ECLI:NL:RBAMS:2026:6368

Datum uitspraak
24-06-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/13/774778 / HA ZA 25-1428
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Gedaagde wordt als borg aangesproken en moet leningen terugbetalen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/774778 / HA ZA 25-1428

Vonnis van 24 juni 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende in [woonplaats 1],

eiser,

verwerende partij van de tegenvordering (in reconventie),

advocaat: mr. S. van Solkema,

tegen

[gedaagde] ,

wonende in [woonplaats 2],

gedaagde,

eiser van de tegenvordering (in reconventie)

advocaat: mr. J.P.F.R. Bugter.

De rechtbank noemt partijen hierna [eiser] en [gedaagde].

1 De procedure

1.1.

In het dossier zitten:

- de dagvaarding van 20 augustus 2025 met producties,

- de conclusie van antwoord met daarin een voorwaardelijke tegenvordering, met producties,

- de akte tot referte van [eiser],

- de aanvullende producties van [eiser],

- het tussenvonnis van 28 januari 2026 waarin de rechtbank de mondelinge behandeling heeft bepaald,

- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling.

1.2.

De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat zij vandaag uitspraak doet.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] was tot 13 mei 2024 enig bestuurder van [bedrijf] (Nederland) B.V. (hierna: [bedrijf]). Hij heeft namens [bedrijf] verschillende geldleningsovereenkomsten gesloten waarbij zij hebben afgesproken dat [eiser] tegen betaling van rente geld leent aan [bedrijf]. Als zekerheid hebben zij opgenomen dat [gedaagde] zich persoonlijk garant stelt voor de aflossing van de

leningen. Het gaat om de volgende overeenkomsten:

  1. de geldleenovereenkomst van 28 december 2020 waarbij € 180.000 is geleend;

  2. de geldleenovereenkomst van 26 mei 2021 waarbij € 269.100 is geleend;

  3. de geldleenovereenkomst van 25 april 2023 waarbij € 90.000 is geleend.

2.2.

Ten slotte hebben [eiser] en [bedrijf] op 8 maart 2024 een geldleningsovereenkomst gesloten waarbij zij hebben afgesproken dat [eiser] tegen betaling van rente € 180.000 leent aan [bedrijf]. Daarin staat verder dat [gedaagde] hoofdelijke aansprakelijkheid aanvaardt voor nakoming van de verplichtingen uit deze geldleningsovereenkomst en de leningen genoemd in 2.1.

2.3.

Over de aflossing van de lening en de verschuldigde rente hebben [eiser] en [bedrijf] afgesproken dat de lening en de daarover verschuldigde rente van 3% per jaar uiterlijk op 31 mei 2024 door [bedrijf] moet zijn afgelost en betaald. Dat is niet gebeurd.

2.4.

[eiser] heeft met toestemming van deze rechtbank conservatoir beslag gelegd op een voor de helft aan [gedaagde] toebehorende onroerende zaak, derdenbeslag op huurpenningen die aan hem verschuldigd zijn en op de certificaten van aandelen die hij houdt in [bedrijf].

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank:

[gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen:

  1. € 800.676,55 (€ 719.100,- aan hoofdsom + € 74.496,28 aan rente tot 15 juli 2025 + € 7.080,27 aan beslagkosten),

  2. de wettelijke rente over € 793.596,28 vanaf 15 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening,

  3. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[eiser] verzoekt dat de rechtbank daarbij bepaalt dat het vonnis ook moet worden uitgevoerd als hoger beroep wordt ingesteld.

3.2.

[eiser] stelt dat hij vier geldleningsovereenkomsten is aangegaan met [bedrijf] en dat [bedrijf] haar verplichtingen uit de overeenkomsten niet nakomt. Uit de geldleenovereenkomst van 8 maart 2024 volgt dat [gedaagde] hoofdelijke aansprakelijkheid heeft aanvaard voor de verplichtingen van [bedrijf] voortvloeiende uit genoemde overeenkomsten. Omdat [bedrijf] haar verplichting tot terugbetaling van de lening plus rente niet nakomt, heeft [eiser] [gedaagde] aangesproken als borg. [gedaagde] heeft tot op heden niets betaald en moet dat alsnog doen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer, waarop de rechtbank hierna ingaat.

de voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagde]

3.4.

[gedaagde] vordert - samengevat – opheffing van het beslag in het geval de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

3.5.

[eiser] voert hiertegen geen verweer.

4. De beoordeling

ten aanzien van de vordering van [eiser]

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] de leningen van [eiser] aan [bedrijf] moet terugbetalen met rente. Dit zijn daarvoor de redenen.

4.2.

In de leningsovereenkomst van 8 maart 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] afgesproken dat [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk is voor alle verplichtingen uit de leningsovereenkomsten die zij hebben gesloten. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij deze overeenkomst zelf heeft opgesteld en erkend dat hij deze afspraak heeft gemaakt met [eiser], zodat dit vaststaat.

4.3.

[eiser] spreekt [gedaagde] aan op grond van de borgstelling. De rechtbank overweegt dat de borg kan worden aangesproken als de hoofdschuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten. Dat is in dit geval zo. De leningsovereenkomsten tussen [eiser] en [bedrijf] zijn geëindigd en [eiser] heeft de leningen opgeëist bij [bedrijf]. [bedrijf] heeft echter tot op heden de leningen niet terugbetaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] erkend dat de leningen opeisbaar zijn en dat [bedrijf] de leningen niet terugbetaalt. [gedaagde] kan dus voor terugbetaling van de leningen worden aangesproken als borg.

Geen dwang of dwaling

4.4.

Het verweer van [gedaagde] dat hij onder dwang/ druk akkoord is gegaan met de borgstelling gaat niet op. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling meegedeeld dat [eiser] hem niet onder druk heeft gezet om de leningsovereenkomsten aan te gaan onder de voorwaarde dat hij zich borg zou stellen voor de leningen.

4.5.

Ook het verweer dat [gedaagde] zou hebben gedwaald slaagt niet. Hij heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat [eiser] relevante informatie of inlichtingen heeft achtergehouden of foutieve informatie heeft gegeven aan [gedaagde] bij het sluiten van de leningsovereenkomsten.

4.6.

De rechtbank wijst daarom de gevorderde hoofdsom toe.

Rente

4.7.

Partijen hebben afgesproken dat de borg aangesproken kan worden voor de overeengekomen contractuele rente. De rechtbank wijst daarom dit deel van de vordering ook toe. De gevorderde wettelijke rente vanaf 15 juli 2025 wordt ook toegewezen.

[gedaagde] moet de beslagkosten van [eiser] betalen

4.8.

[eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde] ook veroordeelt tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Uit het oordeel van de rechtbank dat [eiser] [gedaagde] rechtsgeldig heeft aangesproken als borg volgt namelijk dat het beslag terecht is gelegd.

De beslagkosten zijn:

- griffierecht (beslagrekest) € 331,-

- kosten beslaglegging € 4.994,65

- advocaatkosten € 653,- (1,0 punt × € 653,-)

Totaal € 5.978,65

[gedaagde] moet ook de proceskosten van [eiser] betalen

4.9.

[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van [eiser] op:

- dagvaarding € 144,47

- griffierecht € 2.392,-

- salaris advocaat € 7.446,- (2 punten × tarief VII € 3.723)

- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 10.171,47

4.10.

De rechtbank wijst ten slotte de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten ook toe.

ten aanzien van de tegenvordering

4.11.

De rechtbank komt niet aan de tegenvordering toe omdat deze is ingesteld onder voorwaarde dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

ten aanzien van de vordering van [eiser]

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:

- € 719.100,- aan hoofdsom,

- € 74.496,28 aan contractuele rente tot 15 juli 2025,

- de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 793.596,28 vanaf 15 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten van € 5.978,65;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 10.171,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst de vordering verder af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. D.K.W. Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »