ECLI:NL:GHSHE:2025:2808

Datum uitspraak
09-10-2025
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.355.955_01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Moeder komt in hoger beroep van een beslissing over een voorlopige zorgregeling én voert gelijktijdig een wijzigingsprocedure ex 233 Rv. Op het laatste moment trekt de moeder het hoger beroep in. Het hof beslist alleen nog op het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder in de werkelijke proceskosten. Veroordeling op basis van liquidatietarief.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 9 oktober 2025

Zaaknummer: 200.355.955/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/333747 / FA RK 24-2567

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.A. Ploemen,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

verzoeker in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. N.V.T. Cremers.

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2024.

In deze zaak is als belanghebbende aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 22 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 juni 2025, heeft de moeder verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

I. primair: te bepalen dat de zorgregeling voorlopig tussen de vader en [minderjarige] voortaan plaatsvindt in het kader van een BOR 2-traject, onder professionele begeleiding, zonder aanwezigheid van derden, waarbij de duur en frequentie wordt overgelaten aan de professionele instantie;

subsidiair: een voorlopige zorgregeling te bepalen in het kader van een BOR 3-traject, waarbij de vader contact heeft met [minderjarige] op de navolgende momenten, onder professionele begeleiding:

o de ene week op woensdag en vrijdag van 11.45 uur tot en met 16.15 uur en de andere week op woensdag en zaterdag van 11.45uur tot en met 16.15 uur, waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt;

o vakanties, feestdagen en bijzondere dagen in overleg te bepalen.

II. een door het hof in goede justitie te bepalen voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] .

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2025, heeft de vader, uitvoerbaar bij voorraad, verzocht:

I. primair de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, althans subsidiair de verzoeken van de moeder af te wijzen als ongegrond, althans onbewezen en/of onvoldoende onderbouwd;

II. de moeder te veroordelen in de proceskosten van dit geding begroot op € 6.078,44 aan advocaatkosten en € 362,- aan griffierecht althans een door het hof te bepalen bedrag aan proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rechte zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van betekening van de in deze te geven uitspraak tot de dag van volledige betaling;

Tevens heeft de vader incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht:

III. de moeder te veroordelen in de proceskosten van dit geding begroot op € 6.078,44 aan advocaatkosten en € 362,- aan griffierecht althans een door het hof te bepalen bedrag aan proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rechte zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van betekening van de in deze te geven uitspraak tot de dag van volledige betaling.

2.3.

Bij bericht van 22 augustus 2025 heeft de moeder het hof bericht dat zij haar verzoeken in principaal hoger beroep intrekt.

2.4.

Bij bericht van 25 augustus 2025 heeft de vader het hof bericht dat hij zijn incidenteel verzoek tot veroordeling van de moeder in de proceskosten handhaaft.

2.5.

Bij bericht van 25 augustus 2025 heeft de moeder verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder in de proceskosten.

2.6.

Bij bericht van 25 augustus 2025 heeft de vader gereageerd op het verweer van de moeder.

Het hof laat dit bericht buiten beschouwing, aangezien het in strijd is met de twee-conclusie-leer om een nadere schriftelijke termijn te nemen en het hof de vader ook niet uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld nog nader schriftelijk op het verweer van de moeder te reageren.

2.7.

Het hof heeft verder kennisgenomen van:

  • het bericht van de GI van 19 augustus 2025, houdende een reactie op het beroepschrift;

  • het bericht van de GI van 25 augustus 2025 houdende een reactie op het intrekkingsbericht.

2.8.

Het hof heeft partijen op 25 augustus 2025 bericht dat het hof uit de mailwisseling en de stukken begrijpt dat partijen geen behoefte hebben aan de mondelinge behandeling van het incidenteel hoger beroep nu het principaal hoger beroep is ingetrokken, dat de mondelinge behandeling van 26 augustus 2025 geen doorgang zal vinden en dat het hof het incidenteel hoger beroep zal afdoen op de stukken.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

Partijen hebben van een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen is geboren [minderjarige] , te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2024.

3.2.

De vader heeft [minderjarige] erkend en de ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .

3.3.

Bij beschikking van 10 september 2024 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, voor zover thans van belang, een raadsonderzoek gelast naar het hoofdverblijf van [minderjarige] , alsmede naar de toedeling van zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige] aan de ouder waar bij niet zijn hoofdverblijfplaats heeft.

3.4.

Bij beschikking van 6 februari 2025 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, [minderjarige] voor de duur van negen maanden, derhalve tot 6 november 2025, onder toezicht gesteld van de GI.

3.5.

Bij de bestreden beschikking van 22 april 2025, heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond:

- uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader bepaald, inhoudende dat [minderjarige] de komende zes weken drie keer per week een dagdeel van zes uur bij de vader zal zijn. Na deze zes weken zal [minderjarige] drie keer een dag van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de vader zijn. Verdere uitbreiding van de omgang (al dan niet met een overnachting) zal onder regie van de GI plaatsvinden;

- de raad verzocht een aanvullend onderzoek te doen en rapport en advies uit te brengen over het gezag.

3.6.

Bij beschikking van 22 juli 2025 en 6 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in een procedure ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) voor zover thans van belang, bepaald dat de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 22 april 2025 dient te worden nagekomen - waarbij het eerstvolgend contactmoment tussen de vader en [minderjarige] op 23 juli 2025 dient te zijn - en dat de verdere uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige] onder regie van de GI zal plaatsvinden volgens het door de raad in dat kader gegeven advies in de bodemprocedure met voornoemd zaaknummer.

De omvang van het geschil in hoger beroep

3.7.

De moeder is van de beslissing van 22 april 2025 in hoger beroep gekomen. Voor de daartoe aangevoerde grieven verwijst het hof naar de inhoud van het beroepschrift.

3.8.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder in principaal hoger beroep en zowel in principaal hoger beroep als bij wijze van incidenteel hoger beroep verzocht de moeder te veroordelen in de kosten van dit geding. De vader heeft incidenteel hoger beroep ingesteld, omdat hij voorzag dat de moeder het principaal hoger beroep zou intrekken naar aanleiding van het verweerschrift van de vader en de vader ook dan een beslissing van het hof wenst over de proceskosten.

3.9.

De moeder heeft vervolgens op 22 augustus 2025 haar verzoeken in principaal hoger beroep ingetrokken. Het hof maakt uit dat bericht op dat zij haar grieven niet handhaaft. Dat leidt ertoe dat het hof de moeder niet-ontvankelijk zal verklaren in haar verzoeken in principaal hoger beroep.

3.10.

Ter beoordeling ligt thans nog voor het verzoek van de vader tot veroordeling van de moeder in de proceskosten.

De standpunten

3.11.

De vader voert ter onderbouwing van dit verzoek, samengevat, het volgende aan.

Door alle procedures die de vader heeft moeten starten c.q. waarin hij zich heeft moeten verweren als gevolg van de weigerachtige houding van de moeder, heeft de vader inmiddels al meer dan € 43.000,- aan proceskosten betaald in één jaar tijd.

De moeder dient vrijwel gelijktijdig een verzoek tot wijziging als een beroepschrift in tegen dezelfde beschikking. Zowel de rechtbank als het hof moeten zich over exact dezelfde vraag beraden. De vader moet kosten maken omdat de moeder weigert zich neer te leggen bij de beslissing van de rechtbank en de beslissingen en adviezen van de gezinsvoogd. [minderjarige] is onder toezicht gesteld, juist omdat de moeder in het vrijwillige kader niet meewerkt aan de hulpverlening en de omgang. Als zij ook in het gedwongen kader nog steeds niet meewerkt, schriftelijke aanwijzingen negeert en er daardoor weer twee nieuwe procedures volgen, dienen de kosten van de vader voor rekening van de moeder te komen.

Het inkomen van de vader laat het niet toe dat hij deze proceskosten maakt. Indien de moeder niet wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten van de vader beperkt dat op den duur zijn recht tot toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM, omdat hij het (financieel) niet meer kan dragen.

Nadat de vader de beschikking van 22 juli 2025 en 6 augustus 2025 van de voorzieningen-rechter had ontvangen, heeft de advocaat van de vader (de advocaat van) de moeder erop gewezen dat zij niet-ontvankelijk is in de onderhavige procedure, althans dat zij geen belang heeft bij deze procedure, aangezien de bestreden beschikking is gewijzigd. De moeder is meermaals verzocht om het verzoek in hoger beroep in te trekken, zodat de vader niet opnieuw onnodige kosten hoefde maken, namelijk bij brief van 4 augustus 2025, nog eens schriftelijk op 5 augustus 2025 en daarna is geprobeerd telefonisch contact op te nemen met de advocaat van de moeder. De (advocaat van de) vrouw heeft hierop op geen enkele wijze gereageerd. Na het verlopen van de verweertermijn (en het indienen van het omvangrijke verweerschrift door de vader in principaal hoger beroep, trekt de moeder alsnog kort voor de mondelinge behandeling haar verzoek in. De advocaat van de vader heeft op dat moment ook de mondelinge behandeling al volledig voorbereid.

De moeder heeft niet tijdig verweer gevoerd in incidenteel hoger beroep, dus het verzoek ligt voor toewijzing gereed.

De vader is van mening dat de moeder ook in deze procedure in de werkelijke proceskosten veroordeeld moet worden. Een proceskostenveroordeling op basis van het forfaitaire tarief voldoet niet, omdat de vader dan een gedeelte van de kosten alsnog zelf moet dragen. Gelet op de situatie is dat niet reëel. De vader is van mening dat de moeder niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, althans dat het verzoek evident ongegrond is en dat er sprake is van misbruik van procesrecht aangezien alle hulpverlening heeft vastgesteld dat er geen onveiligheid is bij de vader en dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] veilig is en uitgebreid moet worden.

3.12.

De moeder voert ter zake, samengevat, het volgende verweer.

De vader heeft in incidenteel hoger beroep enkel en alleen gegriefd tegen de proceskosten-veroordeling in eerste aanleg. De vader vraagt nu ook een proceskostenveroordeling. Nu het principaal hoger beroep is ingetrokken, dient het verzoek in incidenteel hoger beroep hetzelfde lot te ondergaan. De moeder heeft het principaal hoger beroep ingetrokken omdat de vader voornemens was beslag te leggen ter zake de proceskostenveroordeling in de beschikking van 22 juli 2025 en 6 augustus 2025.

De moeder betwist dat de advocaat van de vader schriftelijk of telefonisch heeft verzocht het hoger beroep in te trekken.

Indien en voor zover de mondelinge behandeling ten aanzien van het incidenteel hoger beroep van de vader doorgang vindt, dienen alle stukken die de moeder heeft ingediend ter zake het verweer in het incidenteel hoger beroep als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De moeder stuurt uitdrukkelijk het advies van het LECK na over de beetwond van [minderjarige] en de tuchtrechtprocedure die loopt tegen de GW-er die in deze zaak namens de GI de beslissingen neemt.

Primair is de moeder van mening dat de mondelinge behandeling geen doorgang dient te vinden. De vader heeft een rechtsbijstandsverzekering. Subsidiair, als de zitting doorgang vindt, kan dit niet zonder behandeling van de zaak in principaal hoger beroep.

De overwegingen van het hof

3.13.

Het hof stelt ter informatie voorop dat de vader had kunnen volstaan met zijn verzoek in principaal hoger beroep tot veroordeling van de moeder in de proceskosten. Ook indien appellant het principaal hoger beroep intrekt, is het hof gehouden het in dat kader door de wederpartij gedane verzoek tot veroordeling van appellant in de proceskosten te beoordelen.

3.14.

Verder overweegt het hof als volgt.

De moeder heeft het recht om in hoger beroep te komen van een beslissing waarmee zij zich niet kan verenigen. Het hoger beroep in deze procedure heeft zij ingesteld op 10 juni 2026; vóór de indiening van het wijzigingsverzoek ex 223 Rv. In die procedure is de moeder reeds veroordeeld in de werkelijke proceskosten van de vader.

Het hof is van oordeel dat niet vaststaat dat het principaal hoger beroep in deze procedure nodeloos is ingesteld. Voor het hof staat niet vast dat de moeder zonder meer niet-ontvankelijk zou zijn verklaard in haar verzoeken in principaal hoger beroep, zou het hof aan een inhoudelijke beoordeling van die verzoeken zijn toegekomen. Het hof houdt het er dus voor dat de moeder een belang had bij haar verzoek in hoger beroep. Ook is het hof van oordeel dat niet vaststaat dat de moeder misbruik heeft gemaakt van haar recht om van de bestreden beschikking in hoger beroep te gaan. Daartoe heeft de vader onvoldoende gesteld. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de werkelijke proceskosten van de vader in hoger beroep.

3.15.

Het hof ziet echter wel voldoende aanleiding om de moeder te veroordelen in de proceskosten van de vader op basis van het liquidatietarief.

Hoewel het de moeder vrij staat om haar verzoeken later in de procedure in te trekken, voorzag de vader echter begin augustus 2025 al dat de moeder dat op het laatste moment zou doen. De vader heeft daarom uitdrukkelijk gevraagd het verzoek in te trekken vóór hij kosten zou moeten maken. De moeder heeft daarop niet gereageerd en het hoger beroep uiteindelijk alsnog ingetrokken ná het verstrijken van de verweertermijn in principaal hoger beroep, en aldus nadat de vader aanzienlijke kosten heeft moeten maken, terwijl het belang van de moeder bij haar verzoek in hoger beroep ten aanzien van de voorlopige zorgregeling toch al gering was, aangezien de mondelinge behandeling in de procedure in eerste aanleg op korte termijn zou worden voortgezet, namelijk op 6 oktober 2025. Bovendien heeft de moeder ervoor gekozen om, ondanks dit geringe belang, aan twee gerechtelijke instanties gelijktijdig te verzoeken tot een ander oordeel te komen omtrent de voorlopige zorgregeling, zodat de vader zich genoodzaakt zag in twee procedures verweer te voeren.

De reden die de moeder aanvoert om het hoger beroep, namelijk omdat de vader dreigde over te gaan tot het executeren van de proceskostenveroordeling in de voorzieningenprocedure, kan het hof niet volgen en acht het hof niet reëel. Het hof ziet dan ook niet in waarom de moeder tot het allerlaatste moment heeft gewacht met het intrekken van haar verzoek.

3.16.

Het hof hanteert één punt voor het indienen van het verweerschrift in principaal hoger beroep.

Daarnaast heeft het hof de vader gevraagd te reageren op het intrekkingsbericht van de moeder. Aangezien het hoger beroep zeer laat is ingetrokken, gaat het hof er bovendien vanuit dat de advocaat van de vader, zoals aangevoerd, zich reeds had voorbereid op de mondelinge behandeling bij het hof. Voor ieder van deze handelingen hanteert het hof een halve punt.

Voor het indienen van het incidenteel hoger beroep hanteert het hof geen punt, aangezien zoals gezegd, de vader het verzoek tot proceskostenveroordeling ook in principaal hoger beroep had kunnen doen. Het voorgaande komt derhalve op een totaal van 2 punten.

3.17.

In tarief II (voor zaken van onbepaalde waarde) wordt in hoger beroep ieder punt gewaardeerd op € 1.214,-, met een maximum van drie punten. Het hof stelt de proceskosten aan de zijde van de vader in dezen op basis van het liquidatietarief vast op € 2.428,-, te vermeerderen met het griffierecht ad € 362,-.

3.18.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoeken in principaal hoger beroep;

veroordeelt de moeder in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de vader op € 2.428,- en € 362,- aan griffierecht;

veroordeelt de moeder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na de datum van betekening van de in deze te geven uitspraak tot de dag van volledige betaling;

verklaart de beslissingen over de proceskosten en de wettelijke rente uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.M.J. Peters en M. Jonker en is op 9 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. G.M. Goes in tegenwoordigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »