GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.349.039
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen : 429379
arrest van 6 oktober 2026
in de zaak van:
1 [appellant]
2. [appellante]
die beiden wonen in [woonplaats]
die hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als eisers
hierna: [appellanten]
advocaat: mr. B. Pietersz
tegen
1 Libido B.V.
die is gevestigd in Vierakker
2. Beelhorst B.V.
die is gevestigd in Brummen
die ook hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als gedaagden
hierna: samen: Libido c.s.
advocaat: mr. M.H. Pluymen
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) op 5 juni 20241 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep
-
de memorie van grieven
-
de memorie van antwoord in het principaal appel, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel
-
de memorie van antwoord in incidenteel appel
-
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 9 maart 2026 is gehouden.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2 De kern van de zaak
[appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd dat Libido c.s. worden veroordeeld:
-
primair: een aflossingsvrije hypothecaire lening met een hoofdsom van € 139.752,00 aan [appellanten] te verstrekken, met een looptijd tot 1 januari 2037 en een rente van 2,7% per jaar;
-
subsidiair, als Libido c.s. niet aan de primaire veroordeling voldoet binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, of als de rechtbank de primaire vordering niet toewijst: aan [appellanten] te voldoen € 63.577,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2023; en
-
tot vergoeding aan [appellanten] van hun kosten van deze procedure.
De rechtbank heeft Libido c.s. veroordeeld om de door [appellanten] gevorderde vergoeding van advies-, bemiddelings- en taxatiekosten van in totaal € 2.850,00 te betalen. De rechtbank heeft de verdere vorderingen van [appellanten] afgewezen.
[appellanten] hebben in dit hoger beroep gevorderd dat Libido c.s. worden veroordeeld om € 497.838,90, althans € 465.195,90, althans een in goede justitie te bepalen bedrag als schadevergoeding aan [appellanten] te vergoeden, alsmede de buitengerechtelijke kosten en proceskosten van [appellanten] te betalen, verhoogd met wettelijke (handels)rente. De bedoeling van het hoger beroep van Libido c.s. (hierna aangeduid als Advidens) is dat de vorderingen van [appellanten] alsnog integraal worden afgewezen, dus ook wat betreft de vergoeding van advies-, bemiddelings- en taxatiekosten, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
Het hof zal beslissen dat het vonnis bekrachtigd wordt en licht dat hierna toe.
3 De toelichting op de beslissing van het hof
Het gaat in deze procedure om de advisering door Advidens van [appellanten] over de financiering van de aankoop van een woning. Het staat vast dat Advidens daarbij een beroepsfout heeft gemaakt, maar het is de vraag of [appellanten] als gevolg daarvan schade heeft geleden, en zo ja hoeveel schade. Het hof gaat bij de hierna volgende beoordeling van de vorderingen uit van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in het vonnis van 5 juni 2024 (onderdelen 2.1. tot en met 2.9.) en de aanvullende feiten die het hof hierna vaststelt.
De feiten
[appellant] en zijn echtgenote [appellante] ( [appellanten] ) hebben op 14 april 2022 een overeenkomst gesloten tot de koop van een woning. De koopprijs bedroeg € 340.000,00 (kosten koper). In de koopovereenkomst stonden geen ontbindende voorwaarden. De overdracht was aanvankelijk gepland op 1 augustus 2022; die is daarna vervroegd naar 29 juli 2022. De koopovereenkomst bevatte een boetebeding met de strekking dat een partij die in gebreke blijft om haar verplichting na te komen een boete van 10% van de koopsom, dus € 34.000,00 verbeurt.
[appellanten] hadden de aankoop van hun eerdere woning gefinancierd door middel van een hypothecaire lening, die in 2016 was overgesloten naar Hypotrust. De oorspronkelijke hoofdsom van deze geldlening was ongeveer € 250.000,00 tegen een rente van 2,7% met een looptijd tot 2037. Deze hypothecaire lening kende een “meeneemregeling”, waarover op de website van Hypotrust staat:
“De meeneemregeling houdt in dat je de rente en de periode dat je rente nog vaststaat (je rentevastperiode) meeneemt naar je nieuwe huis. Alle standaard regels en eisen blijven hierbij gewoon gelden. Voor je nieuwe hypotheek kijken we daarom naar je inkomen, maar ook naar de waarde van je nieuwe huis. Misschien val je daardoor in een hogere of lagere ‘risicoklasse’”.
Advidens v.o.f. is een financieel adviesbureau, waarvan Libido B.V. en Beelhorst B.V. de vennoten zijn. [appellanten] hebben na het aangaan van de koopovereenkomst in april 2022 Advidens ingeschakeld om hen te adviseren en te begeleiden, en om te bemiddelen bij het verkrijgen van een financiering voor de aankoop van de woning. [appellanten] en Advidens hebben daarvoor op 23 mei 2022 een Dienstverleningsopdracht getekend.
Advidens heeft [appellanten] in een e-mail van 24 mei 2022 onder andere geschreven:
“Samen bespraken we de mogelijkheid tot het verhuizen van je hypotheek naar jullie nieuwe woning. We spraken het volgende door:
jullie zetten je huis te koop voor een vraagprijs tussen de € 385.000,- en de € 395.000,- en verwachten iets meer te vangen uiteindelijk
de nieuwe woning kost € 340.000,- en jullie gaan voor € 80.0000,- tot € 120.000,- verbouwen (…)
we verhuizen de huidige hypotheek naar de nieuwe woning en de overige kosten etc financieren jullie zelf uit eigen middelen
dat geldt ook voor de overbrugging, ook die komt (tijdelijk) uit de BV cq eigen middelen”.
Advidens heeft in een brief van 15 juli 2022 van Hypotrust een “voorbeeldofferte” ontvangen, geadresseerd aan [appellanten] , voor een lening van € 139.752,00 tegen een rente van 2,55% met een looptijd tot 1 januari 2037. Hypotrust stemde er niet mee in om de op dat moment uitstaande hypothecaire geldlening van [appellanten] met een restsaldo van ruim € 210.000,00 integraal “over te zetten”, omdat het inkomen van [appellanten] daarvoor niet (meer) toereikend was.
Hypotrust heeft in haar brief van 15 juli 2022 (ook) om een aantal gegevens en documenten voor een verdere beoordeling van de hypotheekaanvraag gevraagd. In de brief van Hypotrust staat daarover:
“Voordat de offerte wordt opgemaakt beoordelen wij definitief of u de lening kan krijgen op basis van de normen en voorwaarden zoals deze gelden op het moment van de definitieve beoordeling”;
“Als wij de door u ondertekende garantieverklaring hebben ontvangen, controleren wij daarna alle documenten die u ons heeft opgestuurd. Zo beoordelen wij of wij u de lening kunnen geven. Kunnen wij u de lening geven? Dan ontvangt u een offerte. Kunnen wij u de lening niet geven? Dan laten wij dat uw financieel adviseur weten”;
“In de volgende situaties mogen wij besluiten om u geen lening te geven. U ontvangt dan ook geen offerte:
- Als wij niet alle documenten voor 15 oktober 2022 van u of uw financieel adviseur hebben gekregen; (….)
- Als uw aanvraag niet voldoet aan de regels van Hypotrust zoals die gelden op de datum dat de documenten definitief beoordeeld zijn”.
Advidens heeft de brief met bijlagen van Hypotrust op 19 juli 2022 doorgestuurd aan [appellanten] Advidens heeft in de begeleidende e-mail aan [appellanten] geschreven:
“Volgende week moet er al gepasseerd worden maar dat gaat Hypotrust niet halen zo kan ik je aangeven. Er zijn dan 2 oplossingen:
1. passeren uitstellen met alle gevolgen van dien
2. voorschieten uit de BV met eigen middelen en daarna de hypotheek passeren
Als ik in jouw schoenen stond koos ik voor de 2e optie. Graag hoor ik even”.
[appellanten] hebben er vervolgens voor gekozen om de aankoop van de nieuwe woning door [naam1] B.V. te laten financieren. [appellanten] en [naam1] B.V. (vertegenwoordigd door [appellant] ) hebben daarvoor op 25 juli 2022 een leningsovereenkomst getekend. In die overeenkomst staat dat [naam1] B.V. een geldlening van € 300.000,00 aan [appellanten] verstrekt met een looptijd van 30 jaar, een rente van 1% per jaar en een maandelijkse aflossing van € 500,00. In die overeenkomst staat ook dat [naam1] B.V. een hypotheekrecht verkrijgt op de nieuwe woning.
Het hypotheek-aanvraagtraject bij Hypotrust is voorgezet. Hypotrust heeft aan Advidens in een e-mail van 9 augustus 2022 geschreven:
“Na een inhoudelijke beoordeling van de hypotheekaanvraag van klant [appellant] met dossiernummer [***] kan ik op dit moment helaas nog geen indicatief voorstel / renteaanbod uitbrengen. (…)
Aangezien uw aanvragers al inmiddels eigenaar zijn van te financieren woning, wordt dit nu een oversluitscenario. In het telefoongesprek gaf u aan dat uw klanten de woning zelf hebben (voor)gefinancierd. Graag ontvangen wij hiervoor de benodigde documenten”.
Advidens heeft omstreeks 23 augustus 2022 de leningsovereenkomst tussen [appellanten] en [naam1] B.V. ontvangen en heeft deze doorgestuurd aan Hypotrust. Hypotrust heeft op 23 augustus 2022 Advidens geïnformeerd dat zij heeft besloten om geen hypothecaire geldlening aan [appellanten] te verstrekken.
Gedurende 2023 is tussen partijen een procedure gevoerd bij de Geschillencommissie van het financiële klachteninstituut KiFiD, die resulteerde in een niet-bindend advies van 20 oktober 2023. In dat niet-bindend advies staat dat niet is gebleken dat de tijdnood voor het verkrijgen van een hypotheek te wijten was aan één van de partijen. Verder heeft de Geschillencommissie geoordeeld als volgt:
“Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam hypotheekadviseur mag verwacht worden dat hij op de hoogte is van de (hypotheek)voorwaarden en het acceptatiebeleid van de geadviseerde geldverstrekker en hij de belangen van zijn opdrachtgever zo goed mogelijk in het oog houdt bij de door hem gegeven adviezen. In dit geval had de adviseur uit de voorwaarden van de geldverstrekker kunnen opmaken dat aan de voorwaarden om gebruik te maken van de meeneemregeling (mogelijk) niet langer werd voldaan als de koopsom van de woning werd voorgeschoten en de consumenten de hypotheek dus niet zouden gebruiken om de koopsom voor de woning te betalen. Van de adviseur had verwacht mogen worden dat hij, voor zover hier onduidelijkheid over was, vooraf naar de consequenties had geïnformeerd bij de geldverstrekker. Verder had van hem verwacht mogen worden dat hij de consumenten zou informeren over de (mogelijke) consequenties, opdat de consumenten de verschillende opties tegen elkaar af konden zetten en zij een weloverwogen beslissing konden nemen. Door het bovenstaande niet te doen heeft de adviseur onvoldoende zorg betracht”.
De Geschillencommissie heeft geoordeeld dat Advidens de advies- en bemiddelingskosten en de taxatiekosten van [appellanten] van in totaal € 2.850,00 moet vergoeden. De Geschillencommissie heeft de vordering van [appellanten] dat Advidens moet zorgdragen voor het afsluiten van een hypotheek en hen moet compenseren voor het verschil in rente afgewezen, omdat volgens de Geschillencommissie geen causaal verband bestaat tussen de zorgplichtschending en deze gestelde (rente)schade.
Libido en Beelhorst zijn gedagvaard als vennoten van Advidens
Libido en Beelhorst zijn door [appellanten] gedagvaard als vennoten van de vennootschap onder firma Advidens. Zij zijn op grond van artikel 18 WvK hoofdelijk verbonden wegens de verbintenissen van de vennootschap Advidens.2
Onzorgvuldig handelen van Advidens staat vast
[appellanten] baseren hun vordering erop dat Advidens onzorgvuldig heeft gehandeld door hen niet te adviseren over de gevolgen voor de meeneemhypotheek wanneer zij de koopsom van hun woning financierden vanuit [naam1] B.V. Advidens heeft geen grief gericht tegen de overweging van de rechtbank (rov. 4.1.) dat tussen partijen niet in geschil is dat Advidens daarmee onzorgvuldig tegenover [appellanten] heeft gehandeld. Het hof gaat daarom uit van deze zorgplichtschending als grondslag voor de vorderingen van [appellanten]
Causaal verband tussen onzorgvuldig handelen en gevorderde renteschade?
Advidens acht zich niet aansprakelijk voor de door [appellanten] gevorderde schade omdat causaal verband tussen de zorgplichtschending en de door [appellanten] gevorderde schade ontbreekt.
Voor het aannemen van causaal verband tussen de zorgplichtschending en de gevorderde schade is vereist dat komt vast te staan dat [appellanten] bij juiste informatieverschaffing en advisering door Advidens een andere beslissing zouden hebben genomen en dat deze hen in een betere positie zou hebben gebracht dan nu het geval is. De bewijslast hiervan rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [appellanten]
[appellanten] voeren in hoger beroep aan dat drie alternatieven voorhanden waren en dat - als zij juist door Advidens waren geïnformeerd en geadviseerd - ieder van deze alternatieven hen in een betere positie zouden hebben gebracht dan nu het geval is:
-
In overleg met de verkopende partij de levering van de woning uitstellen;
-
De nieuwe woning op naam van hun meerderjarige zoon of dochter zetten, totdat de financiering rond was;
-
De koop ontbinden en de contractuele boete verschuldigd raken.
Voor een beoordeling van de vorderingen van [appellanten] is daarom nodig om te beoordelen (i) wat een juiste informatieverschaffing en advisering door Advidens zou zijn geweest, (ii) in welke situatie [appellanten] nu verkeren, (iii) welke beslissing of beslissingen [appellanten] bij juiste informatieverschaffing en advisering door Advidens zouden hebben genomen en (iv) of deze beslissingen hen in een betere positie zouden hebben gebracht dan nu het geval is. Het hof zal hierna deze onderdelen afzonderlijk beoordelen.
Wat zou een juiste informatieverschaffing en advisering door Advidens zijn geweest?
De hypothecaire lening van [appellanten] voor hun eerdere woning bevatte een “meeneemregeling”, die inhield dat bij aankoop van een nieuwe woning de rente en de rentevastperiode konden worden opgenomen in een nieuwe hypothecaire lening voor de nieuwe woning, maar dat de voorwaarden voor toekenning - zoals de inkomenstoets - bleven gelden. Het “meenemen” van de bestaande hypotheek was een van de kenbare doelen van [appellanten] , zo blijkt uit de e-mail van Advidens van 24 mei 2022. Dat is in die e-mail omschreven als “de mogelijkheid tot het verhuizen van je hypotheek naar jullie nieuwe woning”. Namens Advidens is tijdens de zitting in hoger beroep geantwoord op de vraag waar de tekortkoming van Advidens in zit:
“De voorwaarden van Hypotrust omtrent de meeneemregeling omschrijven dat het meenemen van de hypotheek alleen kan als de woning nog niet gepasseerd is. Bij Hypotrust mag de woning dus nog niet gepasseerd zijn. Je mag je hypotheek wel verhuizen als die tegelijk met de eigendomsoverdracht gevestigd wordt, maar dat was hier dus al gedaan”.
Uit de e-mail van Hypotrust van 9 augustus 2022, zie hiervoor onder 3.10, blijkt dat Hypotrust er toen van op de hoogte was dat [appellanten] na de financieringsaanvraag eigenaren van de nieuwe woning waren geworden en dat het daarom wat Hypotrust betrof een “oversluitscenario” zou worden. Een “oversluitscenario” houdt, naar het hof begrijpt, in dat de oude hypotheek vervroegd wordt afgelost en een nieuwe hypotheek wordt aangegaan onder nieuwe voorwaarden die afhankelijk zijn van de (markt)situatie op dat moment, en dus niet noodzakelijkerwijs overeenstemmen met het rentepercentage en de rentevastperiode van de voorafgaande hypotheek.
Hypotrust heeft op 23 augustus 2022, na ontvangst van de leningsovereenkomst tussen [appellanten] en [naam1] B.V., Advidens geïnformeerd dat zij heeft besloten om de gevraagde hypothecaire geldlening niet - en dus ook niet in een “oversluitscenario” - te verlenen. De advocaat van [appellanten] verklaarde daarover tijdens de zitting in hoger beroep dat het oversluiten van de hypotheek is afgeketst op het feit dat Hypotrust dacht dat [naam1] B.V. al een recht van eerste hypotheek op de woning had gevestigd, met de kanttekening van het hof dat er geen hypotheek ten behoeve van de B.V. is gevestigd ondanks dat de geldleningsovereenkomst daar wel in voorzag.
Het hof stelt op grond hiervan vast dat een zorgvuldige informatieverschaffing en advisering door Advidens op of rond 19 juli 2022 zou zijn geweest dat overdracht van de nieuwe woning voorafgaand aan het rondkomen en het meenemen van de hypothecaire geldlening bij Hypotrust, waarschijnlijk zou betekenen dat [appellanten] afhankelijk zouden zijn van een nieuw voorstel van Hypotrust, ook wat betreft de rente en rentevastperiode. Het hof tekent daarbij aan dat het Advidens niet is aan te rekenen dat Hypotrust op 23 augustus 2022, nadat haar de hypothecaire geldleningsovereenkomst tussen [appellanten] en [naam1] B.V. was toegestuurd, kenbaar maakte dat zij de gevraagde geldlening in het geheel niet zou verschaffen, dus ook niet in een “oversluitscenario”. Daarvoor is van belang dat de door Advidens in haar e-mail van 19 juli 2022 aangedragen oplossing was “voorschieten uit de BV met eigen middelen en daarna de hypotheek passeren”. [appellanten] hebben dit advies niet opgevolgd, in die zin dat zij niet een tijdelijke (overbruggings)leningsovereenkomst zijn aangegaan met [naam1] B.V., maar een hypothecaire geldlening met een looptijd van dertig jaar. [appellanten] hebben niet gesteld dat zij deze leningsovereenkomst in overleg met Advidens en/of ruggenspraak met Hypotrust zijn aangegaan en zij hebben niet aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat Advidens in die fase in haar zorgplicht tekort zou zijn geschoten.
In welke situatie verkeren [appellanten] nu?
[appellanten] hebben de aankoop van de nieuwe woning (mede) gefinancierd door de hypothecaire lening verschaft door [naam1] B.V. met een hoofdsom van € 300.000,00, een rente van 1% per jaar en een looptijd van dertig jaar. De hoofdsom van deze lening is hoger dan de hoofdsom van hypothecaire lening die [appellanten] bij de aankoop van hun eerdere woning was aangegaan (ongeveer € 250.000,00) en de rente is lager dan de rente van die eerdere lening (2,7%). Datzelfde geldt voor de lening die was opgenomen in de “voorbeeldofferte” van Hypotrust van 15 juli 2022. Die voorbeeldofferte hield in een hoofdsom van € 139.752,00 tegen een rente van 2,5%, dus een lagere hoofdsom en een lagere rente dan de hypothecaire lening die [appellanten] bij de aankoop van hun eerdere woning was aangegaan en waar [appellanten] in hun schadeberekening in deze procedure van uitgaan.
[appellanten] voeren aan dat zij in een nadeliger (vermogensrechtelijke) positie verkeren dan wanneer Advidens zorgvuldig zou hebben geadviseerd en zij de toen bestaande hypotheek hadden kunnen “meenemen”. Zij voeren daarvoor aan dat [naam1] B.V. opgescheept zit met een onrendabele lening voor 30 jaar tegen 1% rente en dat [naam1] B.V. geen dividend kan uitkeren of een salaris kan voldoen aan haar DGA [appellant] . Voor de beoordeling van de vorderingen van [appellanten] is de vermogensrechtelijke positie van [naam1] B.V. echter niet rechtstreeks van belang. [naam1] B.V. is geen partij in dit hoger beroep; de rechtbank heeft de vordering van [naam1] B.V. afgewezen omdat deze onvoldoende is onderbouwd en [naam1] B.V. is hiertegen niet in hoger beroep gegaan.
[appellanten] hebben niet onderbouwd dat de “onrendabele lening waar [naam1] B.V. mee zit opgescheept” (ook) schade van henzelf vormt. Integendeel, het hof moet ervan uitgaan dat waar deze lening “onrendabel” voor [naam1] B.V. is, de leningsvoorwaarden gunstig(er) zijn voor [appellanten] , met name gelet op het lagere rentepercentage (1%) dan de daaraan voorafgaande lening voor de vorige woning (2,7%). Het hof kan op dit punt de redenering van [appellanten] niet volgen dat zij zijn benadeeld door het feit dat [naam1] B.V. als gevolg van de aan [appellanten] verstrekte lening niet in staat is om dividend uit te keren of een managementvergoeding aan [appellant] te betalen. De liquiditeiten die [naam1] B.V. naar de stellingen van [appellanten] voor dividenduitkering of betaling van managementvergoeding tekort komt zijn immers uit hoofde van de lening nu juist al aan [appellanten] verschaft. Daar komt bij dat de managementvergoeding nog steeds als vordering op [naam1] B.V. geboekt kan worden zodat deze op een later moment alsnog uitbetaald kan worden of kan worden betaald door een verrekening met hetgeen [appellanten] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst aan [naam1] B.V. is verschuldigd.
Alternatieve beslissingen bij juiste informatieverschaffing en advisering?
De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat een causaal verband bestaat tussen de beroepsfout van Advidens en de door [appellanten] gevorderde renteschade, omdat zij onvoldoende hebben onderbouwd dat alternatieven bestonden. [appellanten] hebben in dit hoger beroep de door hen gestelde alternatieven uitgewerkt. Het hof gaat hierna nader in op deze door [appellanten] gestelde alternatieven.
In overleg met de verkopende partij levering van de woning uitstellen
[appellanten] voeren in hoger beroep aan dat, als zij zorgvuldig door Advidens zouden zijn geadviseerd, zij geprobeerd zouden hebben om de levering van de woning uit te stellen, dat zij dan op zijn minst nog zes weken extra de tijd zouden hebben gehad voor de aanvraag van de hypotheek en zij – naar het hof begrijpt – de toen bestaande hypotheek hadden kunnen “meenemen”, in de zin dat het rentepercentage en de rentevastperiode gehandhaafd zouden blijven.
[appellanten] hebben in dat kader een schriftelijke verklaring van de verkoopster ingebracht, waarin zij onder andere verklaart:
“Tegenover een voorstel tot uitstel van de eigendomsoverdracht tot 31 augustus 2022 zou ik mogelijk positief hebben gestaan.
In het geval het voorstel tot uitstel van de eigendomsoverdracht voor een latere datum dan 31augustus 2022 zou zijn gedaan, dan had ik zeer waarschijnlijk het voorstel afgewezen en/of nadere financiële voorwaarden aan koper gesteld”.
Advidens betwist dat Hypotrust aan [appellanten] uiteindelijk een hypothecaire lening zou hebben verschaft, dus ook niet in dit scenario, en betwist dat [appellanten] voor 31 augustus 2022 (wel) aan de (inkomens)eisen, voorwaarden en uitgangspunten van Hypotrust zou hebben voldaan om in aanmerking te komen voor de gevraagde hypothecaire geldlening, dus ook als [appellanten] dan nog niet de eigendom van de woning zouden hebben verkregen. Advidens voert daarbij aan dat [appellanten] niet inzichtelijk hebben gemaakt met welke financiële middelen zij de toen lopende kredieten hebben afgelost, welke aflossing een vereiste was van Hypotrust om een (nieuwe) hypothecaire lening te verschaffen, en dat aangenomen moet worden dat zij dit hebben gedaan met middelen uit de onderneming, hetgeen gevolgen zal hebben gehad voor hun inkomenssituatie. Advidens voert ook aan dat het voor Hypotrust zonder de toen ontbrekende informatie, die [appellanten] niet hebben verstrekt, niet mogelijk was om de aanvraag van [appellanten] te beoordelen en dat Hypotrust daarom de aanvraag zou hebben afgewezen. Advidens voert in dit verband ten slotte aan dat [appellanten] naar hun eigen stellingen destijds geen andere geldverstrekker bereid hebben gevonden die hen een hypothecaire geldlening wilde verstrekken.
[appellanten] hebben hiertegen aangevoerd dat zij met een uitstel tot 31 augustus 2022 ruim voldoende tijd zouden hebben gehad om bij Hypotrust of een andere partij de aanvraag af te ronden, omdat alle relevante documenten reeds in de voorafgaande acht weken aan Advidens waren verstrekt, maar zij hebben deze stellingen niet onderbouwd (met de relevante – nog ontbrekende – stukken en informatie). Het had [appellanten] op basis van de uitspraak van de rechtbank en gezien de gemotiveerde betwisting door Advidens in hoger beroep duidelijk moeten zijn geworden dat het aan hen is om te onderbouwen en te substantiëren dat Hypotrust aan [appellanten] een hypothecaire lening zou hebben verschaft en dat zij voor 31 augustus 2022 (wel) aan de (inkomens)eisen, voorwaarden en uitgangspunten van Hypotrust zouden hebben voldaan om in aanmerking te komen voor de hypothecaire geldlening. Dat hebben zij in hoger beroep niet gedaan en zij hebben geen specifiek en ter zake dienend bewijs hiervan aangeboden. Het hof komt dan ook niet toe aan bewijslevering.
Het hof voegt hier aan toe dat, zoals hiervoor is overwogen, [appellanten] niet hebben onderbouwd dat zij, ondanks de door [naam1] B.V. verstrekte lening, in een nadeliger (vermogensrechtelijke) positie verkeren dan wanneer Advidens zorgvuldig zou hebben geadviseerd en zij de toen bestaande hypotheek voor een bedrag van € 139.752,00 hadden kunnen “meenemen”.
De nieuwe woning op naam van hun meerderjarige zoon of dochter zetten, totdat de financiering rond was
[appellanten] voeren aan dat een ander beschikbaar alternatief was om de nieuwe woning eerst op naam van hun meerderjarige zoon of dochter te zetten en vervolgens - zodra de financiering rond was - de nieuwe woning op naam van [appellanten] te zetten. Zij zouden dan wel gebruik hebben kunnen maken van de meeneemhypotheek omdat de woning dan nog niet op hun naam stond. Advidens heeft daar tegen ingebracht dat het onwaarschijnlijk is dat de verkopers daaraan zouden hebben meegewerkt omdat de koopovereenkomst daarop zou moeten worden aangepast, en dat het de vraag is of Hypotrust in dat geval wel bereid zou zijn geweest om een aanbod te doen op basis van een oversluit- of meeneemscenario.
Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] niet voldoende onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt dat zij als realistisch alternatief voor overdracht aan hun kind hadden gekozen. Zij voeren slechts aan dat zij dit alternatief hadden kunnen onderzoeken. Zij geven geen onderbouwing dat verkopers aan die alternatieve verkoop zouden hebben meegewerkt en dat dit alternatief - tussentijdse overdracht aan hun kind - de stellingname van Hypotrust: geen voorstel voor een hypotheek gezien eerdere overdracht, zou hebben veranderd. Ook is niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hun kind hieraan had willen meewerken en de woning ook zou hebben kunnen financieren.
Het hof voegt ook hier aan toe dat, zoals hiervoor overwogen, [appellanten] niet hebben onderbouwd dat zij, ondanks de door [naam1] B.V. verstrekte lening, in een nadeliger (vermogensrechtelijke) positie verkeren dan wanneer zij de toen bestaande hypotheek hadden kunnen “meenemen”.
De koop ontbinden en de contractuele boete voldoen
[appellanten] voeren in hoger beroep als derde mogelijkheid aan dat als zij goed waren geadviseerd de hypothetische situatie van het afzien van de koop – en de boete van € 34.000,00 “innen” (het hof neemt aan: verschuldigd raken) – ten opzichte van de huidige situatie de meer logische keuze zou zijn geweest. Advidens heeft daar tegen aangevoerd dat ontbinding van de koopovereenkomst en het betalen van de contractuele boete destijds voor [appellanten] geen optie was, omdat hun (intrinsieke) wil er op was gericht om de nieuwe woning te verwerven.
Het hof volgt hierin het standpunt van Advidens. [appellanten] hebben in de procedure voor de Geschillencommissie van KiFiD en in de procedure voor de rechtbank het afzien van de koop en het betalen van de contractuele boete niet als alternatieve beslissing genoemd die zij bij juiste informatieverschaffing en advisering door Advidens zouden hebben genomen. [appellanten] hebben dit scenario pas in dit hoger beroep als alternatief aangevoerd. Dat duidt erop dat [appellanten] deze mogelijkheid pas jaren later zijn gaan overwegen/onderzoeken en biedt daarom geen houvast voor een reële optie in de zomer van 2022. Toen hadden ze één grote wens: de woning verwerven. Het hof neemt hierbij ook in overweging dat Advidens onweersproken heeft aangevoerd dat [appellanten] de nieuwe woning voor € 136.000,00 hebben verbouwd. Daaruit spreekt ook dat het destijds de wil van [appellanten] was om de nieuwe woning te verwerven en daarin te investeren. Daar komt bij dat ze de woning zonder ontbindende voorwaarde hebben gekocht voor fors meer dan de vraagprijs, wat eveneens er op duidt dat ze de woning graag wilden bemachtigen. Daarmee is niet te rijmen hun huidige stelling dat het afzien van de koop en het betalen van de contractuele boete voor hen een realistische en denkbare beslissing bij juiste informatieverschaffing en advisering door Advidens zou zijn geweest, en dat deze beslissing hen in een betere (vermogensrechtelijke) positie zou hebben gebracht dan nu het geval is.
Het hof voegt hier aan toe dat [appellanten] in de hypothetische situatie van het afzien van de koop in beginsel de boete van € 34.000,00 verschuldigd zouden zijn geweest. De door [appellanten] ingebrachte schriftelijke verklaring van de verkoopster bevat namelijk geen indicatie dat zij in geval van niet of niet-tijdige overdracht na 31 augustus 2022 zou hebben afgezien van deze boete.
Tussenconclusie wat betreft de rentevordering
Op basis van de hiervoor beschreven feiten, omstandigheden en overwegingen oordeelt het hof dat niet aannemelijk is gemaakt dat [appellanten] bij juiste informatieverschaffing en advisering door Advidens een andere beslissing zouden hebben genomen. En in het hypothetische geval dat zij (wel) één van de door hun voorgeschotelde keuzes zouden hebben gemaakt, hebben zij onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat zij daardoor in een betere (vermogensrechtelijke) positie zou zijn gebracht dan nu het geval is. Naar het oordeel van het hof is Advidens daarom niet aansprakelijk voor de als “renteschade” aangeduide vordering van [appellanten]
Kosten inkomensrapport
De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] ten aanzien van de kosten voor het inkomensrapport van € 774,40 afgewezen, omdat deze kosten zijn gemaakt voordat Advidens [appellanten] onjuist heeft geïnformeerd en deze kosten daarom ook zouden zijn gemaakt in de hypothetische situatie waarin Advidens juist zou hebben geadviseerd. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank van een causaal verband tussen de onjuiste advisering en deze kosten geen sprake.
[appellanten] hebben hiertegen als bezwaar aangevoerd dat het rapport uiteindelijk geen nut heeft gehad omdat het aanbod (naar het hof aanneemt: van Hypotrust) niet kon worden geëffectueerd als direct gevolg van de beroepsfout van Advidens. Deze kosten zijn daardoor tevergeefs geweest als rechtstreeks gevolg van het onjuiste advies, aldus [appellanten] Advidens is in hoger beroep niet specifiek op deze grief tegen afwijzing van de vordering van [appellanten] ten aanzien van de kosten voor het inkomensrapport ingegaan. Het hof begrijpt de stellingname van Advidens aldus, dat haar verweer wat betreft ontbrekende causaliteit tussen haar beroepsfout en de door [appellanten] gevorderde schade ook betrekking heeft op dit deel van de door [appellanten] gevorderde schade.
Het hof zal het vonnis van de rechtbank op dit punt bekrachtigen. De kosten van het inkomensrapport staan niet in causaal verband met de beroepsfout van Advidens. [appellanten] hebben dit rapport immers op eigen initiatief laten opmaken ten behoeve van de aankoop van een nieuwe woning. Zelfs als Advidens hen wel gelijk had geïnformeerd over de gevolgen van het financieren van de woning vanuit [naam1] B.V. voor de meeneemhypotheek waren deze kosten dus gemaakt.
Advies- en taxatiekosten
De rechtbank heeft geoordeeld dat Advidens de door [appellanten] gevorderde advies- en bemiddelingskosten en taxatiekosten van € 2.850,00 moet vergoeden, omdat [appellanten] deze kosten als gevolg van het onzorgvuldig handelen van Advidens nodeloos hebben gemaakt.
Advidens heeft tegen deze toewijzing bezwaar gemaakt omdat beëindiging van het aanvraagtraject door Hypotrust het gevolg was van het feit dat [appellanten] een hypothecaire geldleningsovereenkomst waren aangegaan met [naam1] B.V. en zij daarom Hypotrust niet meer een eerste hypotheekrecht konden verstrekken, terwijl dit een harde voorwaarde was voor het verstrekken van de financiering. [appellanten] hebben daarmee verhinderd dat Advidens kon bemiddelen bij de totstandkoming van een hypothecaire geldlening, waardoor [appellant] in verzuim is geraakt, aldus Advidens.
[appellanten] hebben hiertegen aangevoerd dat vaststaat dat Advidens een beroepsfout heeft begaan, dat de door Advidens gevorderde kosten rechtstreeks samenhangen met deze beroepsfout en dat deze daarom schade vormen. Het afsluiten van de geldleningsovereenkomst met [naam1] B.V. was het directe gevolg van het foutieve advies van Advidens; als Advidens [appellanten] tijdig en volledig had geïnformeerd over de consequenties van voorfinanciering uit de B.V., dan hadden zij deze route niet gekozen en had de meeneemregeling benut kunnen worden, aldus [appellanten] voegen daar aan toe dat de taxatiekosten zijn gemaakt ná de levering van de nieuwe woning en dat de meeneemregeling al was vervallen door het onjuiste advies van 19 juli 2022.
Het hof zal het vonnis van de rechtbank ook op dit punt bekrachtigen. Deze kosten staan wel degelijk in causaal verband met het onzorgvuldig handelen van Advidens. Voor de gevorderde taxatiekosten van € 650,- geldt dat deze kosten pas zijn gemaakt nadat [appellanten] de woning al in eigendom hadden verkregen. Deze kosten zouden zij niet hebben gemaakt als zij toen hadden geweten dat zij als gevolg van het opvolgen van het onjuiste advies van Advidens sowieso niet meer in aanmerking kwamen voor de door hen gewenste ‘meenneemhypotheek’. Voor de advies- en bemiddelingskosten van € 2.200,- is van belang dat [appellanten] deze kosten – in retroperspectief – heeft betaald voor een tekortschietende begeleiding van Advidens in haar contractuele relatie tot [appellanten] De rechtbank heeft overwogen dat het hierdoor niet meer mogelijk was om in aanmerking te komen voor de meeneemhypotheek en dat daarom op Advidens de verplichting rust deze door [appellanten] nodeloos gemaakte kosten van € 2.200,- te vergoeden. Hiertegen heeft Advidens in incidenteel hoger beroep ingebracht dat het aan de eigen schuld van [appellanten] is te wijten dat Hypotrust zich heeft teruggetrokken. Anders dan was geadviseerd, heeft [naam1] B.V. namelijk een eerste recht van hypotheek bedongen op de woning, wat onaanvaardbaar voor Hypotrust was. Het causaal verband tussen de gestelde geleden schade en de erkende tekortkoming ontbreekt daarom, aldus Advidens. Dit bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank faalt. Het is namelijk niet juist dat [appellanten] Hypotrust niet meer een eerste recht van hypotheek konden verstrekken. Er is weliswaar een hypothecaire geldleningsovereenkomst opgesteld en het geld is uitgeleend, maar het recht van hypotheek is nimmer gevestigd.
De conclusie
Het hoger beroep slaag niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zullen worden gesteld in het principaal appel zullen zij worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep. Omdat Libido c.s. in het ongelijk zullen worden gesteld in het incidenteel appel zullen zij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.3
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 5 juni 2024;
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van Libido c.s. in het principaal appel:
€ 2.175 aan griffierecht
€ 11.238 aan salaris van de advocaat van Libido c.s. (2 procespunten x het toepasselijke tarief VII)
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
veroordeelt Libido c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] in het incidenteel appel:
€ 1.824 aan salaris van de advocaat van [appellanten] (2 procespunten x het toepasselijke tarief I)
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, voorzitter, J.P.H. van Driel van Wageningen en J.G.J. Rinkes en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.