ECLI:NL:RBAMS:2026:10191

Datum uitspraak
15-10-2026
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Zaaknummer
13-228392-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Executie-EAB Polen. Overlevering toegestaan. Artikel 7 OLW. Feiten zijn dubbel strafbaar. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Barczewo. Verweer raadsvrouw verworpen. Er zijn geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat de rechtbank in 2025 heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen reëel gevaar voor veroordeelde gedetineerden in Polen in zijn algemeenheid dan wel voor veroordeelde gedetineerden die in de detentie-instelling in Barczewo worden geplaatst.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-228392-26

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 14 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1

Dit EAB is uitgevaardigd op 1 juli 2026 door de Sąd Okręgowy w Opolu (the Regional Court in Opole), Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] (Polen),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. Y. Finani, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Nusa van 9 juni 2020 met kenmerk II K 1083/19.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, negen maanden en elf dagen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.3

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

5 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.4

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

mishandeling.

6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.5 Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.

Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.6

7 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Barczewo

7.1

Standpunten van partijen

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft verzocht om de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aan te houden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit informatie te vragen waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden geplaatst, wat de detentieomstandigheden in die penitentiaire inrichting zijn en of plaatsing in de detentie-instelling in Barczewo kan worden uitgesloten. Hoewel de rechtbank eerder heeft geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van veroordeelden die een gevangenisstraf moeten ondergaan in Barczewo7, heeft de raadsvrouw betoogd dat voor de opgeëiste persoon nu niet, zonder nader onderzoek, kan worden uitgesloten dat hij in de detentie-instelling in Barczewo terecht komt en aldaar een reëel gevaar loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. De rechtbank beschikte blijkens voormelde uitspraak destijds – in februari 2025 – niet over voldoende objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens om ten aanzien van de detentie-instelling in Barczewo een algemeen reëel gevaar aan te nemen. Daarbij was van belang dat uit de aanvullende informatie bleek dat naar aanleiding van de gestelde misstanden maatregelen waren getroffen en strafrechtelijk onderzoek was ingesteld naar mogelijk misbruik door gevangenismedewerkers in Barczewo. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat inmiddels sprake is van nieuwe informatie. Zij heeft daarbij verwezen naar een (online en onvertaald) rapport van de Poolse Ombudsman in de Senaatscommissie voor Mensenrechten en Rechtsstaat van 29 mei 2026, en heeft betoogd dat dit rapport aanleiding geeft de eerdere beoordeling te heroverwegen.8 Uit het rapport blijkt namelijk dat nog steeds gevallen voorkomen van onjuiste behandeling van gevangenen in Poolse penitentiaire inrichtingen, in het bijzonder door te vergaande repressieve maatregelen. Na openbaarmaking van het in 2022 verschenen NMPT-rapport hebben zich meerdere gedetineerden gemeld, die eveneens hebben verklaard over hun ervaringen in Barczewo. De Poolse Ombudsman heeft expliciet aandacht gevraagd voor de actuele situatie in de detentie-instelling in Barczewo die hij zeer verontrustend noemt. Het strafrechtelijke onderzoek dat het Poolse Openbaar Ministerie naar aanleiding van de vele meldingen over misstanden in Barczewo had ingesteld, heeft drie jaar gelopen en is geseponeerd. Tegen die sepotbeslissingen hebben benadeelden rechtsmiddelen ingesteld, die eind mei 2026 nog liepen. De afwikkeling van het onderzoek wordt door de Poolse Ombudsman als zeer verontrustend gekwalificeerd.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie staat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg. Er is geen sprake van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van veroordeelden die in Polen in een tenuitvoerleggingsregime in de gevangenis terechtkomen. De raadsvrouw heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat de rechtbank eerder heeft geoordeeld, nu wel sprake is van een algemeen gevaar voor veroordeelde gedetineerden in Polen, met name als veroordeelden in de detentie-instelling van Barczewo terecht komen. Het rapport van de Poolse Ombudsman uit mei 2026 laat weliswaar zien dat er zorgen bestaan over de afhandeling van klachten over de situatie in Barczewo, maar daaruit blijkt ook dat de situatie in algemene zin is verbeterd. Dat zich na het verschijnen van het rapport uit 2022 meerdere gedetineerden zich hebben gemeld met klachten over die detentie-instelling, doet daar niet aan af.

7.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die een gevangenisstraf moeten ondergaan in de detentie-instelling in Barczewo in Polen.9

De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat de rechtbank in 2025 heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen gevaar voor veroordeelde gedetineerden in Polen in zijn algemeenheid dan wel voor veroordeelde gedetineerden die in de detentie-instelling in Barczewo geplaatst worden. Weliswaar heeft de raadsvrouw verwezen naar een rapport van de Poolse Ombudsman, maar zij heeft daarbij volstaan met een verwijzing naar een Poolse website zonder het – vertaalde – rapport van de Poolse Ombudsman over te leggen. De rechtbank acht deze enkele verwijzing daarom onvoldoende. De rechtbank beschikt ook niet ambtshalve over gegevens waaruit naar voren komt dat de situatie in de detentie-instelling in Barczewo inmiddels is verslechterd.

Nu geen sprake is van een dergelijk algemeen reëel gevaar, is de rechtbank niet gehouden om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over in welke penitentiaire inrichting de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden geplaatst. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

8 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy w Opolu (the Regional Court in Opole), Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door:

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »