vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/343004-25
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2003,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieadres] .
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.S. Selier, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Tal, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
1. en 2: diefstal in vereniging door middel van braak op 18 november 2025;
3 en 6: poging tot diefstal door middel van braak op 20 november en 6 december 2025;
4, 5, 7 en 8: diefstal door middel van braak op 6, 9 en 10 december 2025,
telkens in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten bewezen.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte heeft bekend dat hij de persoon is op de stills met betrekking tot de feiten 2 en 4 en dat hij een aantal goederen heeft weggenomen. Verdachte heeft ontkend een mobiele telefoon bij feit 2 te hebben weggenomen. De raadsvrouw van verdachte heeft zich daarnaast ten aanzien van de feiten 5 en 6 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de overige feiten heeft de raadsvrouw erop gewezen dat het bewijs slechts steunt op herkenningen, steeds door dezelfde verbalisanten, terwijl de stills in enkele zaken van beperkte kwaliteit zijn. Ten aanzien van feit 1 is onduidelijk waarop de herkenning is gebaseerd, de kenmerken zijn niet nader gespecificeerd en weinig onderscheidend. Ten aanzien van feit 3 wordt verdachte vrijwel uitsluitend aan de kleding herkend. Ook met betrekking tot feit 7 is sprake van een algemene herkenning en onvoldoende onderscheidende kenmerken. Hetzelfde geldt voor feit 8. Ten aanzien van dat feit merkt de raadsvrouw nog op dat de kleur van de heuptas niet is vast te stellen omdat het zwart-witbeelden zijn.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van elk van de feiten neemt de rechtbank de inhoud van de aangifte als uitgangspunt. Uit deze aangiften volgt dat sprake is geweest van een (poging tot) inbraak op de desbetreffende locaties. Verdachte wordt met zeven van deze feiten in verband gebracht door middel van herkenningen en/ of vergelijkingen met de persoon die zichtbaar is op stills en camerabeelden van de locaties.
Toetsingskader
De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen en vergelijkingen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt temeer indien deze herkenningen en/of vergelijkingen het enige of voornaamste bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij de tenlastegelegde feiten kunnen aantonen.
Het is van belang een onderscheid te maken tussen herkenningen en vergelijkingen. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een ambtshalve herkenning aan de hand van afbeeldingen/beelden is onder meer van belang in hoeverre daarop voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de afbeeldingen/beelden en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken daarop. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien. Verder is van belang of de herkenning onafhankelijk tot stand is gekomen en of er sprake is van voorkennis. Uit de wetenschap volgt dat gezichten als een geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en zich goed kan herinneren.
Gezichtsvergelijkingen vinden plaats door een foto van een verdachte te vergelijken met beschikbare camerabeelden. Om de betrouwbaarheid van gezichtsvergelijkingen te kunnen toetsen, is het noodzakelijk dat degene die tot een positieve vergelijking komt, aangeeft op welke overeenstemmende onderscheidende gezichtskenmerken die vergelijking gebaseerd is, bij afwezigheid van zichtbare verschillen.
In de onderhavige strafzaak hebben de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] verdachte verhoord; [verbalisant 1] op 17 december 2025 en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op 15 december 2025. Alle drie hebben zij de beschikbare beelden bekeken. Zij hebben op een aantal van de beelden verdachte onafhankelijk van elkaar herkend en hun herkenningen neergelegd in een proces-verbaal met per feit steeds een still van de beelden ter visuele ondersteuning. Verbalisant [verbalisant 4] heeft eveneens de beschikbare beelden bekeken. Hij heeft deze beelden vergeleken met de foto’s van verdachte bij zijn aanhouding en komt op basis daarvan bij een aantal feiten tot de conclusie dat de uiterlijke kenmerken van het gezicht van de betreffende persoon op de beelden veel gelijkenissen vertonen met het gezicht van verdachte. Verbalisant [verbalisant 5] heeft de stills van de beelden bekeken en deze vergeleken met de foto’s van verdachte bij zijn aanhouding en ook hij heeft op basis daarvan bij een aantal feiten benoemd dat er gelijkenissen zijn. Zowel bij [verbalisant 4] als bij [verbalisant 5] is dus geen sprake van een herkenning, maar van een vergelijking tussen foto’s met (stills van) beelden op basis waarvan deze verbalisanten op basis van uiterlijke kenmerken tot gelijkenissen komen. Aan hun proces-verbaal is een fotobijlage toegevoegd waaruit volgt welke foto’s en welke (stills van welke) beelden zij als uitgangspunt voor hun vergelijkingen hebben genomen.
Tot slot heeft de rechtbank, mede op verzoek van de verdediging, de bewegende beelden in feit 3, 7 en 8 in raadkamer bekeken.
Feit 1 ( [persoon 3] )
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de stills van de camerabeelden en de geselecteerde still in het proces verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 3] van voldoende kwaliteit om daarop herkenningen te baseren. Op de stills is de persoon soms volledig in beeld te zien en ook het gezicht is op enig moment goed en helder zichtbaar. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] hebben verder specifieke kenmerken genoemd waaraan ze verdachte herkennen. Verbalisant [verbalisant 1] herkent verdachte als de tweede persoon die binnenkomt aan zijn smalle postuur, zijn gelaat, gezichtsbeharing en zijn grote neus. Verbalisant [verbalisant 3] herkent verdachte eveneens als de tweede persoon aan zijn gezichtsbeharing, de vorm van zijn neus en zijn lange, tengere postuur. De rechtbank is van oordeel dat door de verbalisanten voldoende specifieke en onderscheidende kenmerken zijn genoemd op basis waarvan de verdachte is herkend en acht de herkenningen betrouwbaar.
Feit 3 ( [bedrijf 1] )
De rechtbank heeft van dit feit de camerabeelden bekeken en acht die beelden van voldoende kwaliteit om daarop herkenningen te baseren en daarmee vergelijkingen te kunnen maken. Verbalisant [verbalisant 4] heeft op basis van de vergelijking tussen de beelden en de foto’s van de aanhouding gelijkenissen gezien tussen verdachte en de persoon op de beelden gelet op het slanke hoofd, de licht getinte huid, de vorm van de ogen en wenkbrauwen, de gezichtsbeharing en de oogopslag. Verder vertoont het patroon, de vorm en de details van de muts die bij verdachte is aangetroffen gelijkenissen met de muts die de persoon op de beelden draagt. Tot slot noemt de verbalisant dat de persoon op de beelden grijze handschoenen draagt met op de pols een donkere verkleuring en een witte opdruk. Precies zo’n handschoen is bij verdachte aangetroffen. De rechtbank acht gelet hierop de onderscheidende kenmerken waarop de vergelijking gebaseerd is voldoende specifiek en de vergelijkingen daarmee betrouwbaar.
Feit 5 ( [bedrijf 2] )
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de stills van de camerabeelden en de geselecteerde still in het proces verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 3] van voldoende kwaliteit om daarop herkenningen te baseren. Op de stills is de persoon soms volledig in beeld te zien en ook het gezicht is op enig moment goed en voldoende helder zichtbaar. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] hebben verder specifieke kenmerken genoemd waaraan ze verdachte herkennen. Verbalisant [verbalisant 1] herkent verdachte aan zijn smalle postuur, zijn gelaat, gezichtsbeharing en zijn smalle kaak. Verbalisant [verbalisant 3] herkent verdachte aan zijn gezichtsbeharing, de vorm van zijn neus en zijn lange, tengere postuur. De rechtbank is van oordeel dat de herkenning door de verbalisanten voldoet aan de eisen voor een betrouwbare herkenning.
Feit 6 [bedrijf 3] )
Van dit feit zijn geen beelden beschikbaar in het dossier. Wel is sprake van een aangifte namens [bedrijf 3] en door de politie gerelateerde beschadigingen aan de deur. Daarnaast zijn op de beschadigde deurstijlen bloedsporen aangetroffen. Deze bloedsporen zijn forensisch onderzocht en daarin is het DNA van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft hiervoor geen redelijke verklaring gegeven zodat de rechtbank op basis hiervan tot de vaststelling komt dat het verdachte was die heeft geprobeerd in te breken in de [bedrijf 3] .
Feit 7 ( [bedrijf 4] )
De rechtbank heeft van dit feit de camerabeelden bekeken en acht die beelden van voldoende kwaliteit om daarop herkenningen te baseren en daarmee vergelijkingen te kunnen maken. Ook de geselecteerde stills van deze inbraak in het proces verbaal van verbalisant [verbalisant 5] acht de rechtbank van voldoende kwaliteit om een vergelijking op te baseren. Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 5] volgt dat hij gelijkenissen ziet tussen de opvallend oranje buideltas en de schoenen die de persoon op de stills draagt, en de eveneens oranje buideltas en schoenen die verdachte blijkens de foto’s tijdens de aanhouding droeg. Verbalisant [verbalisant 4] beschrijft in het proces-verbaal van vergelijkingen eveneens dat de persoon op de camerabeelden een oranje buideltasje draagt en dat dat tasje qua kleur identiek is aan het buideltasje dat verdachte bij de aanhouding droeg. Ook de schoenen van de persoon op de beelden komen overeen met de schoenen die verdachte bij de aanhouding droeg, qua kleur en patroon, aldus [verbalisant 4] . De rechtbank acht gelet hierop de onderscheidende kenmerken waarop de vergelijking gebaseerd is voldoende specifiek en de vergelijkingen daarmee betrouwbaar.
Feit 8 ( [bedrijf 5] )
De rechtbank heeft van dit feit de (zwart wit) camerabeelden bekeken en acht die beelden van voldoende kwaliteit om daarop herkenningen te baseren en daarmee vergelijkingen te kunnen maken. Ook de geselecteerde stills van deze inbraak in het proces verbaal van verbalisant [verbalisant 5] acht de rechtbank van voldoende kwaliteit om een vergelijking op te baseren. Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 5] volgt dat hij op basis van een vergelijking tussen de stills van de inbraak en de foto’s van verdachte tijdens de aanhouding gelijkenissen ziet met verdachte gelet op zijn gelaatskenmerken, schoenen en jas. Verbalisant [verbalisant 4] heeft in zijn proces-verbaal van vergelijkingen omschreven dat het gezicht van de persoon op de camerabeelden van deze inbraak gelijkenissen vertoont met de foto’s van verdachte tijdens zijn aanhoudingen gelet op het smalle gezicht met lichte gezichtsbeharing in dezelfde vorm. Ook beschrijft hij dat de persoon op de beelden dezelfde soort schoenen draagt als verdachte op de foto’s omdat er gelijkenissen zijn in vorm en patroon. De rechtbank acht gelet hierop de onderscheidende kenmerken waarop de vergelijking gebaseerd is voldoende specifiek en de vergelijkingen daarmee betrouwbaar.
Feiten 2 en 4
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring op grond van de (gedeeltelijke) bekentenis van de verdachte. Hoewel de verdachte heeft ontkend dat hij de mobiele telefoon heeft weggenomen bij feit 2, gaat de rechtbank, gelet op de inhoud van de aangifte, ervan uit dat de mobiele telefoon bij de inbraak door verdachte is weggenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de aangifte te twijfelen. Evenmin is aannemelijk geworden dat de mobiele telefoon op een andere wijze is verdwenen.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1:
op 18 november 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag en een geldpotje die aan [persoon 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
ten aanzien van feit 2:
op 18 november 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een mobiele telefoon en een mobiel pinapparaat en rokersbenodigdheden die aan [naam bedrijf BV] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
ten aanzien van feit 3 primair:
op 20 november 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen die aan [bedrijf 1] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak een ruit heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van feit 4:
op 6 december 2025 te Amsterdam een geldbedrag dat aan [naam café] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
ten aanzien van feit 5:
op 6 december 2025 te Amsterdam een geldbedrag en een kassalade die aan [bedrijf 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
ten aanzien van feit 6 primair:
op 6 december 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen die aan [bedrijf 3] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak een ruit heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van feit 7:
op 9 december 2025 te Amsterdam een kassalade en een geldbedrag die aan [bedrijf 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
ten aanzien van feit 8:
op 10 december 2025 te Amsterdam een kassalade en een geldbedrag die aan [bedrijf 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
5 Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8 Motivering van de straffen en maatregelen
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van voorarrest.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich in korte tijd, iets meer dan drie weken, schuldig gemaakt aan zes bedrijfsinbraken en twee pogingen daartoe. Feiten als de onderhavige veroorzaken naast financiële schade ook veel hinder en overlast. Dat heeft verdachte ondergeschikt gemaakt aan zijn drang naar geldelijk gewin. Een en ander is te ernstig om af te doen met een straf gelijk aan het voorarrest, zoals door de raadsvrouw verzocht.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 februari 2026 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 14 april 2026. Daarin staat dat verdachte sinds 28 augustus 2025 geen verblijfsrecht in Nederland meer heeft en sindsdien in een neerwaartse spiraal is beland. Hij raakte zijn inkomen kwijt en werd gevoeliger voor negatieve beïnvloeding.
De reclassering schrijft verder dat verdachte beschikt over een steunend familiair netwerk, vooral zijn moeder. De rechtbank ziet dit bevestigd in de aanwezigheid van moeder op de zitting. Hij zou afstand hebben genomen van zijn negatief sociaal netwerk. De reclassering ziet geen mogelijkheden voor interventies omdat verdachte geen verblijfsrecht meer heeft.
Ter zitting heeft verdachte zich schuldbewust getoond, althans voor de twee inbraken die hij bekent. Hij heeft nadrukkelijk verklaard niet te zullen recidiveren. Daarin maakte hij op de rechtbank een authentieke indruk.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen van negen maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Onttrekking aan het verkeer
De officier van justitie heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een vlindermes (goednummer 6749651), dat aan verdachte toebehoort, onttrokken dient te worden aan het verkeer. De officier van justitie heeft daarmee – zonder verdachte het voorhanden hebben hiervan ten laste te leggen – onttrekking aan het verkeer gevorderd. Het mes heeft echter geen relatie met de ten laste gelegde feiten (een en ander zoals bedoeld in artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht (Sr)). Ook kunnen zij niet in relatie komen te staan met soortgelijke feiten (een en ander bedoeld in artikel 36d Sr). Onttrekking aan het verkeer is om die reden als beslissing in dit vonnis niet mogelijk. Aan de andere kant kan de rechtbank dit mes bezwaarlijk aan verdachte teruggeven, alleen al omdat de verdachte bij het in ontvangst nemen direct een strafbaar feit begaat. De enige verantwoorde beslissing die de rechtbank kan nemen, is bewaring van het mes ten behoeve van de rechthebbende (artikel 353, tweede lid, onder c, van het wetboek van Strafvordering (Sv)). Het Openbaar Ministerie kan dan een vordering tot onttrekking aan het verkeer indienen (artikel 552f Sv) dan wel te zijner tijd, wanneer de daarvoor gestelde bewaartermijn is verstreken, alsnog een beslissing nemen met betrekking tot dit voorwerp, die erop neerkomt dat het mes alsnog aan het verkeer zal worden onttrokken. .
Verbeurdverklaring
Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: X9 Pro Max – Fatbike (goednummer BZAV7887), dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het bewezen geachte is begaan. Het standpunt van de raadsvrouw dat bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten door verdachte mogelijk een andere fatbike zou zijn gebruikt is niet aannemelijk geworden zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat
Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
[persoon 3]
De benadeelde partij [persoon 3] vordert € 481,77 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit een bedrag van € 150 aan gemaakte schoonmaakkosten en een bedrag van € 331,77 aan gemaakte kosten voor het herstel van de ruit en de deur. Ter onderbouwing van die post heeft de benadeelde partij een factuur overgelegd van [glaszetbedrijf] . Hieruit volgt dat het gevorderde bedrag inclusief € 57,58 BTW is.
De benadeelde partij heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering passend is en, na aftrek van de BTW, toewijsbaar is.
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen omdat door de benadeelde partij onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat zij voor deze schade niet verzekerd is, terwijl een dergelijke verzekering wel gangbaar is. Verzocht wordt om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen omdat de benadeelde partij een ondernemer is.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding voor de ruitschade toewijzen omdat dit door de benadeelde partij door middel van de overgelegde factuur voldoende is onderbouwd. De berekende en tevens gevorderde BTW komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat de benadeelde partij die als ondernemer kan verrekenen. De rechtbank zal dit deel van de schadepost, ter hoogte van € 57,58 dan ook afwijzen. Nu concrete aanwijzingen in het dossier dat de benadeelde partij (wel) verzekerd zou zijn voor de gevorderde schade ontbreken, zal de rechtbank aan de (blote) stelling van de verdediging dat dit eventueel anders zou kunnen zijn verder voorbij gaan. Ten aanzien van de gevorderde schoonmaakkosten van € 150 overweegt de rechtbank dat onvoldoende is onderbouwd dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 274,19 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
De verdachte is naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
[persoon 1] ( [bedrijf 1] )
De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 227,69 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat volgens de benadeelde partij uit het door hem betaalde bedrag aan eigen risico als gevolg van de door zijn verzekeraar uitgekeerde kosten voor het herstel van de ruit. Ter onderbouwing heeft de benadeelde partij een factuur overgelegd van [glaszetbedrijf BV] Hieruit volgt een totaalbedrag voor het herstel van de schade van € 447,63 (inclusief BTW van € 77,69).
De benadeelde partij heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering passend is en na aftrek van de BTW, toewijsbaar is zodat een bedrag resteert van € 150.
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen omdat door de benadeelde partij geen bewijs is overgelegd van het te betalen eigen risico. Verzocht wordt verder om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen omdat de benadeelde partij een ondernemer is.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Blijkens de overgelegde factuur heeft de verzekeraar van de benadeelde partij aan [glaszetbedrijf BV] de kosten van herstel van de ruit betaald, maar wordt de benadeelde partij nog een bedrag van € 227,69 door [glaszetbedrijf BV] in rekening gebracht omdat de verzekeraar de factuur heeft voldaan met uitzondering van het eigen risico van € 150 en zonder de doorberekende BTW van € 77,69 . Die beide bedragen bij elkaar opgeteld komen neer op het aan de benadeelde partij gefactureerde – en in dit geding gevorderde - bedrag van € 227,69. De rechtbank overweegt dat de gevorderde schadevergoeding vanwege het in mindering gebrachte bedrag aan eigen risico, met de overgelegde factuur voldoende is onderbouwd. De gevorderde BTW komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat de benadeelde partij die als ondernemer kan verrekenen. De rechtbank zal dit deel van de schadepost, ter hoogte van € 77,69 dan ook afwijzen. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 150 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
[persoon 2] ( [bedrijf 2] )
De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 2.205,00 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
De omstandigheid dat de benadeelde partijen ondernemingen drijven, staat niet aan oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in de weg. Nu de schade rechtstreeks is veroorzaakt door de bewezenverklaarde feiten en de verdachte daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk is, zal - anders dan door verdediging om verzocht - in het belang van [persoon 3] en [persoon 1] voornoemd, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemden, de maatregel van artikel 36f Sr verdachte worden opgelegd.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
ten aanzien van feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
ten aanzien van feit 3 en feit 6:
telkens poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
ten aanzien van feit 4 en feit 5:
telkens diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
ten aanzien van feit 7 en feit 8:
telkens diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart verbeurd: een X9 Pro Max – Fatbike (goednummer BZAV7887)
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 3] toe tot een bedrag van € 274,19 (tweehonderd vierenzeventig euro en negentien eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van de post ‘schoonmaakkosten’.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3] aan de Staat € 274,19 (tweehonderd vierenzeventig euro en negentien eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (18 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] toe tot een bedrag van € 150,-- (honderd en vijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat € 150,-- (honderd en vijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart [persoon 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. van Galen, voorzitter,
mrs. P. Sloot en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.