Parketnummer : 20-003283-24
Uitspraak : 15 april 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 november 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-243981-24 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1996,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van ‘poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming en verbreking’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens en door de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het hem ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Oostrum, gemeente Venray tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een hoeveelheid lood en/of zink, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van het losbranden en/of losknippen van een loden en/of zinken dakgoot middels het gebruik van een gasbrander en/of zinkschaar', terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 17 juli 2024 te Oostrum, gemeente Venray, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een hoeveelheid zink, dat aan [bedrijf 1] toebehoorde, weg te nemen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder hun bereik te brengen door middel van het losbranden en/of losknippen van een zinken dakgoot middels het gebruik van een gasbrander en/of zinkschaar, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2024115450, op ambtseed opgemaakt en gesloten d.d. 20 juli 2024 door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, pagina 1 tot en met 64, hierna te noemen politiedossier.
Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juli 2024 (p. 52-54 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van de aangever [aangever] namens [bedrijf 1] :
Ik doe aangifte van een poging tot diefstal van zink vanaf het pand gelegen aan [adres 2] . Ik ben echtgenoot van de directrice van [bedrijf 1] en namens deze gerechtigd tot het doen van aangifte.
Op 19 juli 2024 omstreeks 10.45 uur werd ik gebeld door een collega van [bedrijf 1] dat zij gebeld was door de politie in verband met een poging tot diefstal van zink vanuit het pand gelegen aan [adres 2] . Dit pand is eigendom van [bedrijf 1] . Ik hoorde dat door de politie op 17 juli 2024 twee mannen op heterdaad waren aangehouden terwijl zij bezig waren met het weghalen van zink vanaf het dak van het oude klooster. Mij is het bekend dat aan dit klooster zinken afvoergoten bevestigd zijn. Voor zover ik weet waren de afvoergoten allemaal in orde en is hier geen schade aan geweest de laatste jaren.
Niemand had het recht of toestemming om zink weg te halen uit het pand aan [adres 2] .
2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 17 juli 2024 (p. 19-21 van het politiedossier)
voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige] :
Ik ben werkzaam in de Buitendienst van de zorginstelling [zorginstelling] aan [adres 3]
.
Op 17 juli 2024, omstreeks 13.15 uur, was ik bezig met het weghalen van bramenstruiken aan de Witte Vennenweg tegen het hekwerk van het terrein van de zorginstelling. Op enig moment zag ik een personenauto Audi 8a Quattro, kleur grijs, met daarachter een aanhangwagen de parkeerplaats van de voetbalvereniging oprijden. Ik zag dat de auto werd geparkeerd in een hoek van de parkeerplaats. Ik zag twee mannen vanaf de parkeerplaats via het bospad richting het leegstaande klooster (monument) Paschalis lopen. Ik ben verder gegaan met mijn werkzaamheden.
Omstreeks 15.00 uur, na mijn werkzaamheden, ben ik naar het klooster gelopen. Ik hoorde aan de achterzijde het geluid van een gasbrander. Ik ben in de richting gelopen vanwaar het geluid kwam. Ik ben het klooster binnen gelopen via de achterzijde. Daar zit een deur die open stond. Ik hoorde geluid vanaf het dak. Ik ben de trap opgelopen naar de eerste etage. Daar had ik zicht op het dak. Ik ben toen gaan filmen. Ik zag twee mannen op het dak bezig om ijzer/zink los te branden. Ik heb de mannen 11 seconden op film staan terwijl ze daarmee bezig waren. Ik ben toen weer naar buiten gelopen. Op het moment dat ik naar buiten liep heb ik de politie gebeld. De beelden stel ik ter beschikking aan de politie voor het onderzoek.
De politie kwam ter plaatse. Ik heb toen verteld wat er aan de hand was. De politieambtenaren zijn met mij meegelopen naar het pand. De politieambtenaren zijn het pand ingegaan. Ik heb buiten gewacht. De politie kwam met twee mannen naar buiten. De aangehouden mannen door de politie zijn dezelfde personen als ik heb gezien op het dak en die ik gefilmd heb.
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juli 2024 (p. 7-10 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van de verbalisanten [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] :
Op 17 juli 2024 waren wij, verbalisanten, belast met een dienst in de incidentenafhandeling voor het basisteam Venray - Gennep. Wij waren gekleed in politie-uniform en reden in een herkenbaar dienstvoertuig.
Op 17 juli 2024, om 15.28 uur, kregen wij van het operationeel centrum het verzoek om te gaan naar [adres 2] . Aldaar was een melder die zicht had op twee personen die mogelijk lood aan het stelen waren. De locatie betreft een leegstaand monument, een oud klooster. Het pand was in vervallen staat en bijna alle kozijnen van het gebouw waren dichtgetimmerd middels zogenaamde OSB-platen. Op alle zijdes van het gebouw waren bordjes aangebracht om bezoekers te wijzen op het verbod tot binnentreden op basis van 461 Wetboek van Strafrecht.
Om 15.36 uur kwamen wij, verbalisanten, aan bij de melder. De melder wees ons op een voertuig, dat geparkeerd stond op de Sparrendreef, op een parkeerterrein. Het voertuig betrof een grijze Audi voorzien van Nederlands kenteken [kenteken] . Dit voertuig had een aanhanger aan de trekhaak gekoppeld. De aanhanger was voorzien van hetzelfde kenteken. De aanhanger was leeg en het voertuig was afgesloten.
Wij besloten om ons voertuig voor de Audi te plaatsen en gingen in gesprek met de melder. De melder verklaarde ons dat er twee personen in het pand waren, die met een gasbrander aan het werk waren op het dak. Mogelijk dat deze twee personen zink of lood aan het stelen waren. De melder verklaarde dat hij een video had gemaakt. Deze video zal worden toegevoegd aan het dossier.
De melder kon ons de volgende omschrijving geven:
Persoon 1:
- man;
- circa 35 jaar;
- petje;
- zwart shirt;
- korte bruine broek.
Persoon 2:
- man;
- circa 25 jaar;
- zwart shirt;
- tattoo in nek;
- ketting;
- petje;
- beige langere broek.
De melder nam ons mee naar het pand en toonde ons de ingang. Wij, verbalisanten, hoorde het geluid van een brander en roken de geur van verbranding. Wij, verbalisanten, betraden het pand via een ingang aan de achterzijde.
Wij hoorden personen in het pand.
Wij liepen naar het trappenhuis en liepen de trap op naar de eerste etage. Bovenaan de trap, op de eerste etage, hadden wij zicht op een raampartij. Wij zagen dat er twee personen op het dak bewogen en dat zij het pand aan het inklimmen waren door een raam. Dit was op circa 30 meter van onze positie.
Wij liepen de trap af naar beneden, omdat wij vanuit de positie waar wij stonden, niet bij deze twee personen konden komen.
Wij zagen twee mannen de hoek om kwamen lopen, naar ons toe. Wij zagen dat deze twee mannen overeenkwamen met het signalement dat wij hadden gekregen van de melder. Wij zagen dat dit de mannen waren die wij zojuist op het dak hadden zien bewegen. Wij zagen dat beide mannen werkhandschoenen droegen. Wij zagen dat beide mannen plots bleven stilstaan, alsof zij van ons schrokken.
Wij zagen dat persoon 2 een metaalschaar aan zijn broek had hangen. Wij zagen dat er een bedrijfsnaam op zijn T-shirt stond van ' [bedrijf 2] '.
Wij vroegen de mannen wat zij hier aan het doen waren en hoorden geen eenduidig antwoord. Hierop besloten wij, verbalisanten, de personen aan te houden voor diefstal in vereniging en het overtreden van artikel 461 van het wetboek van Strafrecht.
Wij vroegen naar een identiteitskaart van deze twee personen.
Persoon 1 gaf op te zijn: [verdachte] , geboortedatum [geboortedag 1] 1996.
Persoon 2 gaf op te zijn: [medeverdachte] , geboortedatum [geboortedag 2] 1982.
Wij vroegen via het operationeel centrum om twee eenheden voor het vervoer van de verdachten. Nadat wij de verdachten hebben overgegeven aan onze collega's, maakten wij een ronde door het pand.
Wij, verbalisanten, begaven ons naar de binnenplaats van het pand. Wij zagen hier diverse grote stukken dakgoot van zink liggen. Ook zagen wij nog stukken zink op het dak liggen. Ook troffen wij een gasbrander en een gastank aan.
Wij, verbalisanten, gingen naar de eerste etage. Op de eerste etage keken wij door een raam van één van de kamers. Wij hadden zicht op het dak, waar wij vlak daarvoor [verdachte] en [medeverdachte] op het dak hadden gezien. Wij keken uit het raam en zagen dat er geen dakgoot meer aanwezig was, direct onder het raam. Wij zagen dat het zichtbare hout niet was aangetast door het weer of door de regen.
Wij zagen dat de andere dakgoten nog wel voorzien waren van zinken dakgoten.
4. De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 17 juli 2024, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (p. 58-59 van het politiedossier), voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats : [adres 4]
Datum en tijd : 17 juli 2024 te 16:56 uur
Reden : artikel 311/1/5 Wetboek van Strafrecht, artikel 310 Wetboek van Strafrecht, artikel 45/1 Wetboek van Strafrecht (Poging diefstal d.m.v. braak, verbreking inklimming, valse sleutel etc.)
Omstandigheden : Zinkschaar werd aangetroffen bij verdachte ten tijde van zijn aanhouding. Met de zinkschaar is het strafbare feit gepleegd. Deze is in beslag genomen.
Beslagene
Achternaam : [medeverdachte]
Voornamen : [medeverdachte]
Geboren : [geboortedag 2] 1982
Geboorteplaats : [geboorteplaats 2] in Nederland
Volgnummer 1
Categorie omschrijving : Gereedschap
Object : Overige
Kleur : Geel
Bijzonderheden : Zinkschaar
Afstand door beslagene : Ja, als eigenaar
Eigenaar : [medeverdachte]
5. De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 17 juli 2024, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 5] (p. 63-64 van het politiedossier), voor zover inhoudende:
Inbeslagneming
Plaats: [adres 2] (dakrand en binnenplaats)
Datum en tijd: 17 juli 2024 te 16:26 uur
reden: Gekwalificeerde diefstal in/uit bedrijf/kantoor
Volgnummer 1
Categorie omschrijving: Gereedschap
object: Gasfles
type: Gasfles 8.5 Kg
kleur: Blauw
bijzonderheden: Binnenplaats
Volgnummer 2
Categorie omschrijving: Bouw/installatiemateriaal
object: Slang
type: Gasslang
kleur: Oranje
Volgnummer 3
Categorie omschrijving: gereedschap
Object: Brandapparatuur
type: Gasbrander
bijzonderheden: Gasbrander zat nog bevestigd aan gasslang.
6. De eigen waarneming van de leden van het hof zoals gedaan ter terechtzitting van 27 augustus 2025 en 1 april 2026, voor zover inhoudende dat op de op pagina 18 van het politiedossier opgenomen foto (‘still’) van de video-opname van getuige [getuige] , een manspersoon staat afgebeeld, voorover gebogen staand op een dak, die een zwart T-shirt draagt met op de achterzijde een witte opdruk.
7. De eigen waarneming van de leden van het hof zoals gedaan ter terechtzitting van 1 april 2026, voor zover inhoudende dat op de op pagina 31 van het politiedossier opgenomen foto op de ID-staat van de medeverdachte [medeverdachte] te zien is dat hij in zijn nek een tatoeage heeft.
8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juli 2024 (p. 22-23 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van de verbalisant [verbalisant 6] :
Op 19 juli 2024 heb ik, verbalisant, de getuigenverklaring opgenomen van [getuige] in verband met een inbraak in het leegstaande Kloostergebouw gelegen aan [adres 2] . Door de getuige werden filmbeelden ter beschikking gesteld voor het onderzoek. De getuige [getuige] had via zijn mobiele telefoon filmbeelden gemaakt van de verdachte.
Aan mij werden via WhatsApp filmbeelden met een duur van 11 seconden en 1 foto ter beschikking gesteld.
Omschrijving filmbeelden:
Het fragment betreft een audiofragment met beeld en geluid van 11 seconden. Het beeldfragment is gefilmd met een mobiele telefoon.
Tot seconde 4 is er enkel een zwart en wit beeld zichtbaar. Op seconde 6 is er een raam zichtbaar. Vanuit de positie waarvandaan gefilmd is, is een raam zichtbaar met daarachter een dak met dakpannen. Op het dak zit een manspersoon geheel in het zwart gekleed op zijn hurken. Op het zwarte T-shirt dat de man aan heeft is op de achterzijde een witte opdruk zichtbaar. Het is niet te zien wat de man op het dak aan het doen is.
Ook werd door de getuige een foto aangeleverd waarop dezelfde manspersoon zichtbaar is op het dak.
De getuige [getuige] heeft verklaard dat de man op foto en de door hem gemaakte camerabeelden een van de aangehouden mannen door de politie betreft.
9. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 17 juli 2024 (p. 45-51 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
(V: Vraag verbalisant; A: Antwoord verdachte)
V: Vandaag ben je aangehouden op het adres [adres 2] . Vertel eens
wat jij daar deed?
A: Ik ben daar naar binnen gegaan. Ik heb eigenlijk alle verdiepingen wel gehad volgens mij. Wij liepen naar buiten en toen stond de politie daar.
V: Met wie was jij daar allemaal op dat moment?
A: Ik was met [medeverdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [medeverdachte]) daar.
V: Hoe waren jullie daar ter plaatse?
A: Met mijn auto.
V: Hadden jullie toestemming om dit pand te betreden?
A: Nee ik zou niet weten van wie het pand is.
V: Op het moment dat de collega's jullie aantroffen hadden jullie werkhandschoenen
aan en gereedschap bij jullie. Vertel eens?
A: Ik had werkhandschoenen aan.
V: Een getuige heeft gezien dat jullie beiden met gasbranders op het dak van het pand
bezig waren met het losknippen en weghalen van lood. Vertel eens?
A: Ik ben wel op de daken daar geweest.
V: Hadden jullie toestemming van deze eigenaar om dit pand te betreden en aldaar lood
weg te halen?
A: Ik heb geen toestemming van de eigenaar. Ik weet niet wie dat is.
V: Klopt het dat jullie ter plaatse waren met een Audi met daarachter een aanhangwagen?
A: Ja dat klopt wel.
10. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 17 juli 2024 (p. 32-36 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] :
(O: opmerking verbalisant; V: Vraag verbalisant; A: Antwoord verdachte)
V: Vandaag ben je aangehouden op het adres [adres 2] . Vertel eens
wat jij daar deed?
A: Wij hadden gevonden op internet dat er een leegstaand klooster was. Dit gingen wij bezoeken.
V: Met wie was jij daar allemaal op dat moment?
A: Met een maatje van mij, [verdachte] .
V: Hoe waren jullie daar ter plaatse?
A: Met een auto van [verdachte] .
V: Op het moment dat de collega's jullie aantroffen hadden jullie werkhandschoenen aan en gereedschap bij jullie. Vertel eens?
A: Ik had een tangetje in mijn werkbroek.
V: Klopt het dat jullie ter plaatse waren met een Audi met daarachter een aanhangwagen?
A: Ja.
O: Telefonisch contact gehad met de collega's van Venray. Beelden waren beschikbaar van de diefstal. Wij laten nu de beelden zien.
V: Ben jij dit op het filmpje?
A: Misschien dat ik het ben.
V: Is het toeval dat de persoon op het filmpje een wit vlak heeft aan de achterkant van zijn shirt?
A: Als ik het ben, kan het wel.
Bewijsoverwegingen
I.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de verklaring van de getuige [getuige] niet kan worden gebruikt voor het bewijs aangezien deze onbetrouwbaar is en voorts dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte in het pand iets met een gasbrander te maken heeft gehad.
Het hof overweegt als volgt.
De getuige [getuige] heeft direct nadat de politie ter plaatse was gekomen een nauwkeurig en gedetailleerd signalement van de twee verdachten opgegeven, van wie hij had gezien dat die mogelijk zink of lood aan het stelen waren op het dak van het onderhavige pand, dat volledig overeenkomt met het signalement van de aangehouden verdachten. De omstandigheid dat de medeverdachte [medeverdachte] een tatoeage in zijn nek en op zijn linkerarm heeft, zoals door [getuige] is waargenomen, komt overeen met de eigen waarneming van het hof zoals in de gebezigde bewijsmiddelen is opgenomen. Uit de inhoud van het politiedossier volgen geen aanwijzingen dat er in het onderhavige pand anderen aanwezig zijn geweest die voldoen aan de door [getuige] opgegeven signalementen van de verdachten.
Voorts komt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren dat, overeenkomstig de verklaring van [getuige] , ter plaatse een gasbrander is aangetroffen. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat de getuige [getuige] bij zijn latere verhoor door de raadsheer-commissaris in dit gerechtshof d.d. 12 november 2025 niet spreekt over het geluid van een gasbrander maar over het geluid van een slijptol. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat het mogelijk is dat een getuige anderhalf jaar na een bepaalde gebeurtenis zich kan vergissen in een dergelijk detail, zodat het hof daaraan geen doorslaggevende betekenis toekent.
Voorts overweegt het hof dat er op grond van het onderzoek ter terechtzitting ook overigens geen reden bestaat om aan te nemen dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [getuige] onbetrouwbaar is of dat aan de inhoud daarvan moet worden getwijfeld.
Ten slotte heeft te gelden dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige] in voldoende mate wordt ondersteund door de inhoud van de overige gebezigde bewijsmiddelen.
Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de gewraakte getuigenverklaring van [getuige] betrouwbaar is en bruikbaar is voor het bewijs, zodat het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
II.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] met betrekking tot de plaats waar de onderhavige gasbrander en de gasfles zijn aangetroffen in strijd zijn met de bevindingen zoals vermeld in de kennisgevingen van in beslagneming die bovendien opgemaakt zijn door andere verbalisanten. Tevens is voorwaardelijk verzocht deze verbalisanten te horen indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen omdat ‘meer niet dan wel bekend [is] over de omstandigheden waaronder waarnemingen zijn gedaan en over de situatie ter plaatse’.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het tot bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] blijkt ten aanzien van het aantreffen de gasbrander en de gasfles het volgende.
‘Wij, verbalisanten, begaven ons naar de binnenplaats van het pand. Wij zagen hier diverse grote stukken dakgoot van zink liggen. Ook zagen wij nog stukken zink op het dak liggen. Ook troffen wij een gasbrander en een gastank aan.’
Het hof vermag niet in te zien dat deze bevindingen in strijd zouden zijn met de bevindingen zoals opgenomen in de (overigens niet tot het bewijs gebezigde) kennisgeving van inbeslagneming waarin staat vermeld dat de gasbrander met slang nog aan dakrand hing ter hoogte van de plaats waar het zink verwijderd was en dat de gasfles zich bevond op de binnenplaats bij de gevel waar het zink was losgebrand.
Het verweer, voor zover dat als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan worden gezien, mist aldus feitelijke grondslag zodat het reeds om die reden niet kan slagen.
Voorts stelt het hof vast dat van de zijde van de verdediging niet wordt betwist dat er door verbalisanten een gasbrander zou zijn aangetroffen. Slechts zou volgens de verdediging onvoldoende duidelijk zijn op welke plaats de gasbrander zich bevond. Wat het hof betreft kan zulks evenwel ook in het midden worden gelaten.
Nu de verdediging ook overigens geen concrete bevindingen van [verbalisant 3] en [verbalisant 2] betwist, bestaat volgens het hof onvoldoende belang om de verbalisanten (zoals verzocht) als getuigen nader te bevragen. Daarbij merkt het hof nog op dat de omstandigheid dat de verdediging deze verbalisanten niet nader heeft kunnen ondervragen, mede in het licht van hetgeen aan het verzoek om hen te horen ten grondslag is gelegd, geen afbreuk doet aan de conclusie dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces
III.
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:
-
de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
-
de mate waarin door het onderhavige feit schade teweeg is gebracht aan de eigenaar
van het onderhavige pand en de omstandigheid dat een dergelijk feit leidt tot overlast en ergernis voor de gedupeerde(n).
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:
-
de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2025, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het onderhavige feit eerder door de strafrechter is veroordeeld en in 2017 nog ter zake van een soortgelijk feit;
-
zijn overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Op grond daarvan acht het hof oplegging van een taakstraf voor het hierna te vermelden aantal uren, passend en geboden.
Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal het hof bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. N. van der Laan, raadsheren,
in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,
en op 15 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.