en bedreiging met geweld van een tas met inhoud van het slachtoffer [aangever] , die op dat moment zijn werk als postbezorger uitoefende. Verdachte heeft het slachtoffer op de grond geduwd en met een mes in zijn gezicht heeft gestoken. Daarmee heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan een poging doodslag. Dit zijn zeer ernstige feiten. Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en geen respect getoond voor zijn medemens en zijn eigendommen. Het is een gelukkige omstandigheid dat het slachtoffer door het handelen van verdachte niet zodanig letsel heeft opgelopen waaraan het slachtoffer had kunnen overlijden. Dergelijke feiten zorgen bovendien voor maatschappelijke onrust. Het incident speelde zich af op de openbare weg en in de deuropening van een café/restaurant waar meerdere mensen waren. De personen die daar op dat moment aanwezig waren zijn ongewild geconfronteerd met het gewelddadige handelen van verdachte. Dit moet voor alle aanwezigen een beangstigende ervaring zijn geweest. Ter terechtzitting heeft verdachte spijt betuigd door onder meer een excuusbrief voor te lezen die gericht was aan het slachtoffer [aangever] .
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Zo is hij in 2023 onherroepelijk veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf (180 dagen waarvan 175 dagen voorwaardelijk), wegens een poging zware mishandeling, een mishandeling en een diefstal met geweld. Daarnaast is hij in 2024 onherroepelijk veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, wegens een diefstal. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was de proeftijd van deze eerdere voorwaardelijke veroordelingen, waarvan de tenuitvoerlegging is gevorderd, nog niet voorbij.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de pro Justitia rapportage van 24 maart 2026, opgesteld in zaak A door psychiater G. Veen en GZ-psycholoog I.F.J. Bronnenberg. De deskundigen hebben, kort gezegd, gerapporteerd dat – hoewel verdachte zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd – kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, cocaïne en amfetamine. Hiervan was ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake. Gelet op de weigerende houding van verdachte kon echter geen inzicht worden verkregen in het precieze toestandsbeeld van verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten en of en in welke mate zijn psychische stoornissen hierin hebben doorgewerkt. De deskundigen hebben in hun rapportage dan ook geen advies kunnen geven over de toerekenbaarheid. Daarnaast hebben de deskundigen geen inschatting kunnen maken van het recidiverisico ten aanzien van vermogens- en geweldsdelicten. Gelet op het voorgaande hebben de deskundigen in hun rapportage geen advies uit kunnen brengen over een eventuele behandeling binnen een strafrechtelijk kader ter beperking van (mogelijk) recidivegevaar.
De rechtbank neemt de conclusies uit de pro Justitia rapportage ten aanzien van de stoornissen over en is van oordeel dat ten tijde van de bewezenverklaarde feiten bij verdachte sprake was van een psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van middelen.
De rechtbank heeft tot slot kennisgenomen van het adviesrapport van de reclassering van 30 juni 2026. Daarin constateert de reclassering dat sprake is van een delictpatroon aangaande gewelds- en vermogensdelicten. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. De reclassering baseert zich hierbij op het uitgebreide delictverleden van verdachte ten aanzien van gewelds- en vermogensdelicten, zijn verslavingsproblematiek in combinatie met een psychotische stoornis en het gebrek aan stabiliteit op praktisch vlak. Zo ontbreekt het verdachte aan stabiele huisvesting en een dagbesteding en kampt hij, daarnaast met schuldenproblematiek, hetgeen volgens de reclassering risico verhogend werkt. De reclassering adviseert positief over tbs met voorwaarden. Bij een bewezenverklaring heeft de reclassering geadviseerd om een tbs-maatregel op te leggen met de volgende voorwaarden: geen strafbaar feit plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, niet naar het buitenland gaan, een opname in een zorginstelling zodra de plaatsing mogelijk is, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een verbod op drugs- en alcoholgebruik en meewerken aan controles, een contactverbod met het slachtoffer, dagbesteding en meewerken aan het aflossen van schulden. Verdachte heeft verklaard mee te willen werken aan deze voorwaarden en de reclassering kan het toezicht over deze voorwaarden uitoefenen. Voorts heeft de reclassering geadviseerd om deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de voorlopige hechtenis van verdachte – onder dezelfde voorwaarden – te schorsen als er een plaatsing in een kliniek mogelijk is. Tot slot heeft de reclassering geadviseerd om aan verdachte een GVM op te leggen, aangezien het risico op geweld en letsel als hoog wordt ingeschat en er sprake is van complexe problematiek die, naar verwachting, ook na detentie nog zal bestaan.
Motivering van de strafoplegging
De rechtbank acht voor bovengenoemde feiten – met name de poging doodslag – het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en rekening houdend met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Weliswaar heeft verdachte ter terechtzitting verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden, maar dit neemt niet weg dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten waarvoor een langdurige gevangenisstraf passend en geboden is. Aangezien de rechtbank tot eenzelfde bewezenverklaring komt als de officier van justitie bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van de eis van de officier van justitie. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Zoals hierna zal worden toegelicht vindt de rechtbank het noodzakelijk om daarnaast aan verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen zodat verdachte klinisch kan worden behandeld.
Motivering van de tbs-maatregel met voorwaarden
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van tbs met voorwaarden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere misdrijven waar naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer op is gesteld, te weten een poging tot doodslag, een diefstal met geweld en een inbraak. Verder volgt de rechtbank de psychiater en de psycholoog in de conclusies dat bij verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Gelet op het gewelddadige karakter van de gepleegde feiten, maakt de algemene veiligheid van personen het nodig dat aan verdachte een tbs-maatregel wordt opgelegd. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat het risico op herhaling als hoog wordt ingeschat. Gelet op de behandeling ter terechtzitting, de conclusies van de deskundigen – zoals neergelegd in de pro Justitia rapportage – en de inhoud van het reclasseringsrapport acht de rechtbank het passend en geboden dat aan verdachte tbs met voorwaarden wordt opgelegd, met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een minder dwingend kader in de vorm van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Ten aanzien van de voorwaarde die betrekking heeft op de ambulante behandeling overweegt de rechtbank dat de behandeling – anders dan in de reclasseringsrapportage staat vermeld – niet gericht dient te zijn op seksueel grensoverschrijdend gedrag. Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden.
Ongemaximeerde TBS in geval van omzetting
De rechtbank overweegt dat de tbs-maatregel zal worden opgelegd voor onder meer twee misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit leidt ertoe dat, in het geval van een omzetting van de tbs met voorwaarden in een tbs met dwangverpleging, de tbs-maatregel met dwangverpleging niet beperkt is tot de maximale periode van vier jaren.
Dadelijk uitvoerbaar
Anders dan door de reclassering is geadviseerd en de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank niet bepalen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, omdat zij dit gelet op de lange duur van de gevangenisstraf niet noodzakelijk acht.
Ten aanzien van de GVM
Gelet op de opgelegde gevangenisstraf en de tbs-maatregel met voorwaarden acht de rechtbank het – anders dan de officier van justitie en de reclassering – niet opportuun om aan verdachte een GVM als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.
8 Vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
[aangever] en [aangever 1] hebben zich respectievelijk ten aanzien van zaak A, feit 2, en zaak B als benadeelde partijen in het geding gevoegd.
[benadeelde partij] (zaak A, feit 2)
Ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde partij] , de vader van slachtoffer [aangever] , degene is geweest die de schade daadwerkelijk heeft geleden, omdat hij de kosten voor de aanschaf van de nieuwe telefoon, het telefoonhoesje en twee sets oortjes heeft betaald en hij als eigenaar van die goederen kan worden beschouwd.
[benadeelde partij] vordert in totaal een bedrag van € 628,99 ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het schadebedrag ziet op de kosten voor de aanschaf van een nieuwe telefoon met een bijpassend telefoonhoesje (€ 450,99) en twee sets oordopjes van de merken JBL (€ 99,00) en Rolfstone Nova Sport (€ 79,00).
[aangever 1] (zaak B)
[aangever 1] vordert in totaal een bedrag van € 7.096,35 ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit het totaalbedrag van de weggenomen sieraden (€ 4.165,00) en de kosten voor de vervanging van de winkelruit en de getroffen noodvoorziening (€ 1.524,72), het herstel van het kozijn rondom de winkelruit (€ 1.028,50) en het opnieuw aanbrengen van de belettering (€ 378,13). [aangever 1] heeft gevorderd om de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat ter terechtzitting is gebleken dat niet hij, maar zijn vader de gevorderde materiële schade heeft geleden. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze volledig kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om [aangever] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat is gebleken dat niet hij, maar zijn vader, degene is die de gevorderde materiële schade heeft geleden. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om voor slechts één set oortjes een vergoeding toe te kennen, omdat onduidelijk is gebleven welke oortjes zijn ontvreemd. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om het te vergoeden schadebedrag voor de weggenomen set oortjes te matigen, omdat er rekening dient te worden gehouden met de afschrijving van de oortjes. Hetzelfde geldt voor de telefoon, ten aanzien waarvan de raadsvrouw ter terechtzitting ook heeft aangevoerd dat de factuur van de nieuwe telefoon en telefoonhoesje van 12 juni 2025 dateert, terwijl de diefstal van de telefoon op 11 juni 2025 heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de hoogte van de toe te wijzen bedragen voor de telefoon en de set oortjes heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de door [aangever 1] ingediende vordering tot schadevergoeding heeft de raadsvrouw primair verzocht om gevorderde schade die ziet op de gestolen sieraden af te wijzen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat alle door de benadeelde partij opgegeven sieraden in de winkel aanwezig waren en door verdachte zijn weggenomen. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om het gevorderde schadebedrag te matigen en bij het bepalen van de hoogte van het toe te wijzen bedrag gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. De gevorderde schade die ziet op de kosten voor de vervanging van de winkelruit en een noodvoorziening, het herstel van het kozijn en het herstel van de belettering op de winkelruit is wel toewijsbaar.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van [benadeelde partij]
Ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde partij] de gevorderde materiële schade heeft geleden, nu hij als eigenaar van de weggenomen goederen moet worden aangemerkt. De vordering is voldoende onderbouwd en de rechtbank zal de gevorderde schade dan ook toewijzen, met uitzondering van het gevorderde bedrag voor de set oordopjes van het merk Rolfstone Nova Sport, omdat uit de aangifte van [aangever] niet blijkt dat er twee sets oordopjes zijn weggenomen. De rechtbank is uitgegaan van het duurste paar oordopjes. Ten aanzien van de set oordopjes van het merk JBL overweegt de rechtbank dat bij de begroting van de schade ten aanzien van de weggenomen oordopjes van het merk JBL de benadeelde partij is uitgegaan van de nieuwwaarde. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met de afschrijving die leidt tot een lagere dagwaarde. In het algemeen wordt voor oordopjes tot een bedrag van € 150,00 een afschrijvingspercentage aangehouden van 33% per vol jaar. De oordopjes zijn gekocht voor € 99,00 en gelet op de afschrijving van 33% kan een bedrag van € 32,67 worden afgeschreven. De set JBL oordopjes hebben dan nog een waarde van € 66,33. De vordering van [benadeelde partij] wordt dus toegewezen tot een bedrag van € 517,32, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 11 juni 2025. De rechtbank verklaart [benadeelde partij] voor het overige bedrag niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade.
Voorzover er nog een vordering zou liggen van [aangever] wordt deze afgewezen nu [aangever] naar het oordeel van de rechtbank geen materiële schade heeft geleden.
Ten aanzien van [aangever 1]
De rechtbank stelt vast dat aan [aangever 1] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schade die ziet op de kosten voor de vervanging van de winkelruit en een noodvoorziening, het herstel van het kozijn en het herstel van de belettering op de winkelruit worden toegewezen. Deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. Hoewel de gevorderde schade die ziet op de weggenomen sieraden door de raadsvrouw is betwist, zal ook deze schadepost worden toegewezen. Deze schadepost houdt rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde. Immers zijn door verdachte sieraden uit de atelierwinkel weggenomen die een bepaalde waarde vertegenwoordigen. Het door aangeefster opgegeven aantal weggenomen sieraden (28) wijkt niet substantieel af van het aantal sieraden waarvan verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij heeft weggenomen (15 à 20). De rechtbank hecht daarbij meer waarde aan de opgave door de benadeelde partij dan aan de verklaring van verdachte. De gevorderde schade voor de weggenomen sieraden komt de rechtbank niet ongegrond voor en is voldoende onderbouwd. Het te vergoeden materiële schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 3 juni 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partijen [benadeelde partij] en [aangever 1] wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelden de opgelopen schade niet zelf hoeven te innen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van respectievelijk maximaal 5 en 60 dagen.
9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 16/098737-23
Bij de stukken bevindt zich de op 11 juni 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 16/098737-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 21 augustus 2023 van de politierechter te Lelystad, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met bevel dat van deze straf een groot gedeelte, te weten 175 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan verdachte per post is toegezonden.
De officier van justitie heeft, gelet op haar eis in de strafzaak, gevorderd om de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf af te wijzen. De raadsvrouw heeft primair eveneens verzocht om de vordering af te wijzen en subsidiair om de proeftijd te verlengen. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel afwijzen. Toewijzing van de vordering acht de rechtbank niet opportuun, omdat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren én de tbs-maatregel met voorwaarden wordt opgelegd.
De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/275602-23
Bij de stukken bevindt zich de op 11 juni 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/275602-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 2 mei 2024 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv aan verdachte per post is toegezonden.
De officier van justitie heeft, gelet op haar eis in de strafzaak, gevorderd om de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf af te wijzen. De raadsvrouw heeft primair eveneens verzocht om de vordering af te wijzen en subsidiair om de proeftijd te verlengen. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf afwijzen. Toewijzing van de vordering acht de rechtbank niet opportuun, omdat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren én de tbs-maatregel met voorwaarden wordt opgelegd.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde in zaak A, onder feit 1 (impliciet primair) en feit 2, en in zaak B heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A (feit 1, impliciet primair):
poging tot doodslag
ten aanzien van zaak A (feit 2):
diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg
ten aanzien van zaak B:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
1. Geen strafbaar feit plegen
Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2. Meewerken aan reclasseringstoezicht
Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
- Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen.
- Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
- Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
- Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.
- Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
- Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
- Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.
3. Meewerken aan time-out
Indien veroordeelde een opgelegde voorwaarde niet naleeft of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat vereist, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een time-out van veroordeelde in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een time-out indiceert, zal nadat deze time-out op vordering van het Openbaar Ministerie door de rechter-commissaris is bevolen, veroordeelde zich laten opnemen. Deze time-out duurt maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4. Niet naar het buitenland
Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5. Opname in een zorginstelling
Veroordeelde laat zich, zo lang als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen door de Forensische Verslavingskliniek van Fivoor in Rotterdam, of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6. Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door een ambulante behandelinstelling of en soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, sociale vaardigheden en schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
7. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft, zo lang als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of een soortgelijke instelling voor maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
8. Verbod verdovende middelen
Veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
9. Alcoholverbod
Veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
10. Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [aangever] , geboren op [geboortedag 2] 1995 en met [aangever 1] , geboren op [geboortedag 3] 1963.
11. Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
12. Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (zaak A, feit 2):
Wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij] , toe tot een bedrag van € 517,32 (vijfhonderdzeventien euro en tweeëndertig eurocent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 11 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van voornoemd toegewezen bedrag aan de benadeelde partij [benadeelde partij] .
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de staat € 517,32 (vijfhonderdzeventien euro en tweeëndertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 11 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing (voor zover nodig) op de vordering van de benadeelde partij [aangever] (zaak A, feit 2):
Wijst af de vordering benadeelde partij van [aangever] .
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (zaak B):
Wijst de vordering van de benadeelde partij, [aangever 1] , toe tot een bedrag van € 7.096,35 (zevenduizend zesennegentig euro en vijfendertig eurocent) aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 3 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van voornoemd toegewezen bedrag aan de benadeelde partij [aangever 1] .
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de staat € 7.096,35 (zevenduizend zesennegentig euro en vijfendertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 3 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen gijzeling. De toepassing van deze gijzeling heft de voornoemde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16/098737-23.
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/275602-23.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Oldekamp, voorzitter,
mrs. E. Biçer en C. Isitman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Pont, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juli 2026.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]