ECLI:NL:GHSHE:2026:2827

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
20-000439-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar meermalen gepleegd.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Parketnummer : 20-000439-25

Uitspraak : 7 oktober 2026

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-346093-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en heeft de politierechter ten aanzien van beide benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vorderingen.

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman zich geschaard achter de vordering van de advocaat-generaal. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de gevorderde immateriële schade aanzienlijk te matigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 30 oktober 2024 te [plaats] , slachtoffers [benadeelde 2] (buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente [plaats] ) en/of [benadeelde 1] (buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente [plaats] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen:

- " Ik maak jullie dood", en/of

- " Ik steek jullie neer",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 oktober 2024 te [plaats] , [benadeelde 2] (buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente [plaats] ) en [benadeelde 1] (buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente [plaats] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] dreigend de woorden toe te voegen: - "Ik maak jullie dood", en- "Ik steek jullie neer".

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op de gronden als verwoord in de pleitnota – vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte buitengewoon opsporingsambtenaren [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft bedreigd. Indien dit al wettig en overtuigend bewezen zou kunnen worden, dient, zo stelt de verdediging, eveneens vrijspraak te volgen omdat de bedreiging niet van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht onder meer is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij of zij het leven zou kunnen laten en dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, daarop was gericht. De beoordeling of sprake is van redelijke vrees is geobjectiveerd en wordt niet slechts bepaald door eventueel bij het slachtoffer veroorzaakte angstgevoelens. Daarbij is niet vereist dat bij de bedreigde werkelijk vrees is opgewekt, maar dat de bedreiging in het algemeen vrees kan opwekken.

Het hof is van oordeel dat op grond van de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende vast is komen te staan dat de verdachte buitengewoon opsporingsambtenaren [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het hof heeft, anders dan de verdediging, geen redenen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] die door beiden in een ambtsedig proces-verbaal zijn vastgelegd. Dat de verklaring van [benadeelde 2] , gehoord door de raadsheer-commissaris als getuige, niet geheel overeenkomt met de verklaring in diens aangifte, doet, anders dan de verdediging heeft betoogd, naar het oordeel van het hof geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 2] . Het betreft namelijk slechts een gering verschil dat bovendien van ondergeschikt belang is. Daarnaast heeft [benadeelde 2] de verklaring in diens aangifte kort na het gebeurde afgelegd, terwijl het verhoor door de raadsheer-commissaris ruim een jaar later heeft plaatsgevonden. Dat de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet overeenkomen met de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant] (dossierpagina’s 25-27) maakt naar het oordeel van het hof evenmin dat de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] onbetrouwbaar zouden zijn. Dat de door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] beschreven handelingen van de verdachte kennelijk niet op de camerabeelden te zien zijn, wil immers niet zeggen dat deze handelingen niet hebben plaatsgevonden. Wat betreft de stelling van de verdediging dat de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] onderling verschillen, geldt dat dit verklaarbaar is, nu [benadeelde 2] de verdachte te voet is gevolgd en [benadeelde 1] met de dienstauto, hetgeen een iets andere waarneming kan hebben opgeleverd. Ook dit doet derhalve geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

Het hof is van oordeel dat de door de verdachte gebezigde woorden (“Ik maak jullie dood” en “Ik steek jullie neer”) van dien aard waren en onder zodanige omstandigheden zijn geuit, dat bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] – naar objectieve maatstaven – de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen laten. Het hof neemt hierbij in aanmerking de omstandigheden dat de verdachte verward en onvoorspelbaar gedrag vertoonde en mogelijk onder invloed van alcohol of drugs verkeerde. Het feit dat [benadeelde 2] zich genoodzaakt zag meerdere keren om politieassistentie te vragen, waaronder middels een urgente spraakaanvraag, maakt duidelijk dat de buitengewoon opsporingsambtenaren het gedrag en de uitingen van de verdachte als bedreigend hebben ervaren.

Gelet op al het voorgaande verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen. Hetgeen door de verdediging overigens nog is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar

meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, ingeval van een bewezenverklaring, geschaard achter de strafeis van de advocaat-generaal.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van twee buitengewoon opsporingsambtenaren van de gemeente [plaats] . De verdachte heeft hierdoor angst teweeggebracht bij de slachtoffers en daarmee inbreuk gemaakt op hun gevoel van veiligheid. Bovendien heeft hij door zijn handelen geen respect getoond voor de twee buitengewoon opsporingsambtenaren.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde al meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Uit dat uittreksel blijkt verder dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren, zoals door de politierechter aan de verdachte is opgelegd, passend en geboden.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben in eerste aanleg elk een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 430,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij vonnis waarvan beroep zijn deze vorderingen toegewezen tot een bedrag van € 300,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partijen zijn in de vorderingen voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in de vorderingen. De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep achter het standpunt van de advocaat-generaal geschaard. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het gevorderde bedrag aan immateriële schade aanzienlijk te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat in het geval van een bedreiging geen sprake is van een aantasting in de eer of goede naam van de benadeelde, evenals dat geen sprake is van opgelopen lichamelijk letsel.

De vraag die voorligt, is of sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Zoals uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822, kan een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien er sprake is van geestelijk letsel (categorie 1), dan wel, indien het bestaan van geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden aangenomen, maar de aard en de ernst a) van de normschending en b) van de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ (categorie 2). In uitzonderlijke gevallen kan ook een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending (categorie 3). Het gaat hierbij om gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.

De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben als schriftelijke toelichting op de gevorderde immateriële schade aangevoerd dat zij als gevolg van de bewezenverklaarde bedreiging extra oplettend zijn geworden. [benadeelde 1] heeft tevens aangevoerd dat hij zich een paar dagen na de bedreiging nog onveilig heeft gevoeld.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partijen onvoldoende hebben onderbouwd dat sprake is van enige vorm van aantasting in de persoon op andere wijze. Meer of minder sterk psychisch onbehagen, zoals in het onderhavige geval, is geen geestelijk letsel en levert (op zichzelf) geen grond op voor vergoeding van immateriële schade, terwijl de aard en de ernst van de normschending niet van dien aard is dat alleen al daarom de aangevoerde nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak, gelet op voornoemde uitspraak van de Hoge Raad d.d. 2 juni 2026 en in het bijzonder de in het arrest door de Hoge Raad genoemde voorbeelden, ook geen sprake van een uitzonderlijk geval waarin de aard en de ernst van de normschending van zodanig gewicht zijn en de gevolgen daarvan meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.

Het zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren om de benadeelde partijen, die niet ter terechtzitting in hoger beroep zijn verschenen, in de gelegenheid te stellen om de vorderingen te voorzien van een nadere onderbouwing alvorens te beslissen op de strafzaak. Het hof zal daarom bepalen dat de vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zijn en dat de benadeelde partijen deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

De benadeelde partijen zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de verdachte begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. R. Lonterman, voorzitter,

mr. M.A.M. Wagemakers en mr. A.E.J. Satink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,

en op 7 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.A.M. Wagemakers en mr. A.E.J. Satink zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »