GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202600216
Vonnis in incident tot zekerheidsstelling van 31 augustus 2026
in de zaak van
[eiser], domicilie gekozen bij zijn gemachtigden, eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna: [eiser], gemachtigden: mrs. K.A. Doekhi en P.R Fa Si Oen,
tegen
1 [gedaagde],
wonende in Curaçao,
hierna: [gedaagde],
2. LMS (LEGAL & MANAGEMENT SOLUTIONS) B.V.,
gevestigd in Curaçao,
hierna: LMS,
Bijkerk en LMS gezamenlijk: [gedaagde c.s.],
gemachtigde voor [gedaagde c.s.]: mr. U van Bemmelen, 3. DE STICHTING BELANGBEHARTIGEN GEDUPEERDEN ONLINE KANSSPELEN,
gevestigd in Curaçao,
hierna: SBGOK, gemachtigde: mr. A.J. de Winter,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident.
1 Het procesverloop
Het procesverloop in de hoofdzaak en in het incident blijkt uit:
-
het verzoekschrift van 20 januari 2026, met producties,
-
de incidentele conclusie tot stellen zekerheid ex artikel 122 Rv van
20 april 2026 van de zijde van [gedaagde c.s.],
- de incidentele conclusie tot stellen zekerheid ex artikel 122 Rv van
20 april 2026 van de zijde van SBGOK,
-
de conclusie van antwoord in het incident van 22 juni 2026,
-
de akte uitlating producties van 22 juni 2026.
Vonnis in het incident is bepaald op vandaag.
2 De vordering
in de hoofdzaak
eiser] heeft in de hoofdzaak gevorderd dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
i. zal verklaren voor recht:
a. dat er een samenwerking tussen [eiser] en gedaagden bestaat zoals hierin is toegelicht, en
b. dat [eiser] uit dien hoofde gerechtigd is tot betaling conform de gemaakte verdelingsafspraken zoals in deze procedure door [eiser] omschreven en waarbij aan [eiser] dus een betaling toekomt van de helft van 35 % van de door of middels gedaagden (of een of meer van hen) voor gedupeerde spelers van online casino's geïncasseerde bedragen, en
c. dat gedaagden hoofdelijke aansprakelijk zijn ten aanzien van [eiser] voor de nakoming van deze verdelingsafspraken, en
d. dat de ondernemingsactiviteiten zoals in deze procedure door [eiser] betoogt uitsluitend aan hem toekomen en dat gedaagden deze onrechtmatig van [eiser] hebben afgenomen als gevolg waarvan zij schadeplichtig zijn jegens [eiser].
De gedaagden ieder voor zich en ook hoofdelijk te veroordelen:
ii. tot overlegging van berekeningen en onderliggende bewijsstukken (onder andere bestaande uit een overzicht van de door gedaagden aan gedupeerde spelers gefactureerde bedragen, betaalbewijzen aan gedaagden en schikkingsovereenkomsten) over de periode vanaf januari 2016 tot en met heden;
iii. tot betaling aan [eiser] vanwege de gemaakte verdelingsafspraken, waarvan de omvang nader bij staat dient te worden opgemaakt;
iv. tot schadevergoeding aan [eiser] als gevolg van de onregelmatige en onrechtmatige opzegging van de samenwerking tussen partijen en van het ontfutselen door gedaagden van de ondernemingsactiviteiten van [eiser], welke schade nader bij staat dient te worden opgemaakt; tot betaling aan [eiser] van een voorschot op de vorderingen van [eiser] tot betaling en schadevergoeding zoals hiervoor genoemd voor een bedrag ad EUR 8 miljoen in hoofdsom, althans het afgeronde equivalent daarvan in Caribische guldens zijnde Cg 16.750.000,-, althans een door uw Gerecht in goede justitie te bepalen ander bedrag;
v. tot betaling aan [eiser] van een voorschot op de vorderingen van [eiser] tot betaling en schadevergoeding zoals hiervoor genoemd voor een bedrag ad EUR 8 miljoen in hoofdsom, althans het afgeronde equivalent daarvan in Caribische guldens zijnde Cg 16.750.000,-, althans een door uw Gerecht in goede justitie te bepalen ander bedrag;
vi. tot teruggave aan [eiser] van diens ondernemingsactiviteiten en in dat kader:
a. tot de volledige overdracht binnen een week na het ten deze te wijzen vonnis van alle bij de gedaagden (of een of meer van hen) in behandeling zijnde zaken die verband houden met vorderingen van gedupeerde gokspelers aan [eiser], althans aan een door [eiser] ter zake aan te wijzen andere advocaat. Deze overdracht behelst ook de overdracht van het volledige dossier ten aanzien van deze zaken in de ruimste zin des woords;
b. tot de volledige overdracht binnen een week na het ten deze te wijzen vonnis van alle via de gedaagden (of een of meer van hen) lopende gerechtelijke procedures in verband met vorderingen van gedupeerde gokspelers aan een door [eiser] ter zake aan te wijzen andere advocaat, inclusief een volledige overdracht van de dossiers ter zake in de ruimste zin des woords;
een en ander op straffe van een door gedaagden ieder hoofdelijk jegens [eiser] te verbeuren dwangsom van Cg 100.000,- per dag voor iedere dag dat gedaagden (of een van hen) met de nakoming van deze verplichtingen tot overdracht in gebreke blijven.
vii. tot betaling aan [eiser] van een vergoeding voor de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten voor een door uw Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag;
viii. in de kosten en nakosten van deze procedure, zulks met inbegrip van de over die kosten verschuldigde wettelijke rente in het geval betaling daarvan binnen veertien dagen na het ten deze te wijzen vonnis uitblijft.
in het incident
gedaagde c.s.] hebben gevorderd om [eiser] op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, op de voet van artikel 122 Rv, te veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, binnen een termijn van twee weken, voor ieder van gedaagden zekerheid te stellen voor een bedrag van Cg 18.000 per gedaagde, althans voor een bedrag dat het gerecht juist acht in de vorm van een bankgarantie afgegeven door een te goeder naam en faam bekend staande bank, die in Curaçao gevestigd is, althans op een door het gerecht in goede justitie bepaalde wijze.
SBGOK heeft gevorderd om bij vonnis in incident, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om aan ieder van gedaagden in de hoofdzaak binnen twee weken na het dit incident te wijzen vonnis zekerheid te stellen voor een bedrag van Cg 18.000 in de vorm van een bankgarantie afgegeven door een in Curaçao gevestigde gerenommeerde bank, welke zekerheidsstelling opeisbaar is, nadat [eiser] bij vonnis in hoofdzaak uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van proceskosten veroordeeld is en bij gebreke waarvan [eiser] in de hoofdzaak niet-ontvankelijk verklaard wordt. althans op een door het gerecht in goede justitie bepaalde wijze.
4 De beoordeling
in het incident
gedaagde c.s.] en SBGOK vorderen in dit incident dat [eiser] zekerheid stelt voor de proceskosten tot een bedrag van Cg 18.000 per gedaagde. Zij voeren daartoe aan dat [eiser] geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft hier ten lande en dat ook overigens onvoldoende duidelijk is waar [eiser] woont of gewoonlijk verblijft. Zij weerspreken dat [eiser] in Duitsland woont, zoals in het verzoekschrift staat vermeld. Er is ook geen concreet adres in Duitsland opgegeven. Verder is hen bekend dat [eiser] in 2014 in Portugal verbleef en vanaf 2018 enige tijd in Spanje woonde. [eiser] staat nergens ingeschreven en dat dit ook geldt voor zijn zakelijke activiteiten.
Gelet op de hoogte van de vordering begroten gedaagden in de hoofdzaak de te stellen zekerheid voorlopig op drie proceshandelingen - conclusie van antwoord, dupliek en pleidooi - tegen Cg 6.000 per punt per gedaagde.
eiser] heeft niet betwist dat hij hier te lande (dat wil in dit verband zeggen: in het Caribische deel van het Koninkrijk, zie de aan art. 1 Rv voorafgaande bepaling art. A Rv) geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in de zin van artikel 122 lid 1 Rv. Hij heeft weersproken dat hij gehouden is om zekerheid te stellen en heeft hiertoe aangevoerd, dat hij over de Duitse nationaliteit beschikt en dat:
(i) uit een verdrag voortvloeit dat hij niet verplicht is zekerheid te stellen als bedoeld in art. 122 lid 2, aanhef en onder a, Rv. Daartoe heeft hij een beroep gedaan op het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 1 maart 1954 (HRV 1954). Curaçao, maar ook Duitsland, Frankrijk en Spanje zijn partij bij het HRV 1954. Het HRV 1954 kwalificeert als een verdrag in de zin van artikel 122 lid 2 sub a Rv. Artikel 17 HRV 1954 bepaalt: `Geen zekerheidstelling of depot, onder welke benaming ook, kan op grond hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden opgelegd aan de onderdanen van een der verdragsluitende Staten, die in een dier Staten hun domicilie hebben, wanneer zij als eisers of tussenkomende partijen voor de rechtbanken van een andere dier Staten optreden. Dezelfde regel is van toepassing op de betaling, welke van eisers of tussenkomende partijen zou kunnen worden verlangd als waarborg voor de kosten van het geding. Op grond hiervan is hij niet gehouden tot de zekerheidsstelling, aldus [eiser].
(ii) Ook op grond van de in artikel 122 lid 2 sub b Rv bedoelde uitzondering bestaat voor [eiser] geen verplichting tot het stellen van zekerheid. In zowel Duitsland, Frankrijk als Spanje kan een eventuele veroordeling van [eiser] tot betaling van proceskosten ten uitvoer worden gelegd.
(iii) [eiser] beroept zich ten slotte op de uitzondering van artikel 122 lid 2, aanhef en onder d, Rv en op artikel 6 EVRM. Volgens hem zou een verplichting tot het stellen van zekerheid zijn effectieve toegang tot de rechter belemmeren. Daarbij voert hij aan dat hij over beperkte financiële middelen beschikt en mogelijk niet in staat is om aan enige zekerheidstelling te voldoen. De regeling van artikel 122 Rv strekt er volgens [eiser] niet toe om een eiser vanwege financiële belemmeringen de toegang tot de rechter te ontzeggen, omdat dat in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM. Verder wijst [eiser] erop dat gedaagden in de hoofdzaak gezamenlijk lijken op te trekken en naar verwachting ook gezamenlijk processtukken zullen opstellen. Tegen die achtergrond zijn de door gedaagden te maken kosten volgens [eiser] beperkt, terwijl het incident ertoe kan leiden dat hij wordt afgehouden van een inhoudelijke beoordeling van het kerngeschil.
(iv) [eiser] voert ten slotte verweer tegen de hoogte van de gevorderde zekerheid. Volgens hem vorderen de gedaagden ieder afzonderlijk een aanzienlijk bedrag, terwijl zij in de hoofdzaak gezamenlijk optrekken. Daardoor maken zij volgens [eiser] geen afzonderlijke proceskosten. Om die reden bestaat er volgens hem geen grond om per gedaagde een afzonderlijke proceskostenvergoeding - en daarmee een afzonderlijke zekerheidstelling - toe te kennen.
Ingevolge artikel 122 Rv dient de eiser zonder woon- of verblijfplaats hier te lande op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor - onder meer - de proceskosten tot betaling waarvan hij veroordeeld zou kunnen worden, tenzij sprake is van één van de uitzonderingen genoemd in het tweede lid van artikel 122 Rv.
eiser] beroept zich in de eerste plaats op dat hij niet gehouden is zekerheid te stellen omdat dit voortvloeit uit een verdrag, specifiek artikel 17 HRV 1954. Voor toepassing van die bepaling is niet voldoende dat [eiser] onderdaan is van een verdragsstaat. Vereist is ook dat hij zijn domicilie heeft in een verdragsstaat. Het enkele bezit van de Duitse nationaliteit geeft hem daarom nog geen aanspraak op de vrijstelling van zekerheidstelling. Tegenover de gemotiveerde stelling van gedaagden dat [eiser] niet in Duitsland woont, heeft [eiser] onvoldoende stukken overgelegd om aan te nemen dat hij in Duitsland of in de verdragstaten Frankrijk of Spanje zijn domicilie heeft. De overgelegde niet-ondertekende tijdelijke huurovereenkomst voor een appartement in Frankrijk en de overboekingen vanaf een non-residentrekening bij een Spaanse bank bieden daarvoor onvoldoende steun. Dat geldt ook voor de overboeking van 10 juli 2025 naar die Spaanse bank, waarop Bad Bellingen in Duitsland als adres van [eiser] staat vermeld. Dat adres kan [eiser] niet baten, omdat uit zijn eigen stellingen volgt dat hij daar niet woont of verblijft. [eiser] heeft dan ook niet aangetoond dat hij zijn domicilie in Duitsland of in een andere verdragsstaat heeft. Daarmee is niet voldaan aan een uitdrukkelijke voorwaarde voor toepassing van artikel 17 HRV 1954.
Nu niet kan worden vastgesteld waar [eiser] zijn domicilie heeft, kan daarmee tevens niet worden vastgesteld of de uitzonderingsgrond van artikel 122 lid 2 sub b Rv zich voordoet.
Toegang tot de rechter
eiser] heeft tevens een beroep gedaan op artikel 122, lid 1d Rv en artikel 6 EVRM, kort gezegd inhoudende dat hem de effectieve toegang tot de rechter wordt belemmerd als van hem wordt gevorderd zekerheid te stellen. [eiser] heeft echter geen enkel stuk overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij niet aan het stellen van zekerheid kan voldoen, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen te meer nu uit het door hem overgelegde bewijs van betaling volgt dat hij een jaar geleden USD 100.000 heeft ontvangen.
Omvang te stellen zekerheid
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] zekerheid voor de proceskosten moet stellen, omdat niet is gebleken dat een van de uitzonderingsgronden van toepassing is. [eiser] heeft de hoogte van de gevorderde zekerheid betwist. Het gerecht ziet, nu in de hoofdzaak hoofdelijke veroordeling van drie procespartijen wordt gevorderd, aanleiding om voor ieder van hen afzonderlijk zekerheid te verlangen. Gelet op de hoogte van de vordering — bij wijze van voorschot wordt een bedrag van EUR 8.000.000 gevorderd — bedraagt het toepasselijke liquidatietarief Cg 6.000 per procespunt. Uitgaande van ten minste een conclusie van antwoord en een mondelinge behandeling, stelt het gerecht de zekerheid daarom vast op Cg 12.000 per gedaagde partij. Dat gedaagden gezamenlijk optrekken, zoals [eiser] heeft aangevoerd, kan mogelijk gevolgen hebben voor de uiteindelijke proceskostenveroordeling, maar het gerecht acht het te vroeg om daarop vooruit te lopen.
Wat betreft de wijze waarop zekerheidstelling op basis van artikel 122 Rv dient te geschieden, moet aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in artikel 6:51 BW. In ieder geval is van belang dat gedaagden in de hoofdzaak zonder moeite verhaal zullen kunnen nemen op de aangeboden zekerheid. Gebruikelijk is een bankgarantie. Het gerecht zal dit bepalen. De termijn waarbinnen de zekerheid dient te worden gesteld, bepaalt het gerecht op vier weken na heden.
in de hoofdzaak
De hoofdzaak zal, nadat zekerheid is gesteld, worden voortgezet in de stand waarin deze is gebleven. Het gerecht zal de hoofdzaak verwijzen naar de rolzitting van 26 oktober 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord door gedaagden in de hoofdzaak dan wel, als niet of niet tijdig gevolg is gegeven aan de bevolen zekerheidsstelling, voor uitlating zekerheidstelling zijdens partijen;
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5 De beslissing
Het gerecht:
in het incident
veroordeelt [eiser] tot het stellen van zekerheid, voor de gehele looptijd van de procedure, tot een bedrag van Cg 12.000 en wel binnen vier weken na heden, ten behoeve van ieder van de gedaagden, door middel van een bankgarantie bij een op Curaçao gevestigde te goeder naam en faam bekend staande bank, die dit bedrag vrij zal geven aan gedaagden in hoofdzaak wanneer [eiser] door het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal zijn veroordeeld in de proceskosten van de procedure in de hoofdzaak, en die de bankgarantie zal vrijgeven aan [eiser] indien een proceskostenveroordeling jegens [eiser] achterwege blijft.
houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot in de hoofdzaak wordt beslist;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rolzitting van 26 oktober 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord door gedaagden dan wel, als niet of niet tijdig gevolg is gegeven aan de bevolen zekerheidsstelling, voor uitlating zekerheidstelling zijdens partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. Tubben, rechter, in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026.