ECLI:NL:GHDHA:2026:1616

Datum uitspraak
22-04-2026
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
22-002101-22
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en 6 maanden wegens poging tot doodslag (en mishandeling) van zijn vriendin. Extreem geweld, waaronder het met een metalen pijp op haar hoofd slaan en het schoppen tegen haar hoofd. Zij heeft hierdoor blijvend ernstig hersenletsel opgelopen en zal de rest van haar leven hulpbehoevend blijven. Daarnaast is ook TBS met dwangverpleging opgelegd, ondanks dat de gedragsdeskundigen geen advies over de mate van toerekenbaarheid hebben kunnen geven. Wel sprake van een chronische persoonlijkheidsstoornis, die ook aanwezig was tijdens het plegen van de feiten. Vordering benadeelde partij (vriendin) integraal toegewezen (€ 1.237.875,56). Immateriële schade bepaald op € 350.000,--. Materiele schade vastgesteld op € 887.875,56. Deze schade bestaat grotendeel uit hetgeen als “verlies verdienvermogen” wordt gevorderd, waaronder ook “verlies verdienvermogen (eigen bijdrage WLZ)”. Wet langdurige zorg (WLZ). Hof overweegt dat de aanspraken die de benadeelde partij heeft op basis van de WLZ niet mindering worden gebracht op de geleden schade. Artikel 10.2.1 WLZ is namelijk geen imperatieve bepaling. Daarnaast vorderingen van de benadeelde partijen moeder en vader integraal toegewezen (beiden in totaal € 15.656,--).

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rolnummer: 22-002101-22

Parketnummer: 09-177537-21

Datum uitspraak: 22 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juli 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Ook is de terbeschikkingstelling gelast, waarbij is bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Verder zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen..

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primairhij op of omstreeks 4 juli 2021 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of met een buis/pijp, althans een hard voorwerp, heeft geslagen op het lichaam en/of het hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 juli 2021 te 's-Gravenhage aan zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel heeft toegebracht door met een buis/pijp, althans een hard voorwerp, op het hoofd te slaan en/of tegen het hoofd te trappen/schoppen en/of te slaan/stompen;

2.hij op op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 3 juli 2021 te 's-Gravenhage zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] .

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd, van ongemaximeerde duur.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primairhij op of omstreeks 4 juli 2021 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of met een buis/pijp, althans een hard voorwerp, heeft geslagen op het lichaam en/of het hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij op op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 3 juli 2021 te 's-Gravenhage zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] .

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte en motivering van de straf en maatregel

De bewezenverklaarde feiten kunnen worden bestraft met een tijdelijke gevangenisstraf. In geval van oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf kan daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege worden opgelegd. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en voorts de maatregel van tbs opgelegd met het bevel dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden en de oplegging van de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege. De advocaat-generaal heeft deze strafeis bepaald op basis van een uitgangspunt van tien jaren gevangenisstraf, maar heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn en dat hij naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de oplegging van de tbs-maatregel heeft gevorderd.

De verdediging heeft bepleit dat het hof bij het bepalen van de straf en het opleggen van een maatregel de mogelijkheid betrekt dat aan de verdachte voorwaarden betreffende het gedrag worden opgelegd al dan niet in combinatie met een tbs-maatregel.

Tegen deze achtergrond heeft het hof de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zijn vriendin en levensgezel in de periode van januari 2021 tot 3 juli 2021 meermalen mishandeld en voorts op 4 juli 2021 zoveel geweld tegen haar toegepast dat zij als gevolg daarvan de rest van haar leven de ernstige en ingrijpende gevolgen zal ondervinden.

De verdachte heeft zich daarbij op 4 juli 2021 in kwalificerende zin schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van zijn vriendin met wie hij al lange tijd samen was. Hij heeft zich daarbij extreem gewelddadig gedragen en het slachtoffer meerdere malen en met kracht geslagen, onder meer met een metalen pijp, en geschopt, onder meer op en tegen haar hoofd. Het slachtoffer heeft hierdoor onder meer ernstig hersenletsel opgelopen. Er was sprake van grote bloeduitstortingen over haar hele lichaam, onder meer aan de borstkas, beide benen aan boven- en onderzijde, alsmede aan de linkerarm en -schouder, de rechter arm en aan de rechterhand. Als gevolg van het uitgeoefende geweld op het hoofd bevonden zich meerdere letsels over het hele hoofd verspreid. Niet in de laatste plaats was sprake van inwendig hoofdletsel, zoals een bloeduitstorting in de hersenen, diffuus hersenletsel en kenmerken van zuurstofgebrek, waardoor het slachtoffer in kritieke en comateuze toestand in het ziekenhuis is opgenomen. De druk in de schedel was door de aanwezige bloedingen dermate hoog dat direct neurochirurgisch ingrijpen noodzakelijk was om haar leven te redden. Het slachtoffer heeft daarna nog een lange tijd in coma gelegen en het was onduidelijk of zij ooit nog zou ontwaken.

Na het ontwaken is het slachtoffer in september 2021 overgeplaatst naar een revalidatiecentrum voor jongeren met ernstig hersenletsel. Er was toen sprake van volledige afhankelijkheid van zorg en een wisselend gestoord bewustzijn. Door de revalidatiearts werd een beeld geschetst van een zeer ernstig neurologisch beschadigde patiënte zowel in somatisch als in neurocognitief opzicht. Ze kon bijvoorbeeld niet zelfstandig eten en drinken en vrijwel niet spreken. Dit beeld was op het moment van de terechtzitting in hoger beroep nauwelijks veranderd. Eerst leek het slachtoffer met kleine stappen vooruit te gaan in haar ontwikkeling, maar op dit moment is geen sprake meer van een revalidatietraject. Het slachtoffer beweegt uitsluitend onder begeleiding om te voorkomen dat een proces van afsterven van spieren zal intreden. Op een video opname die de raadsman van het slachtoffer voorafgaand aan de zitting aan het hof heeft gestuurd en die door alle procesdeelnemers is gezien, komt die toestand van het slachtoffer duidelijk naar voren.

Door het handelen van de verdachte heeft het slachtoffer naar het zich laat aanzien dan ook geen enkel perspectief meer op een normaal leven.

Het handelen van de verdachte getuigt van een ernstig gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer, nota bene op het moment van het incident zijn levensgezel. Daar komt bij dat de verdachte ter terechtzitting weliswaar heeft gezegd de gevolgen die het slachtoffer ondervindt niet te hebben gewild en dat hij haar dit nooit heeft willen aandoen, maar de verdachte heeft niet verklaard wat hem op 4 juli 2021 tot dit gedrag heeft gebracht, waar hij het slachtoffer in haar eigen huis waar zij zich bij uitstek veilig had behoren te voelen op zo een verschrikkelijke wijze heeft toegetakeld. Nog afgezien van de gevolgen voor het slachtoffer, heeft dit feit ook grote gevolgen voor haar familie. Ook zij moeten leven en omgaan met de ingrijpende veranderingen in het leven van het slachtoffer. Het hof rekent het de verdachte voorts zwaar aan dat hij 24 uren heeft gewacht met het inschakelen van noodzakelijke medische hulp, terwijl het slachtoffer buiten bewustzijn was en overduidelijk dringend medische zorg nodig had. Ter terechtzitting heeft de verdachte ook daarvoor geen verklaring gegeven. Het hof rekent hem zijn gedrag in zeer ernstige mate aan.

Deze feiten zijn zo ernstig dat alleen een langdurige vrijheidsbenemende straf aan de orde kan zijn ter vergelding van het door de verdachte veroorzaakte – naar het zich thans laat aanzien – onherstelbare leed. Voor het bepalen van de duur van die straf en ter beantwoording van de vraag of naast een gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling al dan niet met verpleging van overheidswege geboden is, heeft het hof mede acht geslagen op de hierna volgende bevindingen omtrent de persoon van de verdachte.

Persoon van de verdachte en toerekenbaarheid

Het hof heeft in de eerste plaats kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie van 5 november 2024 betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Voorts zijn omtrent de persoon van de verdachte Pro Justitiarapporten en een reclasseringsadvies opgemaakt. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan, in het bijzonder van:

 een Pro Justitia rapportage van 4 maart 2022 (locatie Pieter Baan Centrum) van A. Witvliet, GZ-psycholoog, en D. Kuijpers, psychiater;

 een Pro Justitia rapportage van 25 september 2024 betreffende aanvullend ambulant onderzoek van A. Witvliet, GZ-psycholoog, en D. Kuijpers, psychiater;

 een reclasseringsadvies van het Leger des Heils van 18 februari 2025 van reclasseringswerker [reclasseringswerker 1] (met als bijlage het reclasseringsrapport van 8 maart 2022).

De verdediging en de advocaat-generaal hebben ter terechtzitting van 23 januari 2024 medegedeeld in hoger beroep in te stemmen met het gebruik van de rapportage van de gedragsdeskundigen van 4 maart 2022 en zich nadien desgevraagd niet verzet tegen het gebruik van die rapportages en de rapportage van het aanvullend ambulant onderzoek van 25 september 2024.

Het hof zal van deze rapportages gebruik maken, temeer nu de gedragsdeskundigen Witvliet en Kuijpers op 25 maart 2026 ter terechtzitting in hoger beroep zijn gehoord en hun rapportages van 4 maart 2022 en 25 september 2024 desgevraagd nader hebben toegelicht.

Voorts is op 25 maart 2026 ter terechtzitting van het hof de reclasseringswerker Hopstaken als deskundige gehoord.

Het Reclasseringsadvies van 18 februari 2025 houdt in dat de reclassering het passend vindt om de verdachte een klinisch traject te laten doorlopen, alvorens hij terugkeert in de maatschappij. Omdat de verdachte heeft aangegeven daar niet aan te willen meewerken, adviseert de reclassering niet tot het opleggen van een straf of maatregel waarbij de verdachte zich dient te houden aan bijzondere voorwaarden. Bij een veroordeling tot tbs of een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert de reclassering wel een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM, artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs of gevangenisstraf.

In de Pro Justitia Rapportage van het Pieter Baan Centrum van 4 maart 2022 en het Aanvullend ambulant onderzoek van 25 september 2024 is onder meer het volgende opgenomen.

Diagnostiek

Er is classificerend sprake van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en paranoïde trekken. Al vanaf jonge leeftijd is er sprake van (externaliserende) gedragsproblemen. In combinatie met een opvoedingspatroon dat zich lijkt te kenmerken door wisselende grenzen en wantrouwen richting de buitenwereld ontwikkelt betrokkene in de loop der jaren het idee (door iedereen) verkeerd behandeld te worden. Een sterk ervaren onrecht stuwt zijn boosheid en leidt in de adolescentie en jongvolwassenheid naast woede tot een fragiel zelfbeeld, tot een gevoeligheid voor krenking, tot een gevoel niet begrepen te worden, tot wantrouwen, tot moeite contacten blijvend te verdiepen en tot een gebrek aan doorzettingsvermogen en discipline. Deze kenmerken worden onderdeel van zijn persoonlijkheid en beletten betrokkene een maatschappelijk en sociaal bevredigend bestaan op te bouwen. Betrokkene disfunctioneert thans op veel levensgebieden (wonen, werk, financiën, relaties). Gevoelens van boosheid en woede zijn hierbij terugkerende thema’s in zijn leven, waarbij deze echter ook langere periodes niet tot (objectiveerbare) agressieve grensoverschrijdende ontladingen lijken te hebben geleid.

Naast de persoonlijkheidsstoornis is er sprake van een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis: betrokkene gebruikt al jaren dagelijks en in steeds forsere mate, doet vergeefse pogingen te minderen of te stoppen, en spendeert veel tijd aan het gebruik ervan. Het gebruik is thans, in een gecontroleerde omgeving, in remissie. Betrokkene dacht naar zijn zeggen dat het gebruik van cannabis hem hielp om beter met boosheid om te gaan, maar is daar inmiddels op teruggekomen. Eerder zou het zijn wantrouwen voeden, aldus betrokkene. Hij zegt nu voornemens te zijn het nooit meer te gaan gebruiken.

Ten slotte is er tevens sprake van een depressieve stoornis, mogelijk als gevolg van (het disfunctioneren door) de persoonlijkheidsproblematiek en stoornis in het gebruik van cannabis. Op dit moment is de depressie (grotendeels) in remissie. Hij voelt zich niet somber, maar oogt nog wel erg vlak.

Ten tijde van de ten laste gelegde feiten waren deze stoornissen ook aanwezig. De persoonlijkheidsstoornis is chronisch aanwezig en weerspiegelt de disfunctionele patronen in zijn karakter. Daarnaast gebruikte betrokkene al lange tijd dagelijks cannabis en er waren, alhoewel hij zich niet langer somber voelde, nog wel veel negatieve piekergedachten, (zelf)verwijt en agitatie aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten, waarmee de depressie vermoedelijk enkel gedeeltelijk in remissie was. Door de beperkingen van het onderzoek is er echter onvoldoende zicht gekomen op de hevigheid van de symptomen die met bovenstaande diagnoses samenhingen en hun onderlinge samenhang ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Doorwerking van de pathologie en toerekenbaarheid

Buiten de verklaringen van betrokkene bieden de beschikbare stukken weinig tot geen gedragskundig relevante aanknopingspunten met betrekking tot zijn gemoedstoestand en drijfveren in de aanloop naar en ten tijde van het sub 1 (het hof begrijpt: de poging doodslag op 4 juli 2021) ten laste gelegde. [slachtoffer] (het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer] ) en betrokkene zouden een enigszins teruggetrokken bestaan hebben geleid en referenten hebben weinig inzicht kunnen verschaffen in welke onderwerpen doorgaans tot relationele spanningen of conflicten leidde en hoe beiden daar vervolgens mee om zijn gegaan. Omdat betrokkene ook nog eens elke vorm van relationele problematiek ontkent, is het niet duidelijk waarom betrokkene boos op [slachtoffer] is geworden en waarom hij ten tijde van het ten laste gelegde (indien bewezen) zo agressief is geworden en waarom hij zichzelf niet heeft kunnen en/of willen controleren.

In algemene zin kan over betrokkenes pathologie worden gesteld dat zijn gevoeligheid voor krenking, zijn neiging zich niet begrepen te voelen en zijn egocentrisme hem kwetsbaar maken om te vervallen in een gevoel van wantrouwen en boosheid. Tegelijkertijd is ook duidelijk geworden dat dit in voorgaande jaren waarschijnlijk niet heeft geleid tot grote agressieve doorbraken. Daarenboven laat betrokkene gedurende de huidige plaatsing in het PBC zien voldoende controle te hebben over zijn impulsen en agressie, weliswaar met dempende medicatie.

Dit maakt dat de agressie ten tijde van het sub 1 ten laste gelegde, indien bewezen,, zich niet goed laat verklaren omdat er geen zicht is op de dynamiek van de relatie, de conflicten en pijnpunten van de relatie en op de drijfveren en motieven van betrokkene rondom het sub 1 ten laste gelegde. Te meer omdat er onvoldoende aanwijzingen bestaan voor een sterk psychopathologisch bepaald toestandsbeeld zoals een manie (als onderdeel van een bipolaire stoornis) of een psychose.

De vele onbekende variabelen in het delict scenario leiden ertoe dat het niet mogelijk is na te gaan in hoeverre betrokkene ten tijde van dit ten laste gelegde (indien bewezen) in zijn keuzevrijheid beperkt was als gevolg van zijn psychische stoornissen.

Hoewel er vanuit het strafdossier en de referenten aanknopingspunten te vinden zijn voor langer durende relatieproblemen, woede-uitbarstingen en vermoedens van geweld vanuit betrokkene richting [slachtoffer] , blijft de stuwende kracht achter deze woede-uitbarstingen, zoals ook hierboven al werd geschetst, onduidelijk. Het is concluderend niet na te gaan of en in hoeverre betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het sub 2 (het hof begrijpt: de mishandelingen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 3 juli 2021) ten laste gelegde (indien bewezen) vanuit de gediagnosticeerde pathologie verklaard kunnen worden en in hoeverre zijn keuzevrijheid hierdoor werd ingeperkt.

Uit het bovenstaande volgt dat er geen doorwerking van de pathologie in beide ten laste gelegde feiten is te onderbouwen, noch uit te sluiten. Een advies over de mate van toerekenen is als gevolg hiervan niet te geven.

Aangezien er geen doorwerking van de pathologie in de ten laste gelegde feiten kan worden vastgesteld en de kans op herhaling van soortgelijke feiten als de huidige onvoldoende geïndividualiseerd en betrouwbaar kan worden vastgesteld, onthouden onderzoekers zich van een interventieadvies en een bijbehorend juridisch kader.

Recidiverisico

De reclassering schat het risico op recidive en het risico op letselschade in als hoog. Daarbij neemt de reclassering in aanmerking dat ernstige woedeaanvallen sinds de verdachte wordt behandeld met een antipsychoticum, niet meer zijn voorgekomen. Hiermee lijkt de kans op recidive te zijn afgenomen binnen de gecontroleerde en gestructureerde setting van het PPC, maar omdat het door de wisselende verklaringen niet geheel duidelijk is wat er daadwerkelijk ten grondslag lag aan het tenlastegelegde, is dit niet met zekerheid te stellen. Bovendien acht de reclassering het gepast om, gezien de ernst van het feit, grote zorgvuldigheid te betrachten bij het inschatten van de risico’s. Het risico op een nieuw gewelddadig feit kan wel zijn verminderd, maar bij recidive kan de mate van het geweld zeer ernstig zijn, gelet op het letsel dat het slachtoffer in onderhavige zaak heeft opgelopen. Doordat betrokkene reeds langere tijd bekend is met kickboksen weet hij hoe iemand ernstig letsel toe te brengen en is hij daartoe in staat.

Het oordeel van het hof

Het hof ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de door de deskundigen vastgestelde problematiek (ook) aanwezig was ten tijde van het hiervoor bewezenverklaarde en of er sprake is van omstandigheden als gevolg waarvan de bewezenverklaarde gedragingen de verdachte in meer of mindere mate al dan niet kunnen worden toegerekend.

Naar het oordeel van het hof waren de vastgestelde stoornissen ten tijde van de bewezen verklaarde feiten aanwezig. De persoonlijkheidsstoornis is immers chronisch aanwezig en weerspiegelt de disfunctionele patronen in het karakter van de verdachte.

Verder neemt het hof in aanmerking dat de verdachte geen inzicht heeft kunnen of willen geven in zijn beweegredenen om over te gaan tot de explosieve geweldsuitoefening tegen het slachtoffer op 4 juli 2021. Het hof heeft niet kunnen vaststellen of de verdachte zich daarover niets meer kan herinneren, dan wel dat hij er bewust voor heeft gekozen daarover geen duidelijkheid te verschaffen. Het hof stelt verder – met de deskundigen – vast dat geen aanwijzingen zijn gevonden dat de verdachte op 4 juli 2021 heeft gehandeld onder invloed van een psychotische stoornis of een andere psychiatrische stoornis, waaronder een stoornis met geheugenproblematiek.

Ter terechtzitting heeft de ondervraging van de verdachte evenmin enig inzicht gebracht in het antwoord op de vraag naar de motieven en drijfveren van de verdachte op 4 juli 2021. De verdachte heeft weliswaar gewezen op problematiek die in zijn verleden een rol heeft gespeeld en die hij gedurende zijn detentie heeft aangepakt, maar ook dat levert geen verklaring op voor zijn gedrag op 4 juli 2021. [reclasseringswerker 2] van de reclassering heeft opgemerkt dat zij enige veranderingen heeft waargenomen in het contact tussen haar en de verdachte – zij kon nu beter en opener met hem spreken dan eerder – maar het cruciale aspect dat nodig is voor een behandeling van de problematiek, namelijk inzicht in de motieven en drijfveren waardoor de verdachte tot zijn gedrag is gekomen, blijft oningevuld. Ook ter terechtzitting heeft het hof waargenomen dat bij de verdachte nog steeds sprake is van externaliserende gedragingen.

De gedragsdeskundigen hebben ter terechtzitting verklaard dat nader onderzoek nodig is om wel zicht te krijgen op die genoemde motieven en drijfveren, alsmede op de etiologie en uitingsvormen van zijn boosheid. Het onderzoek daarnaar kan echter niet plaatsvinden binnen de (tijds)beperkingen van (nog een) nader Pro Justitia onderzoek.

Het hof onderschrijft de conclusies van de gedragsdeskundigen en van de deskundige van de reclassering. Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte volledig kunnen worden toegerekend, nu enige doorwerking van de persoonlijkheidsstoornis in de bewezenverklaarde feiten niet is te onderbouwen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

De duur van de op te leggen gevangenisstraf

Naar het oordeel van het hof is het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur de enige passende straf. Er is sprake van samenloop van een poging tot doodslag en mishandeling van zijn levensgezel, meermalen gepleegd. Het daarop gestelde strafmaximum is ruim dertien jaren gevangenisstraf. Het hof vindt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren een passende straf. Omdat het hof naast deze straf ook de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege zal opleggen, heeft dat een matigende werking op de duur van de op te leggen gevangenisstraf. Daarnaast houdt het hof rekening met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak behoort te worden behandeld. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 12 juli 2022 en de verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 15 juli 2022. De rechtbank heeft het strafdossier tijdig aan het hof doen toekomen. Het hof had arrest dienen te wijzen uiterlijk op 15 november 2023. Daarmee is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met twee jaren en ruim vijf maanden. Vanwege deze overschrijding zal het hof de passend geachte gevangenisstraf van tien jaren verminderen met een jaar en voorts nog met zes maanden, vanwege de op te leggen maatregel. Het hof zal – alles afwegende - de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden. Het hof is van oordeel dat een dergelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt.

Tbs maatregel met verpleging van overheidswege

Het hof stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel. De bewezen verklaarde feiten zijn immers misdrijven zoals genoemd in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht; misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Ook bestond tijdens het begaan van de feiten bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts is voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van een met redenen omkleed advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht.

Het hof is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. Daartoe is redengevend hetgeen blijkt uit de voornoemde rapportages van de deskundigen van het PBC en de reclassering omtrent de problematiek van de verdachte en het geschatte recidiverisico. Gelet hierop is een intensief behandeltraject noodzakelijk en is het onverantwoord om de verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. De omstandigheid dat alvorens een behandeling kan aanvangen eerst duidelijk moet worden – zoals eerder gemotiveerd – wat de verdachte ertoe heeft gebracht dat hij het slachtoffer zo ernstig heeft mishandeld, leidt het hof tot de conclusie dat een tbs-maatregel onder voorwaarden niet een adequate aanpak oplevert. De maatregel van tbs met voorwaarden is eerder toepasselijk indien het inzicht in het handelen van een tbs gestelde wel duidelijk is en er concrete voorwaarden zijn opgesteld die als het ware onmiddellijk kunnen worden opgepakt. Dat inzicht is er niet in de zaak van de verdachte. Die omstandigheden brengen het hof mede tot het oordeel dat alleen de oplegging van de tbs maatregel met verpleging van overheidswege een passende maatregel is.

Uit al het voorgaande volgt dat de oplegging van de maatregel in overeenstemming is met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder dit is begaan en noodzakelijk is op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof zal dan ook de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten en bevelen dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Duur van de maatregel

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (onder meer) een poging tot doodslag. Het hof legt terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dan ook op ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van een persoon. Hieruit volgt dat sprake is van een zogenaamde niet-gemaximeerde terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof maakt geen gebruik van de mogelijkheid een advies te geven omtrent de aanvang van de tbs behandeling.

De tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en initieel een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.331.701,23.

In hoger beroep is deze vordering door een vermindering van eis d.d. 7 januari 2025 aan de orde tot een bedrag van € 1.237.875,56.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 563.907,23, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Meer specifiek gaat het om de volgende materiële schade:

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op basis van de imperatieve bepaling in artikel 10.2.1 van de Wet langdurige zorg: (hierna WLZ) aanspraken die de benadeelde partij heeft op basis van de WLZ in mindering moet worden gebracht op de geleden schade. De aanspraken bestaan onder andere uit verblijfskosten en voorzieningen zoals gas, water, licht en eten en drinken. Berekening van dergelijk voordeel maakt geen deel uit de bestaande berekeningen. Dit leidt ertoe dat de advocaat-generaal vordert dat ten aanzien van de post ‘verlies verdienvermogen’ uitsluitend schattenderwijs een bedrag van € 200.000,- wordt toegewezen.

Naar het oordeel van het hof betreft artikel 10.2.1 WLZ geen imperatieve bepaling, die dusdanig moet worden gelezen dat de rechter de verplichting heeft om bij de vaststelling van het verlies verdienvermogen de eventuele aanspraken die de benadeelde partij heeft krachtens de WLZ daarop in mindering te brengen. Het hof zal de gevorderde materiële schade dan ook volledig toewijzen.

De vordering van de benadeelde partij voor zover deze ziet op de hiervoor genoemde materiële schade zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De ingangsdatum van de wettelijke rente houdt de datum in waarop het onderhavige arrest door het hof is gewezen, mede gelet op het feit dat een gedeelte van de geleden schade toekomstige schade betreft en in de berekening ook een rentedeel zit.

Immateriële schade

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Zoals reeds uitvoerig in de strafmotivering uiteen is gezet, heeft het slachtoffer ernstig (hersen)letsel opgelopen en zal zij gedurende de rest van haar leven volledig afhankelijk zijn van zorg. Naar het zich laat aanzien is er geen enkel perspectief meer op een normaal leven.

Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 350.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.237.875,56 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 15.656,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag € 15.656,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade, in de vorm van de eigen bijdrage bij de toegekende gefinancierde rechtsbijstand, is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.

Immateriële schade

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Weliswaar heeft de benadeelde partij dat niet met concrete gegevens onderbouwd, maar het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het gaat hier immers om een poging doodslag op de dochter van de benadeelde partij, waardoor zij zeer ernstig en blijvend (hersen)letsel heeft opgelopen en voor de rest van haar leven volledig afhankelijk zal blijven de zorg van anderen. Hierdoor wordt de benadeelde partij de rest van haar leven op indringende wijze geconfronteerd met de ingrijpende gevolgen van het misdrijf.

Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 15.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 15.656,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] .

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 15.656,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag € 15.656,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Materiele schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade, in de vorm van de eigen bijdrage bij de toegekende gefinancierde rechtsbijstand, is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.

Immateriële schade

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Weliswaar heeft de benadeelde partij dat niet met concrete gegevens onderbouwd, maar het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het gaat hier immers om een poging doodslag op de dochter van de benadeelde partij, waardoor zij zeer ernstig en blijvend (hersen)letsel heeft opgelopen en voor de rest van haar leven volledig afhankelijk zal blijven de zorg van anderen. Hierdoor wordt de benadeelde partij de rest van zijn leven op indringende wijze geconfronteerd met de ingrijpende gevolgen van het misdrijf.

Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 15.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 15.656,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] .

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 45, 57, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.237.875,56 (een miljoen tweehonderdzevenendertigduizend achthonderdvijfenzeventig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 887.875,56 (achthonderdzevenentachtigduizend achthonderdvijfenzeventig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 350.000,00 (driehonderdvijftigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.237.875,56 (een miljoen tweehonderdzevenendertigduizend achthonderdvijfenzeventig euro en zesenvijftig cent) bestaande uit € 887.875,56 (achthonderdzevenentachtigduizend achthonderdvijfenzeventig euro en zesenvijftig cent) materiële schade en € 350.000,00 (driehonderdvijftigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 357 (driehonderdzevenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 april 2026 en de immateriële schade op 4 juli 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.656,00 (vijftienduizend zeshonderdzesenvijftig euro) bestaande uit € 656,00 (zeshonderdzesenvijftig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.656,00 (vijftienduizend zeshonderdzesenvijftig euro) bestaande uit € 656,00 (zeshonderdzesenvijftig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 november 2021 en de immateriële schade op 4 juli 2021.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.656,00 (vijftienduizend zeshonderdzesenvijftig euro) bestaande uit € 656,00 (zeshonderdzesenvijftig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.656,00 (vijftienduizend zeshonderdzesenvijftig euro) bestaande uit € 656,00 (zeshonderdzesenvijftig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 november 2021 en de immateriële schade op 4 juli 2021.

Dit arrest is gewezen door mr. F.W. van Lottum, als voorzitter, en mr. H. Steenhuis en mr. M. Koole, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.C. Sjardin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 april 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »