Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003758-24
Uitspraakdatum: 9 oktober 2026
Tegenspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 28 augustus 2024 met het parketnummer 16-296754-20 in de strafzaak inzake de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1966 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in [verblijfplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.
Het onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het gerechtshof van 11 september 2026 en 9 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof:
- de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 aan hem tenlastegelegde feit;
- de verdachte ter zake van het onder 1 primair aan hem tenlastegelegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 11 jaren en 6 maanden;
- de vorderingen tot schadevergoeding van de beide benadeelde partijen geheel zal toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Verder heeft het gerechtshof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. TH.U. Hiddema, en de advocaten van de beide benadeelde partijen hebben aangevoerd.
De omvang van het hoger beroep
In het hierboven genoemde vonnis heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van wat aan hem onder 2 is ten laste gelegd. De verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. De verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het gerechtshof verklaart de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraak.
De officier van justitie heeft blijkens de appelakte onbeperkt hoger beroep ingesteld.
Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht
Het hoger beroep is gericht tegen het hierboven genoemde vonnis. In dat vonnis heeft de rechtbank:
- de verdachte vrijgesproken van het onder 2 aan hem tenlastegelegde feit;
- de verdachte ter zake van het onder 1 primair aan hem tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest;
- de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 1] geheel toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd;
- de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 2] gedeeltelijk toegewezen, tot € 17.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente, en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd;
- de [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in het meer gevorderde.
Het gerechtshof vernietigt het vonnis - voor zover dat vatbaar is voor hoger beroep - omdat het gerechtshof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring en tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank. Het gerechtshof doet daarom in zoverre opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd, voor zover hier van belang, dat:
1.hij op of omstreeks 21 november 2020 te [plaats] , in elk geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door- die [slachtoffer] van de trap te duwen en/of- die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan/stompen en/of te trappen/schoppen en/of- de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden, althans die [slachtoffer] te verwurgen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;
hij op of omstreeks 21 november 2020 te [plaats] , in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van het tongbeen en/of een (dwarse) breuk van de zesde halswervel en/of een of meerdere breuk(en) aan het borstbeen en/of rib(ben), heeft toegebracht, door- die [slachtoffer] van de trap te duwen en/of- die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan/stompen en/of te trappen/schoppen en/of- de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden, althans die [slachtoffer] te verwurgen.terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 november 2020 te [plaats] , in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door- die [slachtoffer] van de trap te duwen en/of- die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan/stompen en/of te trappen/schoppen en/of- de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden, althans die [slachtoffer] te verwurgen,terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;
2.hij op of omstreeks 21 november 2020 te [plaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven de keel van die [slachtoffer] heeft dicht geknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden, althans die [slachtoffer] heeft verwurgd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 2
De advocaat-generaal heeft vrijspraak gevorderd van de als feit 2 tenlastegelegde poging tot doodslag, omdat sprake is van een voltooid delict. Het gerechtshof is het daarmee eens en zal de verdachte van dit feit vrijspreken.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1
De verdachte heeft ook op de zitting in hoger beroep ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen aan hem is ten laste gelegd. Hij heeft - kort weergegeven - verklaard dat [slachtoffer] op 21 november 2020 per ongeluk van bovenaf van de trap is gevallen en dat hij daarbij zelf, in een poging om haar vast te pakken, óók van die trap is gevallen.
In het verlengde hiervan heeft de verdediging vrijspraak bepleit, op nader in de schriftelijke pleitnota aangevoerde gronden. Zakelijk weergegeven houdt het bewijsverweer in dat er geen bewijs is voor het opzettelijk van de trap duwen of verwurgen van [slachtoffer] en dat enigerlei opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] niet kan worden bewezen aan de hand van het letsel van [slachtoffer] . Voor de breuk van het tongbeen kan ook een andere verklaring bestaan en de breuk van de zesde halswervel kan worden verklaard door de val van de trap. Die breuk kan ook weer een goede verklaring zijn voor de bloeduitstortingen in de hals.
Het gerechtshof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde bewijsverweer wordt weerlegd door het volgende.
1. De aanleiding tot het onderzoek
Op 21 november 2020 heeft de verdachte omstreeks 14:35 uur telefonisch contact gemaakt met het alarmnummer 112. Hij heeft daarbij onder meer verteld dat zijn vrouw en hij van de trap zijn gevallen, dat zijn vrouw bewusteloos is en dat zij volgens hem niet ademt. Hij heeft verzocht om een ambulance te sturen.1
Hulpverleners die hebben gereageerd op deze melding hebben geprobeerd [slachtoffer] te reanimeren. Op een gegeven moment zijn deze reanimatiepogingen stopgezet, omdat de hulpverleners de hartactiviteit van [slachtoffer] niet op gang kregen.2
De schouwarts heeft bij de schouw van [slachtoffer] verschillende verwondingen, onderhuids bloedingen en letsels geconstateerd en heeft geconcludeerd dat het gaat om een niet-natuurlijke dood.3
2. De bevindingen van [patholoog]
Het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is onderzocht door de [patholoog] .4
Resultaat van dat onderzoek is onder meer:
Resultaten
6. Rondom op het hoofd, zowel links als rechts, en zowel op het behaarde hoofd als in het
gelaat, waren er talrijke deels samenvloeiende onderhuidse bloeduitstortingen, soms met
beperkte oppervlakkige huidbeschadiging. Er waren enkele stipvormige bloeduitstortingen in de lip en het wangslijmvlies (...)
7. Er waren geen breuken van de schedel. Er was geen bloeduitstorting onder het harde
hersenvlies. Links en rechts zijwaarts was er beperkte bloeduitstorting onder het
spinnenwebvlies (subarachnoïdaal). Bij het neuropathologisch onderzoek (bijlage 3) waren
er discrete traumatische beschadigingen, met enige bloeding onder het spinnenwebvlies.(...)
8. Juist onder de rechterkaakrand waren er twee onderhuidse bloeduitstortingen. Laag in de
hals, doorlopend op het borstbeen, was er onscherp begrensde onderhuidse bloeduitstorting, met hierin oppervlakkige huidbeschadiging.
9. Er waren talrijke bloeduitstortingen in de halsspieren links en rechts. Ook middenvoor,
o.a. beiderzijds bij het tongbeen waren er meerdere bloeduitstortingen. Er was een breuk van het tongbeen links.(...)
11. Er was een dwarse breuk van de 6e halswervel (C6), met omgevende bloeduitstorting. Bij neuropathologisch onderzoek was ter plekke bloeding op het harde hersenvlies (epiduraal) en in het ruggenmerg, hetgeen zou kunnen wijzen op een traumatische beschadiging.
12. Op de rechterborst was een scherp begrensde onderhuidse bloeduitstorting. Er was
bloeduitstorting rondom de 7e t/m de 9e rib rechts achterwaarts. Ter plaatse van het
uitsteeksel van de 2e borstwervel en ter plaatse van de schouders was er bloeduitstorting in
de spieren van de rug. Er was bloeduitstorting rondom het ruggenmerg ter hoogte van de
borstwervels.
13. Verspreid op het lichaam, met name op de armen en handen, waren er onderhuidse
bloeduitstortingen.
14. Op de rechterhand, maar met name op de linkerhand was er huidafschaving met
bloeduitstorting.
15. Bij letseldateringsonderzoek (bijlage 4) paste het letsel op de strekzijde van de
rechterpols bij een enkele dagen oud letsel. Het letsel op het achterhoofd, voorhoofd en de
rechterkaakrandpaste bij minimaal meerdere tientallen minuten oud letsel. Het letsels op de
rechterwang en de buigzijde van de linkerpols paste bij een meerdere tot tientallen minuten oud letsel.
Interpretatie van resultaten
Ten aanzien van de doodsoorzaak wordt het volgende opgemerkt:
Er waren uitwendig en inwendig in de hals (sub 9) meerdere letsels. Deze zijn bij leven
ontstaan en kunnen worden verklaard door een stomp botsende (stoten vallen) en/of
(samen)drukkende krachtsinwerking (verwurgen, met de handen of een structuur) op de hals.
Doorgaans treedt bij een overlijden door verwurging stuwing in het hoofd-halsgebied op.
Dergelijke stuwing werd bij sectie niet op overtuigende wijze aangetroffen (sub 10). De
afwezigheid van deze hiervan maakt een overlijden door verwurging minder waarschijnlijk,
maar sluit het niet uit. De bloeduitstortingen rechts op de kaaklijn (sub 8), en met name de
bloeduitstortingen inwendig hoog in de hals en de breuk van het tongbeen, passen echter
beter bij een samendrukkende krachtsinwerking dan een stomp-botsende krachtsinwerking.
Een aanhoudende samendrukkende krachtsinwerking op de hals kan middels het belemmeren van de zuurstofvoorziening van de hersenen een oorzaak van, of bijdrage aan het overlijden hebben geleverd.
Er was een dwarse breuk van de 6e halswervel (sub 11). Deze is bij leven ontstaan door een
stomp-botsende krachtsinwerking (eventueel indirect, via overstrekken).
Bij neuropathologisch onderzoek was er rondom en in het ruggenmerg bloeduitstorting, hetgeen kan leiden tot opstijgen van vocht (oedeem), met als gevolg uitval van centra in de
hersenstam die vitale lichaamsfuncties (ademhaling, hartslag) aansturen, hetgeen theoretisch het overlijden zou kunnen verklaren. Dit is middels sectie of neuropathologisch onderzoek echter niet aan te tonen of uit te sluiten.
De letsels op de romp (sub 12) zijn bij leven ontstaan door een stomp-botsende, mogelijk
deels samendrukkende krachtsinwerking. Indien hierbij geen ribbreuken zijn ontstaan (en
alle vastgestelde ribbreuken dus het gevolg zijn van medisch handelen) hebben deze letsels
geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood. Indien er echter voorafgaand
aan het medisch handelen reeds ribbreuken zijn ontstaan, kan dit hebben geleid tot
belemmering van de ademhaling, hetgeen via het veroorzaken van zuurstoftekort een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden.
Er waren talrijke letsels op (sub 6) en in (sub 7) het hoofd. Deze letsels worden alle verklaard door bij leven opgetreden, meervoudig stomp-botsend geweld op het hoofd, zoals stoten, vallen of geslagen worden. Een simpele val, met slechts één of enkele impacts, kan het letselbeeld niet goed verklaren. Op basis van het neuropathologisch onderzoek van de
hersenen kan dit het overlijden niet verklaren.
De overige letsels op het lichaam (sub 13) zijn bij leven ontstaan door een (geringe) stomp
botsende krachtsinwerking. Met name het letsel aan de binnenzijde van de linker bovenarm
en de letsels rond de polsen kunnen ook worden verklaard door stevig beetpakken. De letsels op de vingers (sub 14) zijn het gevolg van een schavende/schurende krachtsinwerking. De letsels sub 13 en 14 waren alle gering en hebben geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood.
De meeste onderzochte letsels pasten bij letseldateringsonderzoek (sub 15) bij een ontstaan
van enkele tot meerdere tientallen minuten vóór het overlijden. Deze resultaten moeten met
voorzichtigheid worden geïnterpreteerd aangezien er tevens medische handelingen hebben
plaatsgevonden. Volgens de aangeleverde informatie zou er circa 50 minuten hebben gezeten tussen de door de buren vastgestelde harde klap en het inschakelen van de hulpdiensten, hetgeen bovenstaand tijdsverloop zou kunnen verklaren.
Er waren geen ziekelijke afwijkingen die het overlijden kunnen verklaren, of die hiervoor van betekenis kunnen zijn geweest. Er was geen toxicologische oorzaak van of bijdrage aan het overlijden.
Conclusie
Bij [slachtoffer] , kan het intreden van de dood worden verklaard door:
- Een (samen)drukkende krachtsinwerking op de hals (verwurgen);
- Uitval van vitale lichaamsfuncties door een breuk van de 6e halswervel, ten gevolge van en stomp-botsende krachtsinwerking of overstrekken, zoals bij een val
- Stomp-botsend en/of samendrukkende krachtsinwerking op de romp, zoals door vallen,
slaan of samendrukken van de romp
Een simpele val, met slechts één of enkele impacts, kan het letselbeeld niet goed verklaren.
In een aanvullend bericht van 2 september 2022 heeft de [patholoog] diens bevindingen nader geëvalueerd aan de hand van twee hypotheses.5 [patholoog] bericht daarin onder meer het volgende.
Evaluatie
De hypotheses waren als volgt:
H1: Het slachtoffer is overleden als gevolg van een geweldsdelict (worsteling, verwurging)
(misdrijf)
H2: Het slachtoffer is overleden als gevolg van een val van de trap (ongeval).
1. Een (samen)drukkende krachtsinwerking op de hals (verwurgen):
Bij forensisch pathologisch onderzoek waren er meerdere uit- en inwendige letsels in de hals, waaronder een breuk van het tongbeen. Het tongbeen is een hoefijzervormig bot gelegen onder de tong. Vanwege de ligging is het optreden van breuken relatief zeldzaam en komen deze met name voor bij een (samen)drukkende krachtsinwerking, zoals verwurgen. De hoorntjes van het strottenhoofd kunnen hierbij eveneens breken, maar aangezien deze bij het slachtoffer soepel waren geeft dit enige bescherming daartegen. Indien deze
(samen)drukkende krachtsinwerking lang genoeg aanhoudt kan dit leiden tot zuurstoftekort
en het uiteindelijk overlijden. Een gebroken tongbeen past derhalve bij een gevolg van een
(samen) drukkende krachtinwerking, maar is op zichzelf geen oorzaak voor het overlijden.
Met andere woorden het is mogelijk dat er op een gegeven moment (voor of na een potentiële val) een (samen)drukkende krachtsinwerking heeft plaatsgevonden, zonder dat dit heeft geleid tot het overlijden. Uit de verklaringen van de verdachte komt naar voren dat hij met zijn voeten tegen haar hoofd/hals tot stilstand kwam. Hierbij is er sprake van een bredere stomp botsende krachtsinwerking, waarbij indien letsel optreedt dit eerder wordt verwacht aan het schildkraakbeen dan het tongbeen.
Het aantreffen van de bevindingen is veel waarschijnlijker onder een hypothese
van toegebracht letsel dan onder een hypothese van een val van de trap.
2. Uitval van vitale lichaamsfuncties door een breuk van de 6e halswervel, ten gevolge van
een stomp-botsende krachtsinwerking of overstrekken, zoals bij een val
Er was een dwarse breuk van de 6e halswervel met omgevende bloeduitstorting. Bij
neuropathologisch onderzoek was er rondom en in het ruggenmerg bloeduitstorting, hetgeen kan leiden tot opstijgen van vocht (oedeem), met als gevolg uitval van centra in de
hersenstam die vitale lichaamsfuncties (ademhaling, hartslag) aansturen. Of dit heeft geleid
tot het overlijden, kan niet worden aangetoond middels forensisch pathologisch (of ander)
onderzoek. Dit letsel is ontstaan door stomp botsende krachtsinwerking, minstens deels hevig en/of via overstrekking, zoals een val uit enige hoogte of slaan met een voorwerp.
Uit de verklaringen van de verdachte komt naar voren dat het slachtoffer vanuit staande positie bovenaan de trap, steil achterover is gevallen in het luchtledige.
Het aantreffen van de bevindingen is waarschijnlijker onder een hypothese van een val van
de trap dan onder een hypothese van toegebracht letsel.
3. Stomp-botsend en/of samendrukkende krachtsinwerking op de romp, zoals door vallen,
slaan of samendrukken van de romp
Er waren breuken van het borstbeen en de ribben beiderzijds. Er was bloeduitstorting
rondom de 7e t/m de 9e rib rechts achterwaarts, het ruggenmerg ter hoogte van de
borstwervels op de rechterborst, ter plaatse van het uitsteeksel van de 2e borstwervel en in de rugspieren ter plaatse van de schouders. Deze letsels zijn bij leven ontstaan door een stomp-botsende, mogelijk deels (samen)drukkende krachtsinwerking. Indien er lang genoeg een (samen)drukkende krachtsinwerking wordt uitgeoefend op de romp kan dit leiden tot
belemmering van de ademhalingsbewegingen, zuurstoftekort en het overlijden. Een deel van
bovenstaande letsels kan passen bij een gevolg van een (samen)drukkende krachtinwerking,
maar zijn op zichzelf geen oorzaak voor het overlijden. Met andere woorden het is mogelijk
dat er op een gegeven moment (voor of na een potentiële val) een (samen)drukkende
krachtsinwerking heeft plaatsgevonden, zonder dat dit heeft geleid tot het overlijden. Uit de
verklaringen van de verdachte komt naar voren dat het slachtoffer vanuit staande positie
bovenaan de trap, steil achterover is gevallen in het luchtledige. Hierbij zou ze niet hebben
gerold of langs de muur of trap hebben gegleden. Hierbij wordt met name een (mogelijk
breedvlakkige) stomp botsende krachtsinwerking aan de rug verwacht, zoals kan passen bij
de bloeduitstortingen rondom de 7e t/m 9e rib achterwaarts, alsook ter plaatse van het
uitsteeksel van de 2e borstwervel en ter plaatse van de rechterschouder. De ribbreuken
bevinden zich echter aan de voorkant van het lichaam en passen derhalve beter bij
reanimatiehandelingen (zoals borstcompressies) of een directe stomp botsende of
(samen)drukkende krachtsinwerking aan de voorkant van het lichaam.
Conclusie
Ondergetekende ontving onderstaande hypotheses:
H1: Het slachtoffer is overleden als gevolg van een geweldsdelict (worsteling, verwurging, misdrijf).
H2: Het slachtoffer is overleden als gevolg van een val van de trap (ongeval).
De hypothesen hebben betrekking op de doodsoorzaak . Bij het forensisch pathologisch
onderzoek waren er meerdere bevindingen (letsels) die uiteindelijk hebben geleid tot drie
potentiële doodsoorzaken. In deze rapportage werden de letsels passende bij de drie
potentiële doodsoorzaken separaat geëvalueerd om tot de volgende conclusie te komen ten
aanzien van de hypothesen:
Het aantreffen van de bevindingen is ongeveer even waarschijnlijk onder beide hypothesen.
Ten aanzien van de letsels wordt het volgende overwogen:
1) Een simpele val met slechts een of enkele impacts (zoals de verklaring van de verdachte),
in combinatie met de reanimatiehandelingen, kan het totale letselbeeld niet volledig
verklaren. In het bijzonder is het aantreffen van de letsels in de hals veel waarschijnlijker
onder een hypothese van toegebracht letsel dan onder een hypothese van een val van de trap.
2) Op basis van de bevindingen van het forensisch pathologisch onderzoek kan geen
onderscheid worden gemaakt tussen een val of een duw van een trap.
Op 21 oktober 2025 heeft de raadsheer-commissaris - op verzoek van de verdediging, welk verzoek is gehonoreerd door het gerechtshof - de [patholoog] nader gehoord over diens bevindingen.6 In dat verhoor heeft [patholoog] onder meer verklaard op de (hieronder cursief weergegeven) vragen van de verdediging:
Tongbeen zit onder de tong toch? De wurgsporen zitten bij de borst en kaak, hoe kan het dat
de huid bij het tongbeen blanco is? Hoe komt het tongbeen handmatig aan gruzelementen?
Het tongbeen zit inderdaad aan de basis van de tong. Het uitwendige letsel laat niet alles
zien.
Als we ervan uitgaan dat het tongbeen handmatig is gebroken, hoe valt dat te rijmen met het
letsel dat veel lager zit?
Het uitwendige letsel hoeft niet te corresponderen met het inwendige letsel.
Hoe kan dat tongbeen dan gebroken zijn?
Het tongbeen zit achter in de hals, het is bekend dat de breuk van het tongbeen sterk
suggestief is voor een samendrukkende krachtsinwerking in de hals. Dat hoeft van buiten
niet zichtbaar te zijn.
Het moet zo zijn dat er rechtstreeks druk/kracht op het tongbeen is geweest?
Ja, een samendrukkende krachtsinwerking.
Die samendrukkende krachtsinwerking moet zich voltrekken in de nabijheid van het
tongbeen, en niet ter hoogte van de borst?
Klopt.
Ziet u op de foto uitwendig aanwijzingen dat ziet op letsel van het tongbeen?
Ik zie uitwendig geen letsel maar het uitwendige letsel hoeft niet te corresponderen met het
inwendige letsel. Uitwendig kun je meestal niet alles zien.
(…)
Er is geen stuwing gevonden?
Nee dat klopt, behoudens enkele bloeduitstortingen in het mondslijmvlies.
(…)
Een verwurging, zonder stuwing, kan dat?
Dat kan.
Waardoor ontstaat die stuwing?
Bij samendrukkende kracht op de hals, de halsader ligt oppervlakkig en heeft een dunne
wand en daardoor loopt het bloed passief door het hoofd terug naar beneden. De slagader
ligt dieper en heeft een dikkere wand en daardoor wordt het bloed van het hart onder druk
naar het hoofd geduwd. Bij een samendrukkende krachtsinwerking in de hals met enige
kracht heeft dat grotere kans dat de halsader dicht gedrukt wordt dan de slagader. Dat leidt
tot belemmering van afvoer van het bloed uit het hoofd. Maar er wordt nog wel bloed naar
boven gepompt via de slagader, daardoor ontstaat stuwing omdat de vaten vollopen. Als het
bloed nergens meer naartoe kan, kunnen er puntvormige bloeduitstorting ontstaan
(petechiën).
Wordt de kans op stuwing groter naarmate harder en langer wordt geknepen?
Nee, hoe harder geknepen wordt hoe groter de kans dat de halsslagader dicht geknepen
wordt, dat kan tot gevolg hebben dat er geen stuwing ontstaat omdat er dan geen of minder
bloed naar het hoofd wordt toegevoerd. De kracht en de duur is van belang, als er met de
handen wordt gewurgd en er een schermutseling is kan het zijn dat de druk op de hals
wisselt tijdens de handeling waardoor er soms weer bloedafvoer en soms toevoer plaatsvindt
waardoor er wel of geen stuwing kan plaatsvinden.
U ziet een heleboel bloeduitstortingen op het gelaat? (foto 15)
Ja.
Heeft dat enige relatie met een mogelijke verwurging?
Die zijn veroorzaakt door een stompende handeling, en dat kan gepaard gaan met
verwurging.
De bloeduitstorting in en rondom het ruggenmerg, houdt verband met breuk van het zesde
halswervel, dat kan tot de dood leiden?
Ja, en dat kan theoretisch gezien tot de dood leiden.
De breuk aan de zesde halswervel kan komen door overstrekking, wat bedoelt u daarmee?
Als je naar achter strekt en dan te ver uitstrekt.
Het tongbeen kan breken bij een val, weet u welke collega’s dat zeggen?
Nee dat weet ik niet. Een breuk van het tongbeen is sterk suggestief voor een samendrukkende krachtsinwerking. Het kan ook ontstaan door een stomp-botsende krachtsinwerking maar dan is het schildkraakbeen vaker gebroken wat kan wijzen op breedvlakkige stomp botsende krachtinwerking.
In het verhoor heeft [patholoog] verklaard op de (hieronder cursief weergegeven) vraag van de raadsheer-commissaris:
Heeft u op grond van alle gegevens aanwijzingen gevonden die passen bij een acute
onwelwording?
Ik heb de zaak overgenomen van [persoon] ik heb alle foto’s en bevindingen nagekeken, er is
ziekelijk en toxicologisch niks gevonden wat daarbij zou passen. Daar kijken wij standaard
naar.
In het verhoor heeft [patholoog] verder onder meer verklaard op de (hieronder cursief weergegeven) vragen van de verdediging:
Waar zit de zesde wervel?
(Getuige wijst halverwege zijn nek)
Kan die met een stomp met een vuist breken?
Theoretisch wel maar dat moet wel met veel kracht gaan.
Dat moet dus wel een hele harde stomp zijn?
Ja dat moet wel een harde klap zijn of met een voorwerp, er is mijn geen geval bekend dat
dit is gebeurd door een mens met de vuist. Ik denk dat het mogelijk is voor een mens om
met de hand een bot te breken. Wij zouden dat omschrijven als een hevige kracht.
3. Overige relevante feiten en/of omstandigheden
Het gerechtshof stelt verder vast dat uit de verklaring van de [getuige 1] , postbezorger, blijkt dat [getuige 1] bij de bezorging van een aangetekende brief op het adres van de verdachte en [slachtoffer] rond half twee ’s middags op 21 november 2020 niets abnormaals of opmerkelijks aan [slachtoffer] heeft gezien.7 Het gerechtshof stelt op grond van deze verklaring vast dat [slachtoffer] op dat moment kennelijk geen zichtbaar letsel heeft gehad.
Dat die aangetekende brief inderdaad rond half twee ’s middags is bezorgd, blijkt uit nader onderzoek naar het exacte tijdstip van de bezorging: dat was om 13:24 uur.8
De bezorging van die aangetekende brief lijkt een bijzonder spannend en springend moment van die dag te zijn geweest. Dit gelet op de inhoud van die brief en gelet op de voorzorgsmaatregelen die [slachtoffer] had getroffen, voorafgaande aan de bezorging van die brief enerzijds, en het verloop van de gebeurtenissen kort na de bezorging van die brief anderzijds. [slachtoffer] had haar dochter op 20 november 2020 verteld over de inhoud van die brief en tevens dat ze de auto al op een andere plaats had staan om te laten lijken dat haar dochter de auto mee zou hebben. Ook vertelde [slachtoffer] haar dochter dat zij alles klaar had om zo weg te gaan, mocht de verdachte boos worden. Ze zou ook organiseren dat de verdachte de brief zou ontvangen als zij in de tuin aan het werk zou zijn. Ze wist niet waartoe hij in staat zou zijn. Ook vertelde [slachtoffer] haar dochter dat zij de huissleutel van de sleutelbos van de verdachte zou halen. Besproken is verder dat de dochter van [slachtoffer] stand-by zou staan, mocht er iets gebeuren. Ook [persoon] zou stand-by staan.9
In de aangetekende brief verzoekt [slachtoffer] de verdachte om een geldbedrag van
€ 10.859,00 aan haar te betalen. Dit geldbedrag zou de verdachte haar schuldig zijn. Daarnaast geeft het slachtoffer in deze brief aan dat zij de samenlevingsovereenkomst met de verdachte wenst te ontbinden als hij niet betaalt.10 De verdachte heeft de brief uit de envelop gehaald en heeft een aantal geldbedragen en de naam van de notaris zien staan. De strekking van (een deel van) de brief was hem duidelijk: “Krijgen we weer dezelfde discussie met [slachtoffer] over geld”.11
Beoordeling door het gerechtshof
De [patholoog] concludeert dat de geconstateerde letsels van [slachtoffer] alle kort voor haar overlijden zijn ontstaan. Uit het letseldateringsonderzoek volgt dat het gaat om enkele tot meerdere tientallen minuten voor het overlijden.
Ten aanzien van de letsels die bij [slachtoffer] zijn aangetroffen concludeert de patholoog verder dat het totale letselbeeld niet kan worden verklaard door een simpele val van de trap met slechts één of enkele impacts (het gerechtshof begrijpt: zoals beschreven door de verdachte). In het bijzonder is het aantreffen van de letsels in de hals (het gerechtshof begrijpt: de combinatie van het gebroken tongbeen en de talrijke bloeduitstortingen in de halsspieren links en rechts) veel waarschijnlijker onder de hypothese van toegebracht letsel dan onder de hypothese van een val van de trap.
Voor zover de verdachte in hoger beroep ter zake van (een deel van) het door de patholoog geconstateerde letsel in de hals van [slachtoffer] heeft willen aanvoeren dat dit letsel kan zijn ontstaan doordat hij onderaan de trap met zijn voet tegen het hoofd/de hals van het slachtoffer tot stilstand is gekomen toen hij achter het slachtoffer aan van de trap is gevallen, stelt het gerechtshof ten eerste vast dat de verdachte steeds wisselend heeft verklaard over hoe hij onderaan de trap tegen [slachtoffer] terecht zou zijn gekomen. Tijdens het eerste verhoor verklaart de verdachte dat hij tegen haar aan viel of zo. In het tweede verhoor dat hij met zijn been tegen haar aan lag, met zijn voet, dat hij niet weet met welke voet en dat hij volgens hem met zijn voet op haar gezicht of borst kwam. Bij de rechter-commissaris verklaart de verdachte dat hij met zijn voet tegen [slachtoffer] is aangekomen en dat dat de plek in de hals zou kunnen zijn. Tijdens het derde verhoor heeft de verdachte verklaard dat hij met zijn voet in haar hals terecht is gekomen. Bij de rechtbank verklaart de verdachte dan dat hij met zijn voet in haar hals lag, maar dat hij het ook allemaal niet meer precies weet. Uitgaande van de verklaring dat de verdachte met zijn voet in de hals van [slachtoffer] terecht is gekomen, overweegt het gerechtshof het volgende.
De verklaring van de verdachte dat het letsel in de hals kan zijn veroorzaakt door zijn voet wordt weerlegd door de bevindingen van de patholoog, die stelt dat in zo’n situatie sprake is van een bredere stomp-botsende krachtsinwerking, waarbij als er letsel optreedt dit eerder wordt verwacht aan het schildkraakbeen dan aan het tongbeen. Uit de sectie op het lichaam van [slachtoffer] is niet gebleken dat er sprake was van letsel aan het schildkraakbeen. Daarnaast kan de toedracht zoals geschetst door de verdachte niet de verschillende bloeduitstortingen zowel aan de linker- als de rechterzijde van de hals en kaaklijn van [slachtoffer] verklaren en overigens evenmin het letsel aan de binnenzijde van de linker bovenarm en de letsels rond de polsen van [slachtoffer] .
Op grond van het bovenstaande stelt het gerechtshof vast dat de geconstateerde letsels van [slachtoffer] in beginsel kunnen worden verklaard door geweldshandelingen zoals die zijn opgenomen in de drie gedachtestreepjes van het primair tenlastegelegde feit.
Een enkele val van de trap kan het totale letselbeeld simpelweg niet verklaren. Op dat aspect van de zaak is de uitleg van de verdachte over wat er is gebeurd naar het oordeel van het gerechtshof niet sluitend. Het kan dan niet anders zijn dan dat er iets méér en/of iets anders is gebeurd in de interactie tussen de verdachte en [slachtoffer] na de ontvangst en kennisneming van de aangetekende brief door de verdachte dan de uitleg die de verdachte daarover heeft gegeven. Daar is een aantal concrete aanwijzingen voor. Hierover overweegt het gerechtshof het volgende.
De gang van zaken zoals de verdachte die heeft beschreven - een discussie met [slachtoffer] bovenaan de trap, gevolgd door een val van beiden van de trap - past in het geheel niet bij hetgeen zijn buren hebben verklaard. De val van de trap zoals die volgens de verdachte heeft plaatsgevonden, kan hooguit enkele seconden hebben geduurd. Hetgeen de buren van de verdachte hebben verklaard, duidt echter op iets heel anders.
[getuige 2] heeft op 22 november 2020 verklaard:
Wij waren gisteren beiden thuis. Ik zat op de vide achter mijn computer. Mijn vriendin was
beneden in de woonkamer. Om 13.42 uur sloot ik mijn computer af en ging naar de wc.
Ik weet dit tijdstip zo precies, omdat ik dat kan terugzien op mijn computer. De geluiden die ik had gehoord was gerommel alsof er meubels omvielen. Ook hoorde ik geluid alsof er deuren keihard werden dichtgedaan/geslagen. Daarna was het verder stil zoals normaal. Wij hebben beneden in de woonkamer gezeten tot er bijna een uur later politie bij de woning van [slachtoffer] (het gerechtshof begrijpt: [slachtoffer] ) en [verdachte] (het gerechtshof begrijpt: de verdachte) aankwam.12
Buurvrouw [getuige 3] heeft op 18 december 2020 verklaard (over 21 november 2020):
Rond 20 voor 2 zei mijn man dat hij bijna klaar was en ging afsluiten. Dat het deze tijd
was hebben wij gezien achteraf op de computer log. Mijn man sloot de computer af en ging
naar de wc. Hierdoor kon ik niet direct met hem praten. Hij was dus een paar minuten weg.
In deze paar minuten gebeurde er iets opmerkelijks. In deze minuten hoorde ik onwijs veel
kabaal. Toen mijn man beneden kwam vroeg ik of hij dit kabaal had gemaakt. Mijn man zei
dat hij het ook hoorde maar dat hij het niet was. Het kabaal was anders van geluid wat ik
normaal hoorde. Het geluid was ook alleen deze minuten en daarna was het weer stil. (…)
Omdat het geluid zo heftig was maakte ik me wel zorgen (…).
Het leek alsof er iets ontzettends groots of zwaars om viel. Ook leek het alsof er met
deuren of ramen dicht gegooid werd of zo. Het was echt onwijs veel geluid. Ik heb het niet zitten timen maar het was hooguit 2/3 minuten. Het was aaneengesloten geluid. Het waren allemaal bonken en klappen achter elkaar door. Het kwam echt overduidelijk van de kant van [slachtoffer] en [verdachte] . (…) Het was eigenlijk een hele stille dag. Toen de herrie van
de buren ongeveer 2 minuten. Daarna was het ongeveer een uur weer stil. Daarna kwam de
herrie van de ambulance en hulpverleners. 13
Het gerechtshof stelt verder vast dat buurvrouw [getuige 3] ook al even op 22 november 2020 figureert in het politieverhoor van [getuige 2] , namelijk waar zij in dat verhoor de volgende opmerking heeft gemaakt:
Ik vond het wel opmerkelijk veel herrie.14
Naar het oordeel van het gerechtshof duiden de verklaringen van deze buren van de verdachte over het tijdstip gelegen na het door de verdachte in ontvangst nemen van de aangetekende brief onmiskenbaar op een geheel andere en ook langer durende gang van zaken in de woning van de verdachte en [slachtoffer] dan enkel een gesprek over de aangetekende brief en een ongelukkige val van [slachtoffer] van de trap. Een gang van zaken waar de verdachte het telkens niet over heeft.
Verder overweegt het gerechtshof dat uit onderzoek door de politie is gebleken:
- dat de tijdsaanduiding op de computer van [getuige 2] overeenkomt met de werkelijke tijd;
- dat de tijdsaanduiding op de computer van de verdachte overeenkomt met de werkelijke tijd;
- dat op de computer van de verdachte op 21 november 2020 tussen 13:39 uur en 13:41 uur op bankieren.rabobank.nl diverse pagina's zijn bezocht, onder andere een pagina genaamd "sparen".15
De verdachte heeft op de zitting in hoger beroep van 11 september 2026 verklaard dat hij zijn computer destijds heeft gebruikt voor internetbankieren.
Verder is uit onderzoek door de politie naar de telefoon van de verdachte gebleken dat
die telefoon op 21 november 2020 diverse keren contact heeft gemaakt met
'bankieren.rabobank.nr via de rabomobiel/app, om 13:38:04 uur, om 14:32:23 uur en om 14:32:24 uur. Verder is te zien dat met het toestel om 14:33:29 is uitgebeld naar 112.16
Evenals de rechtbank, komt het gerechtshof dan tot de vaststelling van de volgende tijdlijn.
Tijdlijn
Op 21 november 2020 is de verdachte samen met [slachtoffer] in de woning aan de [adres]
in [plaats] aanwezig. Er zijn die dag geen andere personen in de woning aanwezig.
Om 13:24 uur wordt er door een postbezorger een aangetekende brief voor verdachte bezorgd. Deze brief wordt in ontvangst genomen door de verdachte. De brief is afkomstig van [slachtoffer] . In deze brief verzoekt [slachtoffer] de verdachte om een geldbedrag van € 10.859,00 aan haar te betalen. Dit geldbedrag zou hij haar schuldig zijn. Daarnaast geeft [slachtoffer] in deze brief aan dat zij de samenlevingsovereenkomst met hem wenst te ontbinden als hij niet betaalt.
De verdachte haalt de brief uit de envelop en ziet het geldbedrag staan en de naam van de notaris. Hij gaat vervolgens naar de slaapkamer op de eerste etage van de woning waar de computer staat, om wat bankzaken te regelen. [slachtoffer] komt op een bepaald moment ook naar boven en vraagt de verdachte naar de brief.17
Uit het onderzoek aan de computer en de telefoon van de verdachte volgt dat hij om 13:38 uur inlogt op de Rabobankieren app op zijn telefoon, en dat hij tussen 13:39 en 13:41 uur is ingelogd in de Rabobankieren omgeving op zijn computer. Slechts één of enkele minuten hierna, namelijk rond 13:42 uur, horen de directe buren van de verdachte en [slachtoffer] , de [getuige 2] en [getuige 3] , gedurende twee a drie minuten enorm veel geluid. [getuige 3] beschrijft het geluid alsof er iets ontzettends groots of zwaars omvalt, en alsof deuren en ramen worden dichtgegooid. Dit geluid komt volgens [getuige 3] overduidelijk van de kant van de woning van de verdachte en [slachtoffer] vandaan. Hierna is het bijna een uur stil. Verder volgt uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte dat hij om 14:32 uur opnieuw tweemaal op zijn Rabobankieren app op zijn telefoon zit. Even later, om 14:33 uur, doet de verdachte een 112-melding.
Confrontatie van de verdachte met onderzoeksbevindingen
Het gerechtshof heeft de verdachte op de zitting in hoger beroep van 11 september 2026 uitgebreid ondervraagd over de gebeurtenissen op 21 november 2020, met name vanaf het moment van de ontvangst van de aangetekende brief.
Daarover is nadrukkelijk dóórgevraagd door het gerechtshof. Aan de verdachte is daarbij meerdere keren en met klem de gelegenheid geboden om met een ander verhaal te komen. De verdachte is desondanks gebleven bij zijn eerdere verklaringen. Het scenario van de verdachte past echter niet bij diverse onderzoeksbevindingen. Het letsel van [slachtoffer] past niet bij de toedracht van de val van [slachtoffer] zoals de verdachte die heeft geschetst. Het lawaai dat de buren hebben gehoord en met name de duur van dat lawaai passen evenmin bij de verklaring van de verdachte over de toedracht. Onderdelen van de verklaring van de verdachte passen niet bij de hierboven weergegeven tijdlijn.
De verdachte heeft daarnaast wisselend verklaard. Allereerst over de tijdlijn. Zo heeft hij op 21 november 2020 verklaard dat zijn gesprek met [slachtoffer] boven, nog geen paar minuten duurde, op 25 november 2020 beweerde hij dat dat gesprek best lang duurde, een half uur of misschien wel langer, op 27 november 2020 verklaarde hij bij de rechter-commissaris dat het een half uur tot drie kwartier duurde, op 7 december 2020 dat het 20 tot 30 minuten duurde en bij de rechtbank verklaarde de verdachte dat het in zijn beleving een paar minuten was. Verder heeft verdachte zeer wisselend verklaard over de gang van zaken bij zijn eigen val van de trap. Enerzijds heeft hij verklaard - onder meer op de zitting in hoger beroep van 11 september 2026 - dat hij van bovenaf van de trap is gevallen, anderzijds heeft hij gedemonstreerd - bij de reconstructie - dat hij op het onderste deel van de trap is gevallen.
Enerzijds heeft hij verklaard dat hij in het geheel niet bewusteloos is geweest, anderzijds heeft hij verklaard dat hij misschien bewusteloos is geweest, maar dat hij denkt van niet, en ook heeft hij verklaard - onder meer op de zitting in hoger beroep van 11 september 2026 - dat hij geruime tijd bewusteloos is geweest. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte op 27 november 2020, nadat hem was voorgehouden dat het heel belangrijk is dat hij goed nadenkt en hij werd geconfronteerd met het tijdsverloop tussen het lawaai dat de buren hoorden en het moment dat 112 werd gebeld, verklaard dat hij en [slachtoffer] boven hebben staan praten. Verdachte verklaarde helemaal niet dat hij zelf buiten bewustzijn zou zijn geweest.
Het gerechtshof stelt verder vast dat de verdachte ook ten aanzien van verschillende andere aspecten voortdurend wisselend heeft verklaard, tot op de zitting in hoger beroep aan toe.
Zo verklaart hij wisselend over onder meer de aangetekende brief (wanneer hij deze heeft opengemaakt, waar hij de brief en/of de envelop heeft neergelegd, wanneer hij (een deel) van de inhoud heeft gezien), het gesprek dat hij met [slachtoffer] bovenaan de trap heeft gehad over die brief (op welk moment dit heeft plaatsgevonden, hoe lang het heeft geduurd), over hoe [slachtoffer] is gevallen en over hoe zij onderaan de trap is geraakt. Ook past de verdachte zijn verklaring steeds aan op het moment dat hem nieuwe onderzoeksbevindingen bekend worden die niet passen bij zijn eerdere verklaring. Zo duurt het gesprek met het [slachtoffer] boven aan de trap ineens veel langer als bekend wordt dat de buren veel geluid hebben gehoord en herinnert hij zich ineens dat hij de Rabobank app heeft weggeklikt om 112 te bellen.
Op basis van de wisselende verklaringen van de verdachte kan in feite niet worden vastgesteld wat er volgens de verdachte zelf zou zijn gebeurd. Wat wél vast staat, ook volgens de verdachte zelf, is de aanwezigheid van de verdachte in de woning, zowel ten tijde van de ontvangst van de aangetekende brief, als ten tijde van zijn kennisneming van de strekking van die brief, als ten tijde van het bekomen van (fataal) letsel door [slachtoffer] .
Het gerechtshof acht de lezing van de verdachte over de val van [slachtoffer] van de trap niet geloofwaardig. De bevindingen van [patholoog] enerzijds, waarvan met name diens duiding - in het verhoor bij de raadsheer-commissaris - van het gebroken tongbeen als sterk suggestief voor samendrukkende krachtsinwerking (het gerechtshof begrijpt: zoals verwurging), en de verklaringen van de buren van de verdachte anderzijds rechtvaardigen naar het oordeel van het gerechtshof het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat sprake is geweest van de aanwending van geweld tegen [slachtoffer] door de verdachte in hun woning, gedurende in ieder geval 2 à 3 minuten, vanaf het tijdstip rond 13:42 uur. De door de [patholoog] geconstateerde letsels rechtvaardigen naar het oordeel van het gerechtshof de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat die letsels door de verdachte zijn toegebracht op de wijze zoals onder 1 primair is ten laste gelegd. Omdat de verdachte de enige is die duidelijkheid kan geven over welke geweldshandelingen exact door hem zijn verricht en hij dat niet heeft gedaan, kan het gerechtshof niet anders dan vaststellen dat alle tenlastegelegde feitelijke handelingen geëigend zijn de door [patholoog] beschreven letsels te veroorzaken en bewezen achten dat de verdachte die handelingen, of een combinatie daarvan heeft verricht. Het type geweldshandelingen en de gecombineerde aanwending van die geweldshandelingen kunnen naar de aard daarvan enkel opzettelijk zijn verricht.
Voor zover de raadsman van de verdachte in hoger beroep beoogd heeft aan te voeren dat het letsel van [slachtoffer] verklaard wordt door de door de verdachte opgevoerde ongelukkige val van de trap van [slachtoffer] , acht het gerechtshof dat alternatieve scenario op grond van de onderzoeksbevindingen niet aannemelijk geworden.
Op grond van het bovenstaande acht het gerechtshof bewezen dat de verdachte opzettelijk de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, althans [slachtoffer] heeft gewurgd en/of dat hij haar van de trap heeft geduwd en/of haar in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of getrapt/geschopt.
Bewezenverklaring
Het gerechtshof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair aan hem tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:
1. primairhij op 21 november 2020 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door
- die [slachtoffer] van de trap te duwen en/of
- die [slachtoffer] in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan/stompen en/of te trappen/schoppen en/of
- de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden, althans die [slachtoffer] te verwurgen.
Het gerechtshof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit
Het bewezen verklaarde feit is strafbaar en levert op:
doodslag.
Strafbaarheid van verdachte
Over de persoon van de verdachte heeft [psycholoog] , gerapporteerd. In haar rapport van 24 juni 2021 heeft zij geconcludeerd - voor zover hier van belang - dat:- betrokkene heeft meegewerkt aan het onderzoek;- betrokkene niet lijdende is aan een psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening, ook niet ten tijde van het ten laste gelegde;- de tenlastegelegde feiten volledig toe te rekenen zijn.
Het gerechtshof neemt deze conclusies over op grond van de inhoud van het rapport.
De verdachte is strafbaar omdat - ook overigens - geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
De advocaat-generaal heeft betoogd dat de door de rechtbank opgelegde straf aanzienlijk te laag is. Daarbij heeft hij aangevoerd dat het door de rechtbank genoemde uitgangspunt van acht jaren voor een doodslag onjuist is. Hij heeft elf jaar en zes maanden gevangenisstraf geëist.
De verdediging heeft geen strafmaatverweren gevoerd.
Bij het bepalen van de straf houdt het gerechtshof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van de verdachte.
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
-
de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
-
de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag van zijn vriendin. Het opzettelijk benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. De rechtsorde is hierdoor ernstig geschokt;
-
de omstandigheid dat de verdachte zijn vriendin in haar eigen huis, waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen, om het leven heeft gebracht. Het is schrijnend dat het slachtoffer voorafgaand aan het bezorgen van de aangetekende brief allerlei voorzorgsmaatregelen had getroffen, er stonden meerdere mensen stand-by en ze had haar auto even verderop geparkeerd, maar dat dit niet heeft mogen baten. Kort na het bezorgen van de brief heeft de verdachte dusdanig veel geweld toegepast dat het slachtoffer als gevolg daarvan is overleden;
-
de omstandigheid dat de verdachte de nabestaanden van het slachtoffer oneindig leed heeft berokkend. Vanzelfsprekend komt als uitgangspunt een langdurige vrijheidsstraf voor berechting van een dergelijk zeer ernstig feit in aanmerking. Strafverzwarend is dat de verdachte kennelijk geen openheid van zaken heeft willen geven en daarmee de nabestaanden (voor een deel) in het ongewisse heeft gelaten over wat er nu precies is gebeurd tussen hem en [slachtoffer] .
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van
6 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij nimmer door een strafrechter is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit. Dit werkt niet in strafmatigende zin mee;
de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek op de zitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.
Het gerechtshof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf geen recht doet aan de aard en de ernst van het door de verdachte gepleegde feit. Voor doodslag bestaan geen landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. In vergelijkbare zaken worden doorgaans gevangenisstraffen tussen de 8 en 12 jaren opgelegd.18
Op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding acht het gerechtshof - evenals de advocaat-generaal - in beginsel passend en geboden de oplegging van een gevangenisstraf van 12 jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Evenals de advocaat-generaal, heeft het gerechtshof verder rekening gehouden met de omstandigheid dat de termijn waarbinnen de vervolging heeft plaatsgevonden niet redelijk is naar de maatstaf van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn neemt een aanvang vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
De redelijke termijn is in dit geval naar het oordeel van het gerechtshof aangevangen op
22 november 2020, zijnde de datum waarop de verdachte is aangehouden en in verzekering gesteld ter zake van het strafbare feit dat hier aan de orde is. Daaraan heeft hij in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat het openbaar ministerie een strafrechtelijke vervolging tegen hem zou instellen.
De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van - onder meer - de ingewikkeldheid van de zaak, waartoe kan worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, en de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop.
Het gerechtshof stelt vast dat de zaak in eerste aanleg, indien de verdachte minder dan
16 maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in het algemeen behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen 2 jaren nadat de redelijke termijn is gestart, hetgeen in dit geval inhoudt dat de zaak op 22 november 2022 behoorde te zijn afgerond door de rechtbank. Nu dit niet het geval is - de rechtbank deed uitspraak op 28 augustus 2024 -, is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de berechting door de rechtbank.
Het gerechtshof stelt daarnaast vast dat de zaak van een preventief gedetineerde verdachte in hoger beroep in het algemeen behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen
16 maanden nadat het rechtsmiddel is ingesteld, hetgeen in dit geval inhoudt dat de zaak op 10 januari 2026 behoorde te zijn afgerond. Nu dit niet het geval is, is er gerekend vanaf die datum dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep.
Gelet op bovenstaande overschrijding(en) van de redelijke termijn, ziet het gerechtshof aanleiding - in plaats van de gevangenisstraf van 12 jaren, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, die het gerechtshof voornemens was op te leggen - op te leggen een gevangenisstraf van 11 jaren en 6 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de [benadeelde 2]
De [benadeelde 2] heeft een vordering tot vergoeding van schade ingediend ten bedrage van € 27.500,00, bestaande in immateriële schade (€ 10.000,00) en affectieschade (€ 17.500,00). Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen, te weten tot het bedrag van de gevorderde affectieschade (€ 17.500,00), vermeerderd met de wettelijke rente.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het gerechtshof zal daarom een beslissing nemen over de gehele vordering.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte. De gevorderde affectieschade is niet betwist en kan op grond van de artikelen 6:108 en 162 Burgerlijk Wetboek (BW) worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 november 2020.
Aan de vordering van immateriële schade van € 10.000,00 heeft de benadeelde partij ten grondslag gelegd dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen, dat zij veel gevolgen van het feit heeft gehad, PTSS en lichamelijke rug- en nekklachten. Zij stelt dat deze klachten in een causaal verband staan tot de doodslag van haar moeder. Als onderbouwing heeft de benadeelde partij een schrijven van haar huisarts van 12 april 2021 overgelegd. In dat schrijven leest het gerechtshof onder “beschrijvende diagnose” dat de benadeelde partij melding maakt van klachten als hoofdpijn, slecht slapen, prikkelbaarheid, nare herinneringen, soms nachtmerries, somberheid, boosheid en verdriet. Deze klachten zouden bestaan sinds het overlijden van haar moeder. De laatste zes regels van de beschrijvende diagnose van de huisarts zijn onleesbaar gemaakt. De daarna opgenomen DSM classificatie PTSS is vervolgens wel weergegeven. Een verdere onderbouwing heeft de benadeelde partij niet gegeven. Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de benadeelde partij onvoldoende gemotiveerd dat zij immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106 BW.
Het gerechtshof zal de benadeelde partij daarom in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Gelet op het bovenstaande dient de verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het gerechtshof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering van de [benadeelde 1]
De [benadeelde 1] heeft een vordering tot vergoeding van schade ingediend ten bedrage van € 17.500,00, ter zake van affectieschade. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd.
De rechtbank heeft deze vordering geheel toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het gerechtshof zal daarom een beslissing nemen over de gehele vordering.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte. De gevorderde schade is niet betwist en komt het gerechtshof niet onredelijk of ongegrond voor, mede gelet op de daaraan ten grondslag gelegde rechtsgrond (artikelen 6:108 en 162 BW) en de onderbouwing van de vordering in de toelichting op de vordering, de onderdelen 3.1 tot en met 4.4, ingediend door de advocaat van de benadeelde partij. De verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 november 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.
Gelet op het bovenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het gerechtshof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
elf jaren en zes maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
21 november 2020.
Vordering van de [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
21 november 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. A.H. toe Laer, mr. L.J. Hofstra en mr. E.W. van Weringh, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 oktober 2026.