ECLI:NL:GHSHE:2025:1730

Datum uitspraak
19-06-2025
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
200.353.024_01
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

omgangsregeling

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 19 juni 2025

Zaaknummer : 200.353.024/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/428138 JE RK 24-1961

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx,

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

thans zonder procesvertegenwoordiger,

Stichting Jeugdbescherming [plaats] ,

locatie [locatie] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda , van 6 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 maart 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, een en ander kosten rechtens.

2.1.1.

Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de advocaat van de moeder nader toegelicht dat de moeder het hof concreet verzoek om de omgang als volgt op te bouwen:

- de moeder heeft gedurende de eerste vier weken ten minste iedere week van maandag 09.30 uur tot en met dinsdag 16.00 uur omgang met [minderjarige] ;

- de moeder heeft gedurende de volgende vier weken ten minste iedere week van maandag 09.30 uur tot en met woensdag 16.00 uur omgang met [minderjarige] ;

- de moeder heeft gedurende de volgende vier weken ten minste iedere week van maandag 09.30 uur tot en met woensdag 16.00 uur en vrijdag 09.30 uur tot en met zaterdag 17.00 uur omgang met [minderjarige] ;

- de moeder heeft gedurende de volgende vier weken ten minste iedere week van maandag 09.30 uur tot en met woensdag 16.00 uur en vrijdag 09.30 uur tot en met zaterdag 17.00 uur omgang met [minderjarige] ;

- de moeder heeft daarna, steeds om de week, gedurende een gehele week omgang met [minderjarige] van maandagochtend tot maandagochtend, dan wel;

- indien het hof van oordeel is dat de door de moeder verzochte omgangsregeling niet in het belang van [minderjarige] is, dan verzoekt de moeder subsidiair om een andere regeling vast te stellen, in goede justitie nader te bepalen, waarbij de omgang tussen de moeder en [minderjarige] wordt uitgebreid en onbegeleid plaatsvindt.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 mei 2025, heeft de GI verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juni 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Gulickx. Voor de moeder is A. Mazur opgetreden als tolk in de Poolse taal ( [tolknummer] );

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] ;

- de vader. Voor de vader is J.E. Hynd opgestreden als tolk in de Engelse taal ( [tolknummer] ).

2.3.1.

De raad heeft het hof op 6 mei 2025 bericht niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep te zullen verschijnen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 januari 2025.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is [minderjarige] geboren.

3.2.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3.3.

De moeder heeft de Poolse nationaliteit. De vader heeft de Hongaarse nationaliteit. [minderjarige] heeft de Poolse en de Hongaarse nationaliteit.

3.4.

[minderjarige] staat sinds 5 juli 2023 onder toezicht van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van 31 mei 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd, te weten tot 5 juli 2025.

3.5.

Bij beschikking van de kinderrechter van 19 mei 2024 is [minderjarige] met een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin geplaatst. Bij beschikking van de kinderrechter van 31 januari 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] laatstelijk verlengd, te weten tot 5 juli 2025.

3.6.

Door omstandigheden kon [minderjarige] niet meer in het pleeggezin blijven. Medio mei 2025 is [minderjarige] bij de vader geplaatst, waar zij tot op heden verblijft.

3.7.

Bij beschikking van de kinderrechter van 6 februari 2025 is de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om op grond van artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek de omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] uit te breiden.

De kinderrechter heeft daartoe als volgt overwogen:

“Ten aanzien van het verzoek van de moeder om de omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] uit te breiden op grond van artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) is de kinderrechter van oordeel dat de moeder dit verzoek niet op die grond kan doen, nu sprake is van een uithuisplaatsing. De geëigende weg was een verzoek op grond van artikel 1:265f, tweede lid BW geweest. De kinderrechter zal de moeder dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.”

3.10.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.11.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft onterecht het verzoek op basis van het wetsartikel afgewezen. De rechtbank had de rechtsgrond ambtshalve moeten aanvullen en het verzoek inhoudelijk moeten beoordelen. Inmiddels is de situatie echter dusdanig veranderd, dat de moeder haar verzoek wederom en alsnog op artikel 1:337e BW baseert.

De moeder heeft op dit moment begeleid omgang met [minderjarige] op het kantoor van Jeugdbescherming [plaats] . Ook vindt er wekelijks een videobelmoment plaats. De moeder wordt verweten dat zij [minderjarige] overspoelt met cadeautjes en snoep. De moeder benadrukt dat de snoepjes bestemd waren voor het gehele pleeggezin als dank voor de zorg voor [minderjarige] . De moeder heeft van de kinderbijslag die zij ontvangt steeds kleding gekocht voor [minderjarige] . De moeder betwist dat ze zich belastend heeft geuit jegens of over de pleegmoeder of de vader richting [minderjarige] . Jeugdbescherming [plaats] heeft aangegeven onderzoek te doen naar een opbouwende omgangsregeling, wanneer de moeder een goede huisvestiging heeft gevonden. De moeder verblijft niet langer in de doorstroom voorziening. Ze heeft een zelfstandige woonruimte sinds 17 februari 2025.

De moeder acht een uitbreiding van de omgangsregeling in het belang van [minderjarige] . Gezien de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] is het in het belang van [minderjarige] dat er frequent contact is met de moeder. De stabiliteit en continuïteit van deze band is van cruciaal belang voor de emotionele en psychologische ontwikkeling van [minderjarige] .

De moeder is fysiek en emotioneel beschikbaar voor [minderjarige] . De GI heeft haar zorgen geuit over de psychische toestand van de moeder. GGZ [naam] heeft tot twee keer toe verklaard dat moeder niet mentaal of psychisch ziek is en dat zij de moeder niet kunnen helpen omdat de moeder geen hulpvraag heeft. De moeder onderneemt actie en zoekt hulp, wanneer zij dit nodig heeft.

Gebleken is dat de begeleide omgang van [minderjarige] met de moeder bij [instantie] goed is verlopen. Daarop is de omgang uitgebreid naar onbegeleide omgang met een overnachting. Dat is teruggedraaid op de grond dat de moeder zich negatief zou uitlaten over de pleegmoeder en de vader, maar dat is volgens de moeder niet gebeurd.

De moeder maakt zich veel zorgen over [minderjarige] nu zij bij de vader woont. Daarom informeert zij veelvuldig bij de vader en het kinderdagverblijf hoe het met haar gaat. De moeder kan dat moeilijk loslaten. Het zou de moeder helpen als zij [minderjarige] wat meer kan zien. Zij hoeft [minderjarige] dan ook minder te ‘pleasen’.

De moeder heeft laten zien dat zij aan zichzelf werkt, een goede huisvestiging heeft gevonden en fysiek en emotioneel beschikbaar is voor [minderjarige] .

3.12.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, – samengevat – het volgende aan.

Een eerdere uitbreiding van de omgang bij de moeder thuis diende terug gedraaid te worden omdat de moeder zich negatief uitliet over de pleegmoeder waardoor [minderjarige] zich tegen de pleegouders ging afzetten. Ook vanwege privéomstandigheden van de pleegouders, hebben zij besloten de plaatsing van [minderjarige] te stoppen. Er kon geen ander pleeggezin worden gevonden en dus heeft de GI besloten [minderjarige] bij de meest stabiele ouder te plaatsen: de vader. Hierdoor kon het tweewekelijkse contact tussen moeder en [minderjarige] op kantoor worden uitgebreid naar een wekelijks contact op kantoor: iedere dinsdag van 09.30 tot 11.30 uur.

De moeder heeft huisvestiging gevonden door tussenkomst van de GI. Zij verblijft in een tweekamerappartement met verplichte hulpverlening vanuit [instantie] . Het is echter het gedrag van moeder dat op dit moment aan een uitbreiding van de omgangsregeling in de weg staat.

De GI heeft grote zorgen over de psychische toestand van de moeder. Op 1 april jl. heeft er een incident plaatsgevonden in de thuissituatie van de moeder, waarbij de moeder fors is uitgevallen tegen de hulpverlening, waarbij het vermoeden bestond dat moeder een psychose had. Hulpverlening van de GGZ komt niet van de grond omdat de moeder geen hulpvraag heeft. Tijdens overleggen waar de GI bij is, laat de moeder zich zeer negatief uit over de vader. Ze laat zich daarin niet begrenzen. Tijdens het incident op 1 april jl. heeft [minderjarige] ook zorgelijke uitspraken gedaan over wat de moeder tegen haar gezegd zou hebben, waarbij blijkt dat [minderjarige] negatief is beïnvloed richting de pleegouders door moeder. De moeder kan niet op zichzelf en haar gedrag reflecteren. Alles draait om de moeder. Het lukt haar niet in het belang van [minderjarige] te denken. De moeder heeft niet aan zichzelf gewerkt. Ze heeft haar praktische zaken nu weliswaar op orde, maar ouderschap is meer dan dat. Het is van belang dat de moeder een intelligentieonderzoek ondergaat, aangezien de informatie die haar wordt aangereikt niet lijkt binnen te komen of te beklijven.

De moeder ziet ook niet in wat zij veroorzaakt met haar gedrag, zoals het veelvuldig contact zoeken met het kinderdagverblijf van [minderjarige] . De GI vreest dat de plaatsing van [minderjarige] op het kinderdagverblijf door het handelen van de moeder in gevaar komt.

[minderjarige] reageert positief op beide ouders, maar uitbreiding van de omgang zal in haar tempo moeten plaatsvinden. Voorkomen moet worden dat de omgang, na een te snelle uitbreiding, weer moet worden ingeperkt; dat zou voor [minderjarige] schadelijk zijn. De GI wil de regie kunnen houden en wanneer dit nodig is ook een stapje terug kunnen doen. Voor een uitbreiding is de GI ook afhankelijk van de begeleiding, die niet zomaar opgeschaald kan worden. Het moet veilig en verantwoord zijn en het is belangrijk dat de moeder de plaatsing van [minderjarige] bij de vader accepteert.

3.13.

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende naar voren gebracht.

Het gaat goed met [minderjarige] . De vader en [minderjarige] hebben een systeem gevonden dat werkt. Ze praten samen elke dag over de moeder. [minderjarige] heeft behoefte aan meer contact met haar moeder. Zij moet zich een beeld vormen en positieve invloed ervaren van een ‘gezonde’ moeder. De moeder kon dat niet bieden in de periode waarin zij ziek was. Zij deed belastende uitspraken, zonder dat zelf door te hebben. De zorgen die de GI heeft, deelt de vader.

De vader vindt het belangrijk dat er snel meer omgang komt, maar ook dat dit begeleid wordt. Dat helpt de moeder om kalm te blijven, maar het helpt [minderjarige] ook.

De vader doet in die zin geen verzoek om uitbreiding van de omgang, maar zou daarover wel geadviseerd willen worden.

Hij heeft geen advocaat, maar hij zou wel een advocaat kunnen inschakelen.

De vader vindt het tot slot belangrijk dat de moeder met hem en de GI gaat samenwerken.

3.14.

Het hof overweegt het volgende.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.14.1.

Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Het hof zal daarom moeten beoordelen in welke lidstaat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats had op het moment van de procesinleiding, te weten 23 oktober 2024. Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] toen in Nederland was en ook nog altijd is, is de Nederlandse rechter bevoegd.

3.14.2.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

Ontvankelijkheid

3.14.3.

Het hof stelt vast dat, wat ook zij van het oordeel van de rechtbank over de rechtsgrond waarop de moeder ten tijde van de procedure in eerste aanleg haar verzoek had moeten baseren, thans sprake is van een situatie waarbij [minderjarige] niet meer bij de pleegouders, maar zonder machtiging bij de vader (met gezag) woont. Dit is eerst tijdens de mondelinge behandeling gebleken.

Onder deze omstandigheden is artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. In zoverre vult het hof de rechtsgronden ambtshalve aan. Het hof acht de moeder ontvankelijk in haar verzoek tot vaststelling van een zorgregeling tussen haar en [minderjarige] .

Ten tijde van de bestreden beschikking was [minderjarige] uithuisgeplaatst. Omdat [minderjarige] sinds medio mei jl. bij de vader is geplaatst, richt dit verzoek zich nu tot de vader. In de (jeugd)zaak in eerste aanleg liet de vader zich nog bijstaan door een advocaat. In hoger beroep heeft de advocaat van de vader zich, nadat het hof de oproepen voor de mondelinge behandeling had verzonden, onttrokken.

Gezien de tijdens de mondelinge behandeling gebleken omstandigheden is het hof van oordeel dat de vader in deze procedure in hoger beroep thans eerst in de gelegenheid zou moeten worden gesteld (via een advocaat) schriftelijk verweer te voeren.

3.14.4.

Tijdens de mondelinge behandeling van het hof is echter ook gebleken dat de advocaat van de moeder bij de rechtbank een nieuw verzoek ter zake van (onder meer) de omgang tussen de moeder en [minderjarige] en het hoofdverblijf heeft ingediend. Dit verzoek wordt op 27 juni 2025 tezamen met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling behandeld. De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hof verklaard dat idealiter tijdens die zitting alle kwesties rondom [minderjarige] gecentreerd behandeld worden en dat daarover afspraken worden gemaakt die door alle partijen gedragen worden.

Alvorens het hof aan de vader een verweertermijn zal geven, zal het hof om proceseconomische redenen de onderhavige procedure eerst drie maanden aanhouden tot de hierna genoemde pro forma datum, in afwachting van de uitkomst van de bij de rechtbank lopende procedures, zodat partijen in de gelegenheid worden gesteld om al deze kwesties betreffende [minderjarige] , voor het eerst inhoudelijk bij een rechter in eerste aanleg, in onderlinge samenhang en bijgestaan door een advocaat te bespreken en daarover eventueel nadere afspraken te maken.

3.14.5.

Het hof zal het door de moeder tijdens de mondelinge behandeling gedane verzoek om een voorlopige uitbreiding van de omgang tussen haar en [minderjarige] vast te stellen, die zal gelden tot het hof ter zake een definitieve beslissing geeft, afwijzen. De vader heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling vóór uitbreiding van de mondelinge behandeling gepleit, maar hij heeft in dat kader ook zijn zorgen en aarzelingen geuit. Daarbij werd de vader, zoals gezegd, niet bijstaan door een advocaat en was voor het hof duidelijk dat de vader zich over een uitbreiding uitdrukkelijk wilde laten adviseren.

3.14.6.

Het hof zal de moeder verzoeken het hof vóór de pro forma datum nader te informeren over de stand van zaken in dan wel de uitkomst van de procedure in eerste aanleg, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de GI en de vader. De GI en de vader zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld daar schriftelijk op te reageren.

Conclusie

3.15.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing van het hof.

4 De beslissing

Het hof:

houdt de procedure aan tot PRO FORMA 19 september 2025;

verzoekt de advocaat van de moeder tijdig vóór de pro forma datum het hof nader te informeren over de stand van zaken in dan wel de uitkomst van de procedure in eerste aanleg, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de GI en de vader;

wijst af het verzoek van de moeder tot een voorlopige uitbreiding van de omgangsregeling.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. Goes, C.M.J. Peters en M.A. Ossentjuk en is op 19 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »