RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-242056-25
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 7 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 augustus 2025 door de Circuit Court in Poznań, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] ,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 september 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.2
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een judgment of 2 May 2023 of the District Court in Gostyń in Case No. II K 263/22, welk vonnis in stand is gelaten bij een judgment of 24 October 2023 of the Circuit Court in Poznań in Case No. IV Ka 778/23.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 364 dagen.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.3
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsman
(noot rechtbank: e rechtbank heeft bij deze weergave getracht het standpunt van de raadsman zoveel als mogelijk in letterlijke bewoordingen weer te geven).
Als de opgeëiste persoon een gemachtigd advocaat heeft, maar er zelf niet is, dan zou kunnen worden verwacht dat de Poolse rechter een bevel medebrenging uitvaardigt. Dat is precies waar het over gaat in artikel 12 OLW, aldus de raadsman. Dat artikel gaat ook over de rechterlijke autoriteit, en als de rechter meent dat de opgeëiste persoon moet verschijnen, dan kan de rechter een bevel medebrenging uitbrengen en dat is in dit geval niet gebeurd. Op dat moment was er dus geen urgentie om de opgeëiste persoon in detentie te plaatsen en nu is dat wel zo want er ligt een EAB, een bevel, en daar moet uitvoering aan worden gegeven. De opgeëiste persoon moet nu dus wel met een bevel worden vastgezet en dus moet sprake zijn van een “toewijzing”. Maar als je geen toewijzing hebt kun je niets toetsen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De opgeëiste persoon is in hoger beroep vertegenwoordigd door een gemachtigd raadsman. Verder kan de opgeëiste persoon worden geacht op de hoogte te moeten zijn geweest van de tijd en plaats van de zitting. De opgeëiste persoon heeft namelijk een adresinstructie gehad waarbij hij een adres heeft doorgegeven, de oproep is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres en de opgeëiste persoon heeft geen adreswijziging doorgegeven toen hij naar Nederland is vertrokken, zodat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht, onnavolgbaar is. De rechtbank ziet niet in hoe zijn standpunt in het kader van artikel 12 OLW past of onder één van de in het Kaderbesluit en/of de Overleveringswet opgesomde weigeringsgronden dan wel onder de in de jurisprudentie van het HvJ EU bedoelde uitzonderlijke omstandigheden valt, zodat het verweer buiten het door de rechtbank te volgen toetsingskader valt. De rechtbank zal het verweer daarom onbesproken laten.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.4 De rechtbank zal daarom de beslissing van the Circuit Court in Poznań van 24 oktober 2023 toetsen aan artikel 12 OLW.
Uit het dossier en verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om in hoger beroep zijn verdediging te voeren en dat de advocaat tijdens het proces de verdediging daadwerkelijk heeft gevoerd. Bij de vaststelling of de opgeëiste persoon op de hoogte was van het van het voorgenomen proces dient, gelet op het Khuzdar-arrest,5 voldaan te worden aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Het HvJ EU benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces.6
Het feit dat de opgeëiste persoon niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld betekent niet noodzakelijkerwijs dat de voorwaarde dat de opgeëiste persoon van het tijdstip en de plaats van het proces is kennis moet zijn gesteld niet is vervuld. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarde is voldaan moet bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving van de terechtzitting aan de bij verstek veroordeelde persoon enerzijds en aan de zorgvuldigheid die deze persoon heeft betracht om de aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen anderzijds. Wanneer uit duidelijke en objectieve aanwijzingen blijkt dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, met opzet vermijdt dat hij officieel in kennis wordt gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, kan die persoon worden geacht aan de voorwaarde te voldoen, mits de bevoegde nationale autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de opgeëiste persoon te lokaliseren en hem in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van zijn proces.7
Uit het dossier en verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidend onderzoek een adresinstructie heeft gehad en dat hij ten behoeve van de procedure een adres heeft opgegeven. De oproep is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis hiervan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon rechtstreeks in kennis is gesteld als bedoeld in het Khuzdar-arrest. Daarnaast is niet gebleken van duidelijke en objectieve aanwijzingen dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, met opzet heeft vermeden dat hij officieel in kennis werd gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW doet zich daarom niet voor.
De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidend onderzoek een adresinstructie heeft gekregen, waarbij hij een adres heeft opgegeven. De oproep is vervolgens gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. De opgeëiste persoon een raadsman gemachtigd om hem te verdedigen. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij, toen hij naar Nederland is vertrokken, geen adreswijziging aan de Poolse autoriteiten heeft doorgegeven. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten oplevert. Nu de opgeëiste persoon zijn advocaat heeft gemachtigd had het op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat of de Poolse autoriteiten over de datum van de zitting. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren.
5 Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.8
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
medeplegen van poging tot zware mishandeling.
6 Artikel 11 OLW
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.9 Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.10
Detentieomstandigheden
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. Momenteel is er geen informatie beschikbaar over de plaats waar de opgeëiste persoon na overlevering zal worden gedetineerd. Die informatie is wel nodig indachtig de richtlijn Rec. EU 2023, 681, 8-12-2022 Publicatieblad van de EU, nr L 86/44. Op grond van deze richtlijn moet door de lidstaten kunnen worden getoetst of in de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd de sociale resocialisatie het beste kan plaatsvinden. Ook kan zo worden bezien of geen sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling in die detentie-instelling.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. In het arrest van 5 april 2016 (ECLI:EU:C:2016:198, Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Hof van Justitie vooropgesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, dient de rechtbank te beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
Door de rechtbank is reeds eerder geoordeeld dat het CPT-rapport van 22 februari 2024 geen gegevens bevat die duiden op een reëel gevaar dat personen - zoals de opgeëiste persoon - die in Polen een gevangenisstraf moeten ondergaan, onmenselijk of vernederend worden behandeld zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Gelet op het voorgaande wordt niet toegekomen aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling in detentie bestaat. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de plaats waar en de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting zal worden gedetineerd. Ook is dergelijke informatie niet vereist voor ander te nemen beslissingen in deze overleveringsprocedure.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de “richtlijn” waarnaar door de raadsman is verwezen, geen richtlijn maar een aanbeveling11 betreft. De rechtbank overweegt dat de aanbeveling geen rechtstreekse werking heeft, zodat het lidstaten niet direct verplicht om te onderzoeken of aan deze aanbeveling is voldaan. De aanbeveling biedt in het kader van de overleveringsprocedure bovendien geen grondslag om hierover navraag te doen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Geplaatst in het kader van artikel 11 OLW, komt de vraag waar de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst pas aan de orde indien een algemeen en reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank merkt op, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraken van onder meer 8 mei 2025,12 dat door haar reeds is geoordeeld dat het CPT-rapport van 22 februari 2024 geen gegevens bevat die duiden op een reëel gevaar dat personen - zoals de opgeëiste persoon - die in Polen een gevangenisstraf moeten ondergaan, onmenselijk of vernederend worden behandeld zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. De rechtbank beschikt ook overigens niet over dergelijke gegevens. De rechtbank verwerpt het verweer en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen aan de Poolse autoriteiten te stellen.
7 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8 Toepasselijke wetsbepalingen
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Circuit Court in Poznań, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E. van den Brink, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.