vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/111776-26 (zaak A) en 13/109519-26 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 1 oktober 2026 (Promis)
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[BRP-adres],
thans gedetineerd te: [Penitentiaire Inrichting].
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Tal, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
in zaak A
1. primair: een poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 1] en subsidiair een mishandeling van [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1]) op 13 april 2026 in Amsterdam;
2. een mishandeling van [benadeelde partij 2] (hierna [benadeelde partij 2]) op 13 april 2026 in Amsterdam;
3. een vernieling van een raam, elektriciteitskabels, deur, bedieningspaneel van een lift van een appartementencomplex op 12 april 2026 in Amsterdam;
in zaak B
1. een vernieling van een ruit en plantenbank van [bedrijfsnaam] en/of [benadeelde partij 3] op 12 april 2026 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de (primaire) ten laste gelegde feiten in de zaken A en B.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Zaak A
Feit 1, primair
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 13 april 2026 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, een poging tot zware mishandeling, en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte aan [benadeelde partij 1] van achteren een trap heeft gegeven waardoor die [benadeelde partij 1] ten val is gekomen. [benadeelde partij 1] zat op dat moment met zijn knieën op de grond. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] toen met geschoeide voet een harde trap in zijn gezicht gegeven. Hierdoor is bij [benadeelde partij 1] een gebroken neus en een gebroken tand ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is door het handelen van verdachte, de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontstaan en heeft [benadeelde partij 1] deze kans bewust aanvaard. [benadeelde partij 1] lag immers op de grond toen hij een krachtige trap met geschoeide voet in zijn gezicht kreeg. Een trap tegen het hoofd met deze impact, alhoewel eenmalig, kan naar het oordeel van de rechtbank ernstig en blijvend letsel opleveren. De rechtbank komt dus tot een bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 1].
Feit 2
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [benadeelde partij 2]. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.
Feit 3
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een vernieling op 12 april 2026 in Amsterdam. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.
Zaak B
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een vernieling op 12 april 2026 van de ruit en bloempot van [bedrijfsnaam] in Amsterdam. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de
hiervoor genoemde bewijsmiddelen van de zaak A en B niet uitgewerkt, maar opgesomd in bijlage II.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1op 13 april 2026 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- die voornoemde [benadeelde partij 1] heeft getrapt ten gevolge waarvan die [benadeelde partij 1] ten val kwam en op zijn knieën kwam te zitten en
- vervolgens terwijl die [benadeelde partij 1] op de grond zat die [benadeelde partij 1] met kracht en met geschoeide voet in het gezicht heeft getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2op 13 april 2026 te Amsterdam [benadeelde partij 2] heeft mishandeld, door die voornoemde [benadeelde partij 2] tegen het hoofd en de rug en de pols, te slaan;
3op 12 april 2026 te Amsterdam, in een appartementencomplex gelegen aan de [adres], opzettelijk en wederrechtelijk
- een raam en
- een buis met daarin elektriciteitskabels en
- een deur en
- een bedieningspaneel van een lift,
die aan [Stichting] toebehoorde heeft vernield;
In zaak B
op 12 april 2026 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit en plantenbak, die aan [bedrijfsnaam] toebehoorde heeft vernield.
5 De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6 De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 1 primair, 2 en 3 en in zaak B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 250 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 33 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit aan verdachte geen langere straf op te leggen dan hij momenteel reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, nu hij sterk, dan wel enigszins verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van de feiten. Verdachte heeft verder baat bij een intensieve behandeling. De raadsvrouw heeft verzocht om te volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest, met een voorwaardelijk strafdeel en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten, te weten een poging tot zware mishandeling, een mishandeling en twee vernielingen. Dit zijn vervelende en hinderlijke feiten die voor schade bij de slachtoffers hebben gezorgd. Volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geldt voor de poging tot zware mishandeling enkele maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, terwijl voor de overige feiten een geldboete wordt genoemd.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor een geweldsmisdrijf is veroordeeld. Verder volgt uit het reclasseringsadvies van 10 september 2026 dat verdachte meent dat hij ten tijde van de feiten in een psychose verkeerde. Verdachte is bekend met psychotische episodes en schizofrenie. De familie van verdachte steunt hem, maar verdachte heeft zijn psychiatrische problematiek niet altijd voldoende erkend en is hij medicatieontrouw. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen, namelijk: een meldplicht, een opname in een zorginstelling en een ambulante behandeling met mogelijkheid tot een kortdurende opname.
De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat verdachte kampt met psychiatrische problematiek in de vorm van psychotische episodes en schizofrenie. Uit het NIFP-trajectconsult volgt dat een psychiatrisch PJ-onderzoek werd geadviseerd om zicht te verkrijgen op eventuele psychopathologie en de mogelijke invloed daarvan op het tenlastegelegde. Hoewel het psychiatrisch onderzoek was aangevraagd in de aanloop naar de inhoudelijke behandeling, is vanwege de lange wachttijden uiteindelijk door het Openbaar Ministerie toch ingezet op het aanvragen van een zorgmachtiging. Hierdoor hebben de deskundigen in deze strafzaak niet gerapporteerd over eventueel aanwezige stoornissen en de doorwerking daarvan op de ten laste gelegde feiten. Desalniettemin ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een verminderde toerekeningsvatbaarheid bij verdachte gelet op het volgende. Verdachte is bekend met schizofrenie en psychotische episodes. Voor de incidenten in april was verdachte voor een langere tijd verdwenen naar het buitenland en uit informatie volgt dat hij door verschillende Europese landen heeft ‘rondgezworven’. Toen hij in april terugkeerde naar zijn woning hebben getuigen verdachte gezien en omschreven als iemand die niet goed voor zichzelf zorgde. Dit volgt ook uit de eigen verklaring van verdachte. Tijdens de inhoudelijke behandeling van 17 september 2026 leek het beter te gaan met verdachte nu hij zijn medicatie regelmatig neemt en een stabiele omgeving heeft. Verdachte verblijft tijdens zijn voorarrest namelijk in het PPC waar hij zijn noodzakelijke medicatie inneemt. Dit alles samen maakt dat de rechtbank de aanwezigheid van (een) stoornis(sen) bij verdachte aannemelijk vindt, dat deze aanwezig waren ten tijde van de feiten en ook dat dit heeft doorgewerkt in de hierboven bewezen verklaarde feiten.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op het moment van de uitspraak zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft uitgezeten. Wel vindt de rechtbank dat aan verdachte ook een voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd met de daarbij geadviseerde bijzondere voorwaarden van de reclassering, nu hij baat heeft bij een intensieve behandeling en begeleiding om zijn leven weer op de rit te krijgen. De rechtbank legt daarom op een gevangenisstraf voor de duur van 171 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 19 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Dadelijk uitvoerbaarheid
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op de psychische problematiek van verdachte en een daarbij behorende behandeling (waaronder toezicht op het innemen van medicatie), is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder behandeling wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Zorgmachtiging
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte in de zaak met rekestnummer 26/7019, welk rekest tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) is verleend.
Voorlopige hechtenis
Hoewel verdachte op de dag van de uitspraak de gevangenisstraf reeds heeft uitgezeten, ziet de rechtbank aanleiding om de voorlopige hechtenis van verdachte niet op te heffen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een door de strafrechter afgegeven zorgmachtiging in de zin van artikel 2.3 Wet Forensische Zorg valt aan te merken als een maatregel in de zin van artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 11 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2258).
8 De vordering benadeelde partij
De benadeelde partij [bedrijfsnaam] (ingediend door [benadeelde partij 3]) vordert €831,51 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B, feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 500,-, nu rekening gehouden moet worden met een bedrag exclusief btw. Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 12 april 2026.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Nu [bedrijfsnaam] een eenmanszaak betreft, ziet de rechtbank wel aanleiding om in het belang, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan verdachte op te leggen.
9 Toepasselijke wettelijke voorschriften
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
In zaak A, feit 1 primair:
poging tot zware mishandeling
In zaak A, feit 2:
mishandeling
In zaak A, feit 3 en zaak B, feit 1:
telkens: vernieling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 171 (honderdeenenzeventig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, 19 (negentien) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1 Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
2 Opneming in een zorginstelling
Dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd voor maximaal een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door forensisch psychiatrische kliniek Heiloo of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en agressiebeheersing. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
We hebben veroordeelde inmiddels aangemeld voor de klinische opname bij DIZ. Er is nog geen kliniek gevonden.
3 Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een
indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
De vordering benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van materiële, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 12 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [bedrijfsnaam] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [bedrijfsnaam] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 12 april 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.A. Segbedzi, voorzitter,
mrs. P. Sloot en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. van den Berg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 oktober 2026.
[…]
[…] […]
[…] […]
[…] […]
[…]