ECLI:NL:GHARL:2026:6510

Datum uitspraak
12-10-2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Rechtsgebied
Strafrecht; Strafprocesrecht
Zaaknummer
21-004007-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van poging tot doodslag, medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling van zijn echtgenote en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Oplegging van een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan de voorwaardelijke straf zijn bijzondere voorwaarden verbonden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname en verbod op verdovende middelen en alcohol.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004007-25

Uitspraak van 12 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 september 2025 met parketnummer 05-399609-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] ,

op dit moment verblijvende in P.I. [locatie] .

Hoger beroep

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. G.W.L.A.M. Koppen, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De officier van justitie is niet-ontvankelijk in de strafvervolging ten aanzien van feit 4. In het vonnis is bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag (feit 1 primair), mishandeling (feit 2), medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden (feit 3 primair) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 5). De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden (met aftrek van het voorarrest), waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel zijn bijzondere voorwaarden verbonden.

Bevestiging van het vonnis

Het hof is van oordeel dat de rechtbank Gelderland wat betreft de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie voor feit 4, en de bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2, 3 primair en 5, op juiste wijze heeft beslist. Hetzelfde geldt voor de kwalificatie van de feiten 1 primair, 3 primair en 5. Het hof bevestigt daarom in zoverre het vonnis, zij het dat het hof de gronden zal aanvullen.

Ten aanzien van de kwalificatie van feit 2 komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank Gelderland. De rechtbank heeft feit 2 bewezenverklaard als – kort gezegd – het mishandelen van de echtgenote van de verdachte. Echter, in de kwalificatie van dat feit komt ‘echtgenote’ (als bedoeld in artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht) niet terug. Het hof zal daarom feit 2 opnieuw kwalificeren. Bovendien komt het hof tot een andere strafoplegging. Het hof zal het vonnis daarom voor het overige vernietigen.

Bewezenverklaring: aanvulling van gronden

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden, waaronder de poging tot doodslag (feit 1 primair).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair aangevoerd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit. Er zou sprake zijn van het onbedoeld aanbrengen van een snijverwonding. In dat geval is geen sprake van een aanmerkelijke kans en de aanvaarding daarvan op het toebrengen van dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel. Subsidiair is aangevoerd dat van zwaar lichamelijk letsel geen sprake is. Voor het overige zijn geen bewijsverweren gevoerd.

Oordeel van het hof

De verdachte heeft tijdens de zitting in hoger beroep meer openheid van zaken gegeven. Deze verklaring geeft het hof aanleiding om de bewijsmiddelen aan te vullen met die verklaring. Ook zal de bewijsoverweging van feit 1 primair worden aangevuld waarin het hof ingaat op het in hoger beroep gevoerde verweer ten aanzien van dit feit.

Aanvulling van bewijsmiddelen – feit 1 primair (poging tot doodslag)

Het hof vult de gebezigde bewijsmiddelen aan met de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 september 2026:

“Ik was van plan mijn spullen uit de woning in [plaats] op te halen. Bij de woning zag ik een auto staan die ik niet kende. In mijn auto lag een mes. Deze auto had ik geleend van een autohandelaar. Het mes wordt gebruikt om tie-rips van kentekens los te snijden. Het mes is zo’n twintig centimeter lang inclusief het handvat. Dit mes heb ik denk ik meegenomen, omdat ik onder invloed was van drank en drugs. Ik was dronken en ‘doorgesnoven’. De emoties namen de overhand. Met veel kabaal ben ik het huis binnengegaan. Ik heb iets geroepen als ‘kankerhoer, waar ben je?’. Ik ben naar boven gegaan. Mijn vrouw hield de deur van de slaapkamer dicht. Toch ben ik de slaapkamer binnen gedenderd. Zij riep nog twee keer mijn naam. Toen is de worsteling ontstaan. Ik heb mijn vrouw vastgepakt bij haar schouders. In mijn andere hand had ik een sleutel en het mes vast.”

Aanvulling van bewijsmiddelen – feit 2 (mishandeling echtgenote) en 3 primair (wederrechtelijke vrijheidsberoving;

Het hof vult de gebezigde bewijsmiddelen aan met de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 september 2026:

“Ik herkende de auto van mijn dochter en het kenteken daarvan. We hebben hen achtervolgd. Toen de auto stilstond, ben ik op mijn vrouw afgelopen en wilde dat zij mee kwam. Ik heb haar vervolgens aan haar haren uit de auto getrokken. Ik wilde dat zij mee kwam, maar dat wilde zij niet. In de auto begon zij te vechten. Mijn vrouw wilde uit de auto springen, maar ik heb haar steeds teruggetrokken. Ik heb haar toen één keer geslagen.”

Aanvulling van bewijsmiddelen – feit 5 (bedreiging)

Het hof vult de gebezigde bewijsmiddelen aan met de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 september 2026:

“Ik heb de tekst op de badkamerspiegel geschreven. Dat erken ik. Ik heb dat gedaan in een dronken bui. Mijn vrouw wilde geen contact meer en dat maakte mij boos. Toen heb ik ook het trouwboek meegenomen.”

Aanvulling van de bewijsoverweging – feit 1 primair (poging tot doodslag)

Blijkens de LOEF letselrapportage van 16 juli 2025 is er sprake van snijverwondingen op onderkaak en borst, en dus niet van steekverwondingen. Hoewel de verdachte [het slachtoffer] niet heeft gestoken, is het hof van oordeel dat nog steeds sprake is van een aanmerkelijke kans op het aanbrengen van dodelijk letsel en de aanvaarding van die kans door de verdachte.

Het gaat bij de beoordeling van de vraag of sprake was van voorwaardelijk opzet niet om het uiteindelijk concreet toegebrachte letsel, maar om de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder die is verricht, ook nu het in dit geval een poging betreft. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

De verdachte heeft volgens zijn eigen verklaring in hoge emotie, onder zware invloed van verdovende middelen (“dronken en doorgesnoven”) met in zijn hand een mes van ten minste twintig centimeter, [het slachtoffer] opgezocht in haar slaapkamer, waar het tot een worsteling is gekomen. Tijdens de worsteling heeft de verdachte twee snijverwondingen bij [het slachtoffer] aangebracht, waarvan een in de borststreek en een nabij de halsstreek. [de getuige] heeft verklaard hoe hij bij het binnentreden van de slaapkamer zag hoe [het slachtoffer] gewond op de grond lag, en de verdachte met een mes nog een steekbeweging maakte naar de buik van [het slachtoffer] . Uit het LOEF-rapport volgt dat letsel in de halsstreek potentieel dodelijk kan zijn. Dat het bij een snijverwonding op de kaak is gebleven (en niet in de hals), is slechts een kwestie van geluk geweest.

Het opgefokt binnengaan van de slaapkamer van [het slachtoffer] door de verdachte, het blijven vasthouden en hanteren van het mes tijdens de worsteling, en het vervolgens – terwijl [het slachtoffer] al gewond is en op de grond ligt – nog maken van een steekbeweging naar haar buik, kan onder de genoemde omstandigheden naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Bij dit oordeel betrekt het hof ook de lengte van het mes. Van tegenaanwijzingen is het hof niet gebleken.

Kwalificatie feit 2

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

In eerste aanleg is de verdachte onderzocht door een psychiater en psycholoog met betrekking tot de tenlastegelegde feiten onder 1, 2, 3 en 4.

In de Pro Justitia-rapportage van 29 juli 2025 heeft [de psychiater] het volgende over de verdachte gerapporteerd:

“Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde zou men hebben kunnen spreken over een wat chaotiserende man die in een periode dat er ernstige psychosociale problemen waren terugviel in oude verslavingspatronen, een stoornis in het gebruik van cocaïne en alcohol, en die vanuit ook een kwade dronk reageerde op suggesties dat zijn vrouw vreemd ging, hetgeen in zijn hoofd waanachtige vormen aannam, mede door cocaïne geïnduceerd. Dit resulteerde in impulsief, agressief geweld, hetgeen achteraf beide echtelieden zeer betreuren. Diepergelegen vindt men een persoonlijkheidsstoornis met enerzijds de wat zachtere kenmerken van piekeren, trouw en perfectionisme, maar anderzijds ook een hardere criminele kant met borderline elementen en antisocialiteit vanaf het 16e jaar.

Betrokkene kende als voorbeeld thuis dat vader ook agressief kon zijn en moeder kon slaan. Met zijn echtgenote ervaarde hij de laatste tijd voor het tenlastegelegde problemen (…). Dit, met alles wat ze als gezin al meegemaakt hadden, was hem teveel geworden. Bovendien was de stabiliserende factor in het gezin, de moeder van betrokkene, overleden.”

[de psychiater] overweegt dat als gevolg van nog meer problemen binnen de familie, een ernstige ziekte van zijn vrouw en het overlijden van zijn stiefvader betrokkene steeds meer alcoholhoudende drank en cocaïne lijkt te zijn gaan gebruiken, iets wat hij al 16 jaar had nagelaten. [de psychiater] vervolgt:

“Zijn vroegere agressie en emotieregulatie stoornis, gefundeerd op een persoonlijkheidsstoornis kwam, ook door cocaïne en alcohol, in alle hevigheid (weer) naar voren in de eerste drie tenlasteleggingen. Hierbij lijkt de zelfcontrole verminderd geweest te zijn. Deze drie tenlasteleggingen wordt geadviseerd hem verminderd toe te rekenen.”

In de Pro Justitia-rapportage van 9 juli 2025 heeft [GZ-psycholoog] het volgende over de verdachte gerapporteerd:

“Er is bij betrokkene al langer sprake van impulscontrole-, emotie- en

agressieregulatieproblematiek. Betrokkene heeft daarnaast moeite met autoriteit, hij kan vooral bij alcohol- en cocaïne gebruik verhoogd krenk- en prikkelbaar zijn en er bestaan al langere tijd ernstige, hoogoplopende spanningen in de partnerrelatie. De coping is gebrekkig en vooral emotiegestuurd, bij oplopende druk bestaat de kans op acting out of impulsdoorbraken. Ook neigt betrokkene er bij oplopende druk en frustratie naar zijn toevlucht te zoeken in overmatig middelengebruik, wat de beschreven problematiek en de achterdocht naar zijn echtgenote verder versterkt lijkt te hebben. Vanuit dit licht bezien kan dan ook gesteld worden dat de problematiek van betrokkene een rol heeft gespeeld in het eerste, tweede en derde ten laste gelegde, in een periode waarin al langere tijd ernstige relationele spanningen en hoogoplopende frustraties speelden. Betrokkene’s coping-,

impulscontrole- en agressieregulatiemechanismen schoten te kort, Specifiek in deze situatie - i.e., binnen de intieme relatie, hetgeen voor betrokkene het meest risicovol is voor wat betreft mogelijke acting out/impulsdoorbraken. Er wordt op basis hiervan geadviseerd betrokkene het ten laste legde in een verminderde mate toe te rekenen”.

Het hof acht verdachte op basis van de conclusies van de deskundigen verminderd toerekeningsvatbaar voor de bewezenverklaarde feiten 1 primair, 2 en 3 primair.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden op te leggen (met aftrek van het voorarrest), waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren in combinatie met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair aangevoerd, mocht het hof de verdachte vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde feit, een lagere straf op te leggen. Subsidiair is verzocht, mocht de poging tot doodslag wel bewezenverklaard worden, een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen, gecombineerd met een voorwaardelijk strafdeel en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Tussen 10 november 2024 en 15 december 2024 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verschillende gewelddadige strafbare feiten in de richting van zijn partner. De verdachte en zijn vrouw hebben al ruim dertig jaar een relatie, die afwisselend liefdevol en conflictueus verloopt. Naast deze relatieperikelen speelt het nodige in het leven van de verdachte: hij heeft meerdere dierbaren verloren, er zijn zorgen over zijn inkomsten en zijn gezondheid laat hem in de steek. Dit heeft erin geresulteerd dat de verdachte naar de verdovende middelen is gaan grijpen. Dit heeft zijn weerslag gehad op het gedrag van de verdachte, waardoor hij zich gewelddadig is gaan gedragen.

De verdachte heeft het huis, waar hij samen met zijn gezin verbleef, verlaten. Toch is hij rond eind november 2024 naar het huis teruggekeerd. Hij heeft op dat moment, toen het gezin niet thuis was, met nagellak ‘kankerhoer je gaat dood’ geschreven op de badkamerspiegel. Vervolgens heeft op 30 november 2024 een confrontatie plaatsgevonden tussen de verdachte en [het slachtoffer] . De verdachte heeft in een auto, samen met twee vrienden, [het slachtoffer] achtervolgd, nadat zij haar waren tegengekomen. De auto waarin de verdachte zat, werd dwars over de weg gezet om te zorgen dat de auto waarin [het slachtoffer] zat stil kwam te staan. [het slachtoffer] is door de verdachte aan haar haren uit de auto gesleurd en in zijn auto meegenomen. Dit moet een ongelofelijk angstaanjagend moment zijn geweest voor [het slachtoffer] . Ook hun dochter was hiervan getuige. Haar 112-melding maakt onderdeel uit van het dossier. De paniek die zij op dat moment heeft gevoeld, is duidelijk terug te horen in haar stem.

De meest heftige gebeurtenis volgde op 15 december 2024, toen de verdachte – in zijn woorden – “in dronken en doorgesnoven toestand” [het slachtoffer] heeft gesneden met een mes ter hoogte van haar kaak en in de borststreek. Dit vond plaats in de slaapkamer tijdens een worsteling. Ook in dit geval was een van hun kinderen van een deel van de gebeurtenissen getuige. [het slachtoffer] mag van geluk spreken dat zij ‘slechts’ snijverwondingen heeft opgelopen en dat zij niet dodelijk is verwond. Het had ook heel anders kunnen aflopen.

De verdachte heeft met zijn handelen meerdere ernstige inbreuken gemaakt op de lichamelijke integriteit van [het slachtoffer] . Telkens ging dit een stap verder. De tekst ‘kankerhoer je gaat dood’ moet op zichzelf al angstaanjagend zijn geweest. Door de daarop volgende wederrechtelijke vrijheidsberoving en de poging tot doodslag had zij daadwerkelijk het idee dat uitvoering werd gegeven aan de tekst op de badkamerspiegel. Dit rekent het hof de verdachte aan.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof gekeken naar het strafblad van de verdachte van 28 augustus 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten en bedreigingen. Daarentegen gaat dit om dermate oude veroordelingen, dat deze voor het hof geen invloed hebben op de op te leggen straf.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf verder gekeken naar de reeds genoemde Pro Justitia-rapportages van [de psychiater] en [GZ-psycholoog] . Zowel de psychiater als de psycholoog adviseren aan de verdachte als bijzondere voorwaarde een behandeling – eventueel na een voorbereidende klinische start bij een Forensische Verslavingskliniek – op te leggen, met aandacht voor de echtelijke problemen en wijze van communicatie, de impulsieve agressiviteit, het middelenmisbruik, en met verbetering van de probleemoplossings-/copingmogelijkheden. De verdachte zou middelengebruik (alcohol en cocaïne) na moeten laten.

In het hoger beroep is opnieuw een reclasseringsrapportage opgemaakt, waarin is ingegaan op de situatie tussen de verdachte en [het slachtoffer] en hoe escalatie in de toekomst voorkomen kan worden. In deze reclasseringsrapportage van 2 september 2026 is het volgende opgenomen:

“Over betrokkene is in juli 2025 een dubbelrapportage pro-Justitia uitgebracht. De risico-inschatting van de pro-Justitiarapporteurs en de reclassering komen overeen, er bestaat een gemiddeld risico op recidive. Belangrijke risicofactoren zijn middelengebruik, de relatie met zijn partner en het psychosociaal functioneren van betrokkene. De motivatie van betrokkene om met zijn partner in relatietherapie te gaan en om geen middelen meer te gebruiken wordt als mogelijk beschermende factor gezien. De reclassering deelt de conclusie van de pro Justitia rapporteurs dat hiervoor wel behandeling, begeleiding en controle nodig zal zijn, die zich zou moeten richten op de relatieproblemen, de onderlinge communicatie, de persoonlijkheidsproblematiek, het vergroten van het probleemoplossend vermogen/copingvaardigheden van betrokkene en vooral het middelenmisbruik. Naast behandeling wordt praktische ondersteuning en begeleiding van de psychosociale (gezins-)problematiek en -dynamiek geadviseerd. Dit zou kunnen in het kader van een voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden en een langere proeftijd.

Wij vinden een plan van aanpak geïndiceerd gezien de aard van de (psychosociale/middelen) problematiek en de tenlastelegging. Ons inziens is er behandeling nodig voor de psychosociale- en middelenproblematiek. Wij zien mogelijkheden en noodzaak om te werken aan risicobeheersing en gedragsverandering.”

De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verbod op verdovende middelen en een alcoholverbod.

In beginsel acht het hof de door de rechtbank opgelegde straf passend. Het gaat immers om zeer ernstige feiten, die in heftigheid aanzienlijk toenamen en gewelddadig van aard waren. Dit is een forse straf, maar daar geven de feiten en de wijze waarop ze zijn gepleegd ook aanleiding toe. In die strafoplegging is eveneens voldoende rekening gehouden met de verminderde toerekenbaarheid. Toch zal het hof in het voordeel van de verdachte afwijken van deze straf en overweegt daartoe als volgt.

Bij het uitspreken van dit arrest heeft de verdachte ongeveer 22 maanden in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De verdachte heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat hij die tijd heeft gebruikt om na te denken. Zijn gezin is hem veel waard. Hij erkent dat hij zijn vrouw en kinderen veel leed heeft veroorzaakt. Zij hebben hem zeer geregeld bezocht vanaf de vierde week dat hij vast zat. Dit heeft hem de kracht gegeven om door te gaan en nog het beste van zijn leven te maken. De drank en drugs maakten dat hij dingen deed die hij nuchter niet zou doen. Naar die situatie wil hij niet meer terug en hij is bereid aan zichzelf te werken.

In een gesprek met de Pro Justitia-rapporteur [de psychiater] op 2 juli 2025 heeft [het slachtoffer] aangegeven dat er inderdaad heftige dingen gebeurd zijn, maar dat zij zoveel van de verdachte houdt, dat zij echt niet bij hem weg wil.

In een e-mailbericht van [het slachtoffer] aan de raadsman van de verdachte van 16 september 2026 heeft zij aangegeven hoeveel de verdachte na 34 jaar relatie nog voor haar betekent, en hoe zij, ondanks alles, graag wil proberen om met de verdachte een nieuwe toekomst op te bouwen.

Het hof ziet in de doorleefde wens van de verdachte (en zijn vrouw) om samen verder te gaan, het vele contact dat zij nu hebben, en het feit dat dit contact goed verloopt reden om een lagere straf op te leggen. Het hof gaat niet zo ver dat het de straf zal beperken tot de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, omdat het geheel aan feiten en de opbouw ervan daarvoor te ernstig zijn. De straf zal met name een groter voorwaardelijk strafdeel inhouden. Dit dient als duidelijke waarschuwing voor de verdachte om zich daadwerkelijk in te zetten voor een behandeling om het recidiverisico te beperken en aan zijn problematiek te werken als hij weer op vrije voeten komt.

Alles afwegend zal het hof aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 42 maanden waarvan achttien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, wordt van deze straf afgetrokken. Aan het voorwaardelijke strafdeel worden de bijzondere voorwaarden verbonden, zoals door de reclassering is geadviseerd.

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen. Het onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezenverklaarde misdrijf is gericht tegen of heeft gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten [het slachtoffer] . Nu deze feiten zijn gepleegd in de relationele sfeer, de verdachte en [het slachtoffer] nog steeds samen zijn, de problematiek van de verdachte al voor een veel langere periode speelt en hij hiervoor nog niet is behandeld overweegt het hof dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan. Daarbij weegt het hof mee dat het contact tussen hen nu nog gecontroleerd verloopt en dat die controle zal afnemen zodra de verdachte weer op vrije voeten komt.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47, 55, 57, 282, 285, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie voor feit 2, de overwegingen met betrekking tot de strafbaarheid van de feiten en van de verdachte, en de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Kwalificeert feit 2 als hiervoor vermeld, en verklaart de bewezenverklaarde feiten 1 primair, 2, 3 primair en 5 strafbaar.

Verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Meldplicht bij reclassering

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen na de uitspraak bij verslavingsreclassering van [zorgverlener] of andere reclasseringsinstantie op [telefoonnummer 1] of [telefoonnummer 2] .

Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich laat behandelen door [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, de echtelijke relatieproblematiek en wijze van communicatie en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 (zeven) weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen via de procedure van artikel 6:6:19 van het Wetboek van Strafvordering, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing

Verbod op verdovende middelen en alcohol

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), geen verdovende middelen genoemd in lijst II (softdrugs), geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, en geen alcohol gebruikt;verdachte werkt mee aan bloedonderzoek of urineonderzoek om dit verbod te controleren, of aan een minder ingrijpende controle met behulp van ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk is aan het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. C.T. Tjauw-Foe, voorzitter,

mr. F.A.M. Bakker en mr. A.B.A.P.M. Ficq, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T. Lammerdink, griffier,

en op 12 oktober 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »